Hof van Cassatie: Arrest van 13 Januari 2004 (België). RG P030646N

Datum :
13-01-2004
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20040113-12
Rolnummer :
P030646N

Samenvatting :

Uit het bijzonder karakter van een geldboete inzake douane en accijnzen, gelijk aan de ontdoken rechten of taksen of een veelvoud daarvan, volgt dat wanneer in de tijd verschillende maar naar de wetsomschrijving identieke douanemisdrijven, de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet de, krachtens artikel 65, Strafwetboek, uit te spreken enige geldboete moet berekend worden op de som van de door die misdrijven ontdoken rechten en taksen (1) (2). (1) Waar het arrest gewag maakt van 'naar de wetsomschrijving identieke douanemisdrijven' dient zulks begrepen te worden als verschillende douanemisdrijven die door de wetgever beteugeld worden met een geldboete die even hoog is, wat het geval was voor de feiten 1 en 2. In casu werden immers de ten laste gelegde misdrijven als volgt strafbaar gesteld: feit 1 en feit 2 met gevangenisstraf van 4 maanden tot één jaar en met een geldboete gelijk aan 10 maal de ontdoken rechten (artt. 220, ,§ 1, 221 en 224 Algemene Wet Douane en Accijnzen), feit 3 met een geldboete van EUR 250 tot EUR 625 zonder dat ze lager mag zijn dan 10 maal de ontdoken rechten (art. 259 Algemene Wet Douane en Accijnzen). (2) Het openbaar ministerie had in deze geconcludeerd tot verwerping van de voorziening: enerzijds op grond dat het door eiser aangevoerde middel faalde naar recht vermits het middel er van uitging dat wanneer verschillende feiten de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet of wanneer één feit verschillende misdrijven oplevert, artikel 65, Sw. slechts kan toegepast worden wanneer de straf van het ene misdrijf zwaarder is dan de straf van het andere misdrijf, anderzijds op grond dat de argumentatie van eiser, die er op neer kwam dat wanneer de door de wetgever vastgestelde straffen gelijk zijn in grootte zij in het geval zonder meer mogen opgeteld worden, tot gevolg heeft dat men tot een grotere bestraffing zou kunnen komen bij toepassing van artikel 65, Sw. dan indien men de feiten zou beschouwen als een meerdaadse samenloop en artikel 60, Sw. zou toepassen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Nr. P.03.0646.N
I
A. A.,
eiser, beklaagde,
tegen
MINISTER VAN FINANCIËN, met kabinet te Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en vordering van de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met gekozen woonplaats te Antwerpen, Kattendijkdok Oostkaai 22,
verweerder, vervolgende partij.
II
MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld,
eiser, vervolgende partij,
met als raadsman Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
A. A., reeds vermeld,
verweerder, beklaagde.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 26 maart 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
De eiser sub I stelt geen middel voor.
De eiser sub II stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Onderzoek van het middel van de eiser sub II
Overwegende dat artikel 65, eerste lid, van het eerste boek van het Strafwetboek bepaalt dat wanneer een zelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken; dat krachtens artikel 100 Strafwetboek bij gebreke van andersluidende bepalingen in bijzondere wetten en besluiten de bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek worden toegepast op de misdrijven die bij die wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld, met uitzondering van hoofdstuk VII en van artikel 85;
Overwegende dat, evenwel, uit het bijzondere karakter van een geldboete inzake douane en accijnzen, gelijk aan de ontdoken rechten of taksen of een veelvoud daarvan, volgt dat wanneer in de tijd verschillende maar naar de wetsomschrijving identieke douanemisdrijven, de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet de, krachtens artikel 65 Strafwetboek, uit te spreken enige geldboete moet worden berekend op de som van de door die misdrijven ontdoken rechten en taksen;
Dat het middel gegrond is;
B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat, wat de schuldigverklaring betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep van A. A.;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Vernietigt op het cassatieberoep van de minister van financiën het bestreden arrest in zoverre het beslist over de aan verweerder op te leggen straf;
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Veroordeelt eiser sub II in de helft van zijn kosten en laat de overige helft ten laste van de Staat;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Gezegde kosten in het geheel begroot op de som van driehonderd negenentwintig euro drieëndertig cent, waarvan 1. op het cassatieberoep van A. A. : eenentachtig euro twaalf cent verschuldigd, en 2. op het cassatieberoep van de minister van financiën : honderd vijftien euro één cent verschuldigd en honderd drieëndertig euro twintig cent door de eiser betaald.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van dertien januari tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.