Hof van Cassatie: Arrest van 13 Februari 1995 (België). RG S940056N

Datum :
13-02-1995
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19950213-9
Rolnummer :
S940056N

Samenvatting :

Het algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem" geldt niet voor de maatregel genomen op grond van art. 131, eerste lid, Werkloosheidsbesluit 1963.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 18 januari 1994 door het Arbeidshof te Antwerpen gewezen;
Over het eerste onderdeel van het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 131, alinéa 1, eerste lid, 133 eerste lid en vierde lid, 172, 174 en 210 van het K.B. van 20 december 1963, (...) en van het algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem";
doordat het arrest het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaarde op grond van de volgende overwegingen "(...) in casu dient alleen onderzocht of het adagium "non bis in idem" al dan niet van toepassing is, m.a.w. of er over een en dezelfde feitelijkheid niet een tweede maal werd geoordeeld. (...) Dat echter het universeel karakter van dit adagium maakt dat de toepassing ervan niet wordt beperkt tot het strafrecht; het adagium is ook van toepassing op het sanctioneringsrecht, waartoe de reglementering op de werkloosheid ongetwijfeld behoort. Dat derhalve dient onderzocht of het naleven van artikel 174 van het K.B. van 20.12.1963 een loutere ontvankelijkheidsvereiste is, dan wel of het onderzoek of de pleegvormen voorzien in dit artikel al dan niet gerespecteerd werden, een beoordeling over de grond uitmaakt; Dat uit het dispositief van het arrest van dit Hof dd. 10.5.1991 blijkt dat de beoordeling van de feitelijkheden i.v.m. de onbeschikbaarheid (art. 131) werd ontvankelijk verklaard, doch dat de nietigheid van de beslissing op grond van artikel 174 van het K.B. van 20.12.1963 werd vastgesteld, wat impliceert dat het naleven van de vormvereisten van artikel 174 geen louter vereiste van ontvankelijkheid van de vordering aanbelangt, doch insluit dat er over de grond van de zaak geoordeeld werd, waarop als dusdanig niet kan worden teruggekomen" (vierde en vijfde bladzijde van het arrest),
terwijl, eerste onderdeel, het beginsel "non bis in idem" een algemeen rechtsbeginsel is dat er toe strekt te verhinderen dat eenzelfde persoon voor dezelfde feiten een tweede maal vervolgd zou worden; dit algemeen rechtsbeginsel aldus één aspect van het strafrechtelijk gezag van gewijsde uitmaakt, naast het adagium "res iudicata pro veritate habetur" dat de mate uitdrukt waarin het gewijsde bindend is voor de rechter die uitspraak moet doen in een ander geding; de exceptie van strafrechtelijk gewijsde een andere grondslag heeft dan het gezag van gewijsde in het privaatrechtelijk procesrecht wat vervat ligt in de artikelen 23 tot en met 28 van het Gerechtelijk Wetboek; het algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem" derhalve slechts op die bepalingen van de werkloosheidsreglementering van toepassing kan zijn waarbij een sanctie wordt opgelegd; de wetgever terzake van de werkloosheidsreglementering in het K.B. van 20 december 1963 een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen de voorwaarden van toekenning van werkloosheidsuitkeringen (afdeling II Hoofdstuk I van dit K.B.) enerzijds en de administratieve sancties (afdeling III Hoofdstuk II van dit K.B.) evenals de strafbepalingen (Hoofdstuk IV van dit K.B.) anderzijds; in casu de getroffen maatregel niet van strafrechtelijke aard is noch een administratieve sanctie uitmaakt daar hij er louter toe strekt terugbetaling te bekomen van werkloosheidsuitkeringen die verweerster onrechtmatig heeft ontvangen (artikel 210 van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963) daar zij een voorwaarde van toekenning van werkloosheidsuitkeringen nl. geldig ingeschreven te zijn als werkzoekende (artikel 131 van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963) niet vervulde; de getroffen maatregel bijgevolg geen "sanctionering" inhield zodat het beginsel "non bis in idem" geen toepassing kon vinden;
zodat het arbeidshof, door het beginsel "non bis in idem" niettemin toe te passen, ter zake van bepalingen van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963 die geen sancties betreffen, het beginsel "non bis in idem" heeft geschonden; tevens de artikelen 131, alinéa eerste lid, 133, eerste en vierde lid, 172, 174 en 210 van het K.B. van 20 december 1963 heeft geschonden in zoverre deze artikelen van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963 geen sancties uitmaken doch respectievelijk ressorteren onder de wettelijke voorwaarden van toekenning van werkloosheidsuitkering (artikel 131 en 133), de algemene bepalingen van toekenning van werkloosheidsuitkering (artikelen 172 en 174) en de uitbetaling van werkloosheidsuitkering (artikel 210) :
Overwegende dat het ontzeggen van het recht op werkloosheidsuitkering wegens het niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, op grond van artikel 131, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit van 20 december 1963, een maatregel is die genomen wordt ten aanzien van de werknemer die aan de voorwaarden van toekenning van de werkloosheidsuitkeringen niet voldoet en mitsdien geen recht op die uitkeringen heeft;
Dat voor zulke maatregel het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem niet geldt;
Overwegende dat het arrest, door anders te oordelen, de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen schendt en het voormeld algemeen rechtsbeginsel miskent;
Dat het onderdeel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt eiser in de kosten;
Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel.