Hof van Cassatie: Arrest van 13 Juni 1990 (België). RG 8345
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19900613-7
- Rolnummer :
- 8345
Samenvatting :
Niet ontvankelijk bij gemis aan belang is het middel waarin de beschuldigde aanvoert dat een persoon die een burgerlijke rechtsvordering had ingesteld tegen een medebeschuldigde die met de zaak van eiser niets te maken had en op het proces vertegenwoordigd werd, niet zelf tot de behandeling met gesloten deuren werd toegelaten.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 6 april 1990 gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Brabant, rechtdoende op verwijzing;
Gelet op de arresten van 9 augustus (A.C., 1988-89, nr. 648) en 18 oktober 1989 (A.C., 1989-90, nr. 100) van het Hof;
I. Op de voorziening van Jean Nyssen :
Over het eerste middel : schending van artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering,
doordat de getuige à charge, Lucette Renard, bediende, verblijvend te Charleroi-Marchiennes, rue Spignat 2, ex-echtgenote van eiser, op de terechtzitting van maandag 2 april 1990 is binnengebracht om verhoord te worden; dat, op vraag van de voorzitter, de beschuldigden en hun raadslieden, alsook het openbaar ministerie formeel verklaarden zich er niet tegen te verzetten dat de regelmatig gedaagde getuige wiens naam door het openbaar ministerie regelmatig binnen de wettelijke termijn ter kennis was gebracht van de beschuldigden onder eed zou worden gehoord; dat die getuige nochtans niet de eed had afgelegd alvorens te getuigen, zoals zij dat gedaan had toen zij in dezelfde zaak verhoord was voor het Hof van Assisen van de provincie Luik,
terwijl artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de getuigen, alvorens hun verklaringen af te leggen, op straffe van nietigheid de eed afleggen dat zij zullen spreken zonder haat en zonder vrees, dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen; krachtens artikel 322, laatste lid, van het Wetboek van Strafvordering de gewezen echtgenote van de beschuldigde onder eed moet worden gehoord als geen enkele partij zich ertegen verzet; de voorzitter noch het hof van assisen, al evenmin als de partijen, een regelmatig opgeroepen getuige kunnen ontslaan van de eedaflegging; de eedaflegging een rechtsvorm is die de openbare orde raakt en op straffe van nietigheid is voorgeschreven :
Overwegende dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 april 1990 van het hof van assisen blijkt dat Lucette Renard, die regelmatig was gedagvaard als getuige en wiens naam bekend was gemaakt, verklaard heeft "de ex-vrouw van de beschuldigde Nyssen Jean te zijn"; dat, in weerwil van de verklaring van het openbaar ministerie, de beschuldigden en hun raadslieden dat zij zich niet ertegen verzetten dat de getuige onder eed werd gehoord, de voorzitter, "met gebruikmaking van zijn discretionaire macht", de eedafneming achterwege gelaten heeft op grond dat "die getuige de ex-vrouw is van Nyssen Jean";
Overwegende dat luidens artikel 322 van het Wetboek van Strafvordering de man of de vrouw, zelfs nadat de echtscheiding is uitgesproken, niet worden toegelaten om te getuigen; dat hetzelfde artikel, laatste lid, bepaalt dat het horen van die personen evenwel geen nietigheid kan teweegbrengen, wanneer de partijen zich niet ertegen hebben verzet dat zij gehoord worden; dat uit die wetsbepaling blijkt dat een aanverwant van de beschuldigde, wanneer hij voor het hof van assisen als getuige verhoord wordt, bij ontstentenis van verzet van de partijen, op straffe van nietigheid de wettelijke eed moet afleggen;
Overwegende dat de voorzitter van het hof van assisen evenwel krachtens de hem door artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering toegekende discretionaire macht, zonder de eed af te nemen en louter om inlichtingen te krijgen, de personen kan ondervragen die één van de bij artikel 322 van dat wetboek opgesomde hoedanigheden bezitten en tegen wier verhoor de procureur-generaal, de burgerlijke partij en of de beschuldigden zich niet hebben verzet;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het tweede middel : miskenning van het beginsel van de openbaarheid van de debatten,
doordat het hof van assisen op de terechtzitting van dinsdag 27 maart 1990 bij arrest beval dat het verhoor van de getuige Marianne Wertz met gesloten deuren zou geschieden; dat, tijdens de ontruiming van de zaal, meester Massaux, raadsman van de burgerlijke partij Henri Renardy, de voorzitter vroeg of zijn cliënt, Henri Renardy, die partij was in het geding en die zich in de zaal bevond, bij dat verhoor aanwezig mocht zijn; dat de voorzitter dat verzoek verwierp met de precisering dat Henri Renardy niet toegelaten was tot de behandeling met gesloten deuren; dat op verzoek van meester Xavier Magnée, eisers raadsman, akte werd genomen van het feit dat "de heer Henri Renardy, burgerlijke partij, niet tot de behandeling met gesloten deuren werd toegelaten",
terwijl de procespartijen in ieder geval aanwezig moeten zijn bij de behandeling met gesloten deuren; Henri Renardy in twee opzichten bij de zaak betrokken was : in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordiger van zijn dochter Estelle Renardy; de openbaarheid van de terechtzitting een essentieel vormvereiste van de strafrechtspleging is; elke miskenning van dat beginsel bijgevolg de nietigheid tot gevolg heeft; het beginsel van de openbaarheid van de terechtzitting miskend wordt en de strafrechtspleging nietig is wanneer de voorzitter de door het hof van assisen bevolen behandeling met gesloten deuren uitbreidt tot buiten de strikte, hem door de wet opgelegde grenzen, aangezien de behandeling met gesloten deuren de uitzondering is :
Overwegende dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 maart 1990 van het hof van assisen, de burgerlijke partij Henri Renardy, die op de terechtzitting door haar raadslieden werd vertegenwoordigd, niet tot de zitting met gesloten deuren werd toegelaten, op grond dat haar vordering enkel gericht was tegen de medebeschuldigde Pierre Defosse en dat het bewuste getuigenis op haar geen betrekking had;
Overwegende dat eiser er geen belang bij heeft aan te voeren dat een burgerlijke partij, die met zijn zaak niets te maken heeft en op het proces vertegenwoordigd wordt, niet in persoon tot de zitting met gesloten deuren toegelaten werd;
Dat het middel niet ontvankelijk is;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
II. Op de voorziening van Pierre Defosse :
Overwegende dat de substantiële of op straf van nietigheid voorgeschreven rechtsregels in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
Om die redenen, ongeacht het geschrift, dat de eiser Defosse heeft ingediend op de terechtzitting van die dag, dus buiten de wettelijke termijn; verwerpt de voorzieningen; veroordeelt iedere eiser in de kosten van zijn voorziening.
(2) A.C., 1988-89, nr. 648.
(3) A.C., 1989-90, nr. 100.
Gelet op de arresten van 9 augustus (A.C., 1988-89, nr. 648) en 18 oktober 1989 (A.C., 1989-90, nr. 100) van het Hof;
I. Op de voorziening van Jean Nyssen :
Over het eerste middel : schending van artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering,
doordat de getuige à charge, Lucette Renard, bediende, verblijvend te Charleroi-Marchiennes, rue Spignat 2, ex-echtgenote van eiser, op de terechtzitting van maandag 2 april 1990 is binnengebracht om verhoord te worden; dat, op vraag van de voorzitter, de beschuldigden en hun raadslieden, alsook het openbaar ministerie formeel verklaarden zich er niet tegen te verzetten dat de regelmatig gedaagde getuige wiens naam door het openbaar ministerie regelmatig binnen de wettelijke termijn ter kennis was gebracht van de beschuldigden onder eed zou worden gehoord; dat die getuige nochtans niet de eed had afgelegd alvorens te getuigen, zoals zij dat gedaan had toen zij in dezelfde zaak verhoord was voor het Hof van Assisen van de provincie Luik,
terwijl artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de getuigen, alvorens hun verklaringen af te leggen, op straffe van nietigheid de eed afleggen dat zij zullen spreken zonder haat en zonder vrees, dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen; krachtens artikel 322, laatste lid, van het Wetboek van Strafvordering de gewezen echtgenote van de beschuldigde onder eed moet worden gehoord als geen enkele partij zich ertegen verzet; de voorzitter noch het hof van assisen, al evenmin als de partijen, een regelmatig opgeroepen getuige kunnen ontslaan van de eedaflegging; de eedaflegging een rechtsvorm is die de openbare orde raakt en op straffe van nietigheid is voorgeschreven :
Overwegende dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 april 1990 van het hof van assisen blijkt dat Lucette Renard, die regelmatig was gedagvaard als getuige en wiens naam bekend was gemaakt, verklaard heeft "de ex-vrouw van de beschuldigde Nyssen Jean te zijn"; dat, in weerwil van de verklaring van het openbaar ministerie, de beschuldigden en hun raadslieden dat zij zich niet ertegen verzetten dat de getuige onder eed werd gehoord, de voorzitter, "met gebruikmaking van zijn discretionaire macht", de eedafneming achterwege gelaten heeft op grond dat "die getuige de ex-vrouw is van Nyssen Jean";
Overwegende dat luidens artikel 322 van het Wetboek van Strafvordering de man of de vrouw, zelfs nadat de echtscheiding is uitgesproken, niet worden toegelaten om te getuigen; dat hetzelfde artikel, laatste lid, bepaalt dat het horen van die personen evenwel geen nietigheid kan teweegbrengen, wanneer de partijen zich niet ertegen hebben verzet dat zij gehoord worden; dat uit die wetsbepaling blijkt dat een aanverwant van de beschuldigde, wanneer hij voor het hof van assisen als getuige verhoord wordt, bij ontstentenis van verzet van de partijen, op straffe van nietigheid de wettelijke eed moet afleggen;
Overwegende dat de voorzitter van het hof van assisen evenwel krachtens de hem door artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering toegekende discretionaire macht, zonder de eed af te nemen en louter om inlichtingen te krijgen, de personen kan ondervragen die één van de bij artikel 322 van dat wetboek opgesomde hoedanigheden bezitten en tegen wier verhoor de procureur-generaal, de burgerlijke partij en of de beschuldigden zich niet hebben verzet;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het tweede middel : miskenning van het beginsel van de openbaarheid van de debatten,
doordat het hof van assisen op de terechtzitting van dinsdag 27 maart 1990 bij arrest beval dat het verhoor van de getuige Marianne Wertz met gesloten deuren zou geschieden; dat, tijdens de ontruiming van de zaal, meester Massaux, raadsman van de burgerlijke partij Henri Renardy, de voorzitter vroeg of zijn cliënt, Henri Renardy, die partij was in het geding en die zich in de zaal bevond, bij dat verhoor aanwezig mocht zijn; dat de voorzitter dat verzoek verwierp met de precisering dat Henri Renardy niet toegelaten was tot de behandeling met gesloten deuren; dat op verzoek van meester Xavier Magnée, eisers raadsman, akte werd genomen van het feit dat "de heer Henri Renardy, burgerlijke partij, niet tot de behandeling met gesloten deuren werd toegelaten",
terwijl de procespartijen in ieder geval aanwezig moeten zijn bij de behandeling met gesloten deuren; Henri Renardy in twee opzichten bij de zaak betrokken was : in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordiger van zijn dochter Estelle Renardy; de openbaarheid van de terechtzitting een essentieel vormvereiste van de strafrechtspleging is; elke miskenning van dat beginsel bijgevolg de nietigheid tot gevolg heeft; het beginsel van de openbaarheid van de terechtzitting miskend wordt en de strafrechtspleging nietig is wanneer de voorzitter de door het hof van assisen bevolen behandeling met gesloten deuren uitbreidt tot buiten de strikte, hem door de wet opgelegde grenzen, aangezien de behandeling met gesloten deuren de uitzondering is :
Overwegende dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 maart 1990 van het hof van assisen, de burgerlijke partij Henri Renardy, die op de terechtzitting door haar raadslieden werd vertegenwoordigd, niet tot de zitting met gesloten deuren werd toegelaten, op grond dat haar vordering enkel gericht was tegen de medebeschuldigde Pierre Defosse en dat het bewuste getuigenis op haar geen betrekking had;
Overwegende dat eiser er geen belang bij heeft aan te voeren dat een burgerlijke partij, die met zijn zaak niets te maken heeft en op het proces vertegenwoordigd wordt, niet in persoon tot de zitting met gesloten deuren toegelaten werd;
Dat het middel niet ontvankelijk is;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
II. Op de voorziening van Pierre Defosse :
Overwegende dat de substantiële of op straf van nietigheid voorgeschreven rechtsregels in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
Om die redenen, ongeacht het geschrift, dat de eiser Defosse heeft ingediend op de terechtzitting van die dag, dus buiten de wettelijke termijn; verwerpt de voorzieningen; veroordeelt iedere eiser in de kosten van zijn voorziening.
(2) A.C., 1988-89, nr. 648.
(3) A.C., 1989-90, nr. 100.