Hof van Cassatie: Arrest van 13 Mei 2005 (België). RG C020401N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20050513-3
- Rolnummer :
- C020401N
Samenvatting :
Uit de afwezigheid van een paraaf bij een clausule van een tussen partijen ondertekende overeenkomst kan niet worden afgeleid dat partijen met die clausule niet hebben ingestemd (1). (1) Het openbaar ministerie had geconcludeerd tot verwerping op basis van een onjuiste lezing van het arrest door de eiser.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. C.02.0401.N
J.J.,
eiser,
vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
V. D. M. L.,
verweerder.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 februari 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 1134, 1234, 1156, 1315, 1318, 1319, 1320, 1322 en 1341 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1322 zoals van toepassing vóór het werd aangevuld door artikel 2 van de wet van 20 oktober 2000 "tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure" en artikel 1341 zoals van toepassing vóór het werd aangepast door artikel 1 van het Koninklijk besluit van 20 juli 2000 "houdende uitvoering inzake justitie van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet".
Aangevochten beslissingen
In de bestreden beslissing bevestigt het hof van beroep het beroepen vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 10 december 1999, waarbij eiser werd veroordeeld tot betaling van 625.000 BEF aan verweerder, meer de intresten en de kosten. De appèlrechters baseren zich daarbij op de volgende overwegingen :
"(Eiser) en (verweerder) waren beide oprichters, aandeelhouders en zaakvoerders van de BVBA Jacobs & Co en bezaten elk 375 aandelen ;
Op 16 mei 1994 stelden beiden een overeenkomst tot overdracht van aandelen op waarbij (eiser) de 375 aandelen van (verweerder) overnam voor de prijs van 1661 BEF per aandeel (41,32 euro) of in het totaal 625.000 BEF (15.493,35 euro). Tevens werd overeengekomen dat de rekening-courant van (verweerder) zou worden aangezuiverd en het bedrag van 35.000 BEF (9.296,01 euro) aan hem zou worden betaald ;
Op 3 juni 1994 maant (verweerder) aan tot betaling van beide bedragen, waarop (eiser) reageert bij schrijven van 9 juni 1994 stellende dat aan de overeenkomst algehele uitwerking werd gegeven ;
Op 9 december 1994 dagvaardde (verweerder) enerzijds (eiser) tot betaling van het bedrag van 625.000 BEF (15.493,35 EUR) en anderzijds de BVBA Jacobs & Co tot betaling van de som van 375.000 BEF (9.296,01 EUR), meer de intresten en kosten ;
Bij vonnis van 10 december 1999 van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, werd de vordering gegrond verklaard ;
(Eiser) en de BVBA Jacobs & Co tekenden hoger beroep aan op 11 januari 2000. Zij houden voor betaald te hebben en stellen dat de overeenkomst tot overdracht van aandelen van 16 mei 1994 kwijting inhoudt ;
(Verweerder) concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep ;
(Eiser en de BVBA Jacobs & Co) betwisten niet dat op hen, als schuldenaar, de bewijslast rust van de betaling die zij beweren gedaan te hebben. Zij beroepen zich op de kwijting die gegeven zou zijn in de overeenkomst ;
Dit verweer kan alleszins niet ingeroepen worden door (de BVBA Jacobs & Co). De kwijting kan hoogstens slaan op de overnameprijs voor de aandelen vermits uitdrukkelijk naar 'die som' verwezen wordt, zijnde de voordien vermelde prijs van 635.000 BEF (15.493,35 euro) ;
De beloofde betaling van het tegoed op de rekening-courant komt slechts nadien in de tekst, zonder enige vermelding van datum of wijze van betaling en van kwijting ;
De ná de overdracht van aandelen doorgevoerde boekhoudkundige bewerkingen van de rekening-courant zijn slechts eenzijdig en bewijzen de betaling niet ;
De betaling van dit tegoed op de rekening-courant wordt door niets bewezen of zelfs aannemelijk gemaakt ;
Aan de hand van de voorgelegde stukken en de ingeroepen middelen heeft de eerste rechter op oordeelkundige wijze en op grond van pertinente motieven die het hof beaamt en overneemt de overeenkomst geïnterpreteerd ;
Uit de akte die in zijn geheel dient te worden gelezen kan geen bewijs van betaling worden afgeleid ;
Daarbij dient in het bijzonder benadrukt dat de overeenkomst blijkens de opmaak van het contract tot stand is gekomen op basis van een voorgetypte tekst die nog door de contractspartijen moest worden aangevuld en goedgekeurd ;
Er kan niet voorbijgegaan worden aan de vaststelling dat beide partijen niet alle alinea's van de voorgetypte tekst in de rand hebben geparafeerd en dat het opvalt dat bij de bewuste clausule waarin de kwijting werd opgenomen geen paraaf voorkomt ;
Wellicht was het de bedoeling van partijen om de overnameprijs te regelen bij de ondertekening van de overeenkomst, maar uit de afwezigheid van parafering van deze clausule kan afgeleid worden dat alsdan geen betaling is gebeurd. Daarbij is het niet onbelangrijk op te merken dat de prijs met de hand is ingevuld zodat partijen waarschijnlijk tot op het ogenblik van de ondertekening onderhandeld hebben over de overnameprijs en het credit op de rekening-courant, eveneens met de hand bijgevoegd, een element is geweest bij de prijsbepaling ;
Een afrekening in speciën waarvan voor het overige elk concreet materieel spoor ontbreekt, is dan ook hoogst onwaarschijnlijk ;
De vermelding in het contract kan dan ook niet worden aangezien als een bewijs dat de overnameprijs betaald werd ;
Ook daarbuiten wordt geen bewijs van effectieve betaling geleverd".
De appèlrechters verklaren aldus uitdrukkelijk de motieven van het beroepen vonnis van de rechtbank van koophandel over te nemen. Deze had in het beroepen vonnis van 10 december 1999 de vordering van verweerder tegen eiser tot betaling van de overnameprijs voor de aandelen ten bedrage van 625.000 BEF, gegrond verklaard op grond van de volgende motieven :
"(...) dat hij die betaling voorhoudt, zijn betaling dient te bewijzen ;
Dat (eiser) te dien einde verwijst naar de overeenkomst, welke geldt als enige kwijting, en geen ander bewijs van betaling voorlegt ;
(...) dat bedoelde overeenkomst echter voor tweeërlei interpretatie vatbaar is ;
Dat de overeenkomst inderdaad stelt :
1. Prijs
Deze verkoop en koop is wederkerig aangenomen voor de prijs van 1.667 BEF/aandeel of in totaal (625.000) BEF ;
Som die de verkoper erkent van de koper te hebben ontvangen bij de ondertekening dezer en waarvoor deze hem hierbij kwijting verleent ;
Bovendien wordt de rekening-courant van (verweerder) ten bedrage van 35.000 terugbetaald ;
2. Overgang van eigendom en genot
Ingevolge deze overdracht gaan de aandelen in genot en eigendom over vanaf dag der betaling :
Vanaf deze datum zijn alle baten en lasten van de verkochte aandelen voor rekening van de koper die, sedert dan, ook alle eraan verbonden rechten uitoefent ...'.
(...) dat de overeenkomst onderaan is getekend voor kennisneming en akkoord door beide partijen, en dat alle paragrafen, waar handgeschreven of specifieke bepalingen zijn aan toegevoegd door beide partijen zijn gekanttekend (...), meer specifiek dat art. 2 (men leze : 'art. 1') tweemaal werd gekanttekend, en dit naast de prijsafspraak en naast de vermelding nopens de rekening courant, zoals ook de vermelding 'vanaf dag der betaling' werd gekanttekend, terwijl echter geen kanttekening ('paraffe') voorhanden is bij de paragraaf die de kwijting vermeldt ;
(...) dat niet wordt aangegeven welke die 'dag der betaling' is ;
(...) dat, alhoewel de overeenkomst uitdrukkelijk ernaar verwijst, het aandeelhoudersregister kennelijk post factum is (g)econstrueerd en enkel en alleen handtekeningen van (eiser) bevat, derhalve niet bewijskrachtig is ;
(...) dat (eiser) onderaan de overeenkomst nog eigenhandig de vermelding 'Met deze overeenkomst erkent (verweerder) dat alle achterstallen van lonen en dergelijke verrekend zijn' heeft toegevoegd en zelf(eigenhandig) heeft ondertekend (...) ;
Dat het dus duidelijk is dat alle specifieke vermeldingen en bepalingen in de overeenkomst uitdrukkelijk werden gekanttekend, dat de integrale overeenkomst is ondertekend 'Voor kennisgeving en akkoord', doch dat aldus niet ondubbelzinnig kwijting wordt aangetoond ;
Dat trouwens op geen enkel(e) wijze duidelijk is in welke vorm zou zijn betaald".
Grieven
1. Eerste onderdeel
Te dezen wordt niet betwist dat verweerder als "verkoper" en eiser als "koper" op 16 mei 1994 een onderhandse overeenkomst ondertekenden die, onder de hoofding "1. PRIJS", o.m. de volgende clausule bevat :
"Deze verkoop en koop is wederkerig aangenomen voor de prijs van 1667 BEF/aandeel of in totaal 625.000 BEF ;
Som die de verkoper erkent van de koper te hebben ontvangen bij de ondertekening dezer en waarvoor deze hem hierbij kwijting verleent ;
Bovendien wordt de rekening-courant van (verweerder) ten bedrage van 375.000 terugbetaald".
Aldus stond vast dat verweerder "kwijting" heeft verleend voor het bedrag dat eiser hem schuldig was.
Dat deze kwijting contractueel werd vastgelegd, werd op zich door het hof van beroep niet ontkend.
De opmerking van de appèlrechters dat te dezen geen bewijs van "effectieve betaling" zou zijn geleverd, is in dit verband niet relevant. Het antwoord op de vraag of de bewuste koopsom al dan niet werd betaald, kan als zodanig immers geen afbreuk doen aan de omstandigheid dat partijen in hun overeenkomst uitdrukkelijk hebben vermeld dat de verkoper, te dezen verweerder, kwijting verleent voor de koopsom die de koper, te dezen eiser, hem verschuldigd was. Een kwijting kan immers rechtsgeldig worden gegeven zonder dat het bewijs van een "effectieve betaling" voorligt.
Aangezien vaststaat dat deze kwijting deel uitmaakte van het contract tussen partijen, miskennen de appèlrechters de verbindende kracht van de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 en schenden ze bijgevolg artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek. Door ervan uit te gaan dat eiser een "effectieve betaling" diende te bewijzen en niet bevrijd kon worden geacht van zijn betalingsverbintenis door de kwijting die verweerder hem had verleend, schenden ze bovendien de artikelen 1234 en 1315 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Tweede onderdeel
Te dezen staat vast dat partijen de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 als zodanig hebben ondertekend.
De eerste rechter, wiens motieven in het bestreden arrest werden overgenomen, merkte in het beroepen vonnis immers uitdrukkelijk op "dat de overeenkomst onderaan is getekend voor kennisneming en akkoord door beide partijen".
Evenmin werd betwist dat de kwijtingsclausule - luidende als volgt : "Som die de verkoper erkent van de koper te hebben ontvangen bij de ondertekening dezer en waarvoor deze hem hierbij kwijting verleent" als zodanig deel uitmaakte van de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994. Wel merken de appèlrechters op "dat de overeenkomst blijkens de opmaak van het contract tot stand is gekomen op basis van een voorgetypte tekst die nog door de contractspartijen moest worden aangevuld en goedgekeurd" (voorlaatste alinea van p. 3 van het bestreden arrest).
Na te hebben opgemerkt "dat alle paragrafen, waar handgeschreven of specifieke bepalingen zijn aan toegevoegd, door beide partijen zijn gekanttekend" merkt de eerste rechter - en met hem derhalve het hof van beroep - in dit verband evenwel op dat "echter geen kanttekening ('paraffe') voorhanden is bij de paragraaf die de kwijting vermeldt". Te dezen werd niet betwist dat de bewuste kwijtingsclausule inderdaad niet handgeschreven werd toegevoegd maar deel uitmaakte van de voorgetypte tekst op het contract.
Dienaangaande oordelen de appèlrechters dat "uit de afwezigheid van parafering van deze clausule kan afgeleid worden dat alsdan geen betaling is gebeurd (p. 4 van het bestreden arrest).
Uit de - te dezen niet betwiste - ondertekening van een onderhandse akte blijkt evenwel afdoende dat de ondertekenaar heeft ingestemd met die akte : de artikelen 1313 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek impliceren dat een onderhandse akte eigenhandig moet worden ondertekend, doch vereisen niet dat de contractuele clausules afzonderlijk zouden moeten worden geparafeerd, ook wanneer de overeenkomst "tot stand is gekomen op basis van een voorgetypte tekst". Ook voor de feitenrechter benadrukte eiser reeds dat hij "(c)onform de artikelen 1322 en 1311 B.W. (...) een volledig bewijs van betaling (leverde) aan de hand van de ondertekende onderhandse akte" (p. 4 in fine van de mede namens eiser op 30 mei 2001 ter griffie neergelegde "beroepsconclusies").
Gelet op deze beginselen en feitelijke gegevens kon het hof van beroep uit de loutere omstandigheid dat de kwijtingsclausule niet werd geparafeerd, niet wettig afleiden dat te dezen geen betaling zou zijn gebeurd.
Hierdoor miskennen de appèlrechters immers de bewijskracht van de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 en schenden ze bijgevolg de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1322 zoals van toepassing vóór het werd aangevuld door artikel 2 van de wet van 20 oktober 2000 "tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure"). Bovendien miskennen de appèlrechters tevens de wettelijke bewijswaarde van de handtekening van partijen op de overeenkomst en schenden ze bijgevolg de artikelen 1318 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1322 zoals van toepassing vóór het werd aangevuld door artikel 2 van de wet van 20 oktober 2000 "tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure").
3. Derde onderdeel
De verplichting van de rechter om bij toepassing van artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen na te gaan, impliceert niet dat hij hierbij de bewijskracht van de overeenkomst zou mogen miskennen.
Mede door de overname van de motieven in het beroepen vonnis, oordeelt het hof van beroep dat aan de hand van de overeenkomst van 16 mei 1994 "niet ondubbelzinnig kwijting wordt aangetoond" (p. 3 van het beroepen vonnis, zoals overgenomen door het hof van beroep in het bestreden arrest).
Te dezen staat evenwel vast dat verweerder als "verkoper" en eiser als "koper" op 16 mei 1994 een onderhandse overeenkomst ondertekenden die, onder de hoofding "1.Prijs", o.m. de volgende clausule bevat :
"Deze verkoop en koop is wederkerig aangenomen voor de prijs van 1667 BEF/aandeel of in totaal 625.000 BEF ;
Som die de verkoper erkent van de koper te hebben ontvangen bij de ondertekening dezer en waarvoor deze hem hierbij kwijting verleent ;
Bovendien wordt de rekening-courant van (verweerder) ten bedrage van 375.000 terugbetaald".
Door te oordelen dat de overeenkomst de kwijting niet aantoont, poneren de appèlrechters, mede door de overname van de motieven van het beroepen vonnis, dat de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 geen bevestiging van de kwijting bevat, hoewel een dergelijke bepaling daarin uitdrukkelijk werd opgenomen.
Door een dergelijke beoordeling miskennen de appèlrechters de bewijskracht van het aangehaalde contractuele beding en schenden ze bijgevolg de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1322 zoals van toepassing vóór het werd aangevuld door artikel 2 van de wet van 20 oktober 2000 "tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure"). Nu het nagaan van de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen niet impliceert dat de bewijskracht van de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 niet zou dienen te worden gerespecteerd, schendt het hof van beroep bovendien artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Vierde onderdeel
Wanneer overeenkomstig artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek een schriftelijke kwijting werd verleend m.b.t. een bepaalde schuld - zoals te dezen de door verweerder in de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 uitdrukkelijk verleende kwijting m.b.t. de koopsom ten bedrage van 625.000 BEF vermogen de partijen niet door middel van getuigen of vermoedens tegen of boven de inhoud van deze akte een bewijs te leveren.
Voor het hof van beroep merkte eiser dan ook op dat hij "conform de artikelen 1322 en 1341 B.W. (...) een volledig bewijs van betaling (leverde) aan de hand van de ondertekende onderhandse akte" (p. 4 in fine van de mede namens eiser op 30 mei 2001 ter griffie neergelegde "beroepsconclusies").
Aan de hand van een beoordeling van de (on)waarschijnlijkheid van de "effectieve betaling" en van de vermoedelijke "bedoeling van partijen", oordelen de appèlrechters te dezen evenwel dat er geen rekening kan worden gehouden met de in de overeenkomst van 16 mei 1994 verleende kwijting voor het bedrag van 625.000 BEF.
Aldus wordt "tegen de inhoud" van de akte van 16 mei 1994 een louter op feitelijke vermoedens gebaseerd bewijs toegelaten. Hierdoor miskennen de appèlrechters de wettelijke bewijswaarde van de akte van 16 mei 1994 en schenden ze bijgevolg artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek (zoals van toepassing vóór de aanpassing door artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 "houdende uitvoering inzake justitie van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet").
IV. Beslissing van het Hof
1. Tweede onderdeel
Overwegende dat uit de artikelen 1318 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de onderhandse akte die ondertekend is door diegenen tegen wie men zich daarop beroept, tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun erfgenamen en rechtverkrijgenden dezelfde bewijskracht heeft als een authentieke akte ;
Dat de enkele omstandigheid dat een clausule niet geparafeerd werd en andere wel, geen afbreuk doet aan de wettelijke bewijswaarde van die niet geparafeerde clausule waarvan vaststaat dat zij deel uitmaakt van de tussen partijen ondertekende overeenkomst ; dat uit de afwezigheid van een paraaf bij een clausule van een tussen partijen ondertekende overeenkomst niet kan worden afgeleid dat partijen met die clausule niet hebben ingestemd ;
Overwegende dat de appèlrechters met overname van de redenen van de eerste rechters hebben vastgesteld dat "de overeenkomst inderdaad stelt : som die verkoper erkent van de koper te hebben ontvangen bij de ondertekening dezer en waarvoor deze hem hierbij kwijting verleent" en "dat de overeenkomst onderaan is getekend voor kennisneming en akkoord door beide partijen" ; dat zij vervolgens oordelen dat het "wellicht (...) de bedoeling was van partijen om de overnameprijs te regelen bij de ondertekening van de overeenkomst, maar uit de afwezigheid van parafering van deze clausule kan afgeleid worden alsdan geen betaling is gebeurd" ;
Dat het arrest aldus de artikelen 1318 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek schendt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
2. Overige grieven
Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Vernietigt het bestreden arrest inzoverre uitspraak doet omtrent de vordering van verweerder tegen eiser en de daaraan verbonden kosten ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.
J.J.,
eiser,
vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
V. D. M. L.,
verweerder.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 februari 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 1134, 1234, 1156, 1315, 1318, 1319, 1320, 1322 en 1341 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1322 zoals van toepassing vóór het werd aangevuld door artikel 2 van de wet van 20 oktober 2000 "tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure" en artikel 1341 zoals van toepassing vóór het werd aangepast door artikel 1 van het Koninklijk besluit van 20 juli 2000 "houdende uitvoering inzake justitie van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet".
Aangevochten beslissingen
In de bestreden beslissing bevestigt het hof van beroep het beroepen vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 10 december 1999, waarbij eiser werd veroordeeld tot betaling van 625.000 BEF aan verweerder, meer de intresten en de kosten. De appèlrechters baseren zich daarbij op de volgende overwegingen :
"(Eiser) en (verweerder) waren beide oprichters, aandeelhouders en zaakvoerders van de BVBA Jacobs & Co en bezaten elk 375 aandelen ;
Op 16 mei 1994 stelden beiden een overeenkomst tot overdracht van aandelen op waarbij (eiser) de 375 aandelen van (verweerder) overnam voor de prijs van 1661 BEF per aandeel (41,32 euro) of in het totaal 625.000 BEF (15.493,35 euro). Tevens werd overeengekomen dat de rekening-courant van (verweerder) zou worden aangezuiverd en het bedrag van 35.000 BEF (9.296,01 euro) aan hem zou worden betaald ;
Op 3 juni 1994 maant (verweerder) aan tot betaling van beide bedragen, waarop (eiser) reageert bij schrijven van 9 juni 1994 stellende dat aan de overeenkomst algehele uitwerking werd gegeven ;
Op 9 december 1994 dagvaardde (verweerder) enerzijds (eiser) tot betaling van het bedrag van 625.000 BEF (15.493,35 EUR) en anderzijds de BVBA Jacobs & Co tot betaling van de som van 375.000 BEF (9.296,01 EUR), meer de intresten en kosten ;
Bij vonnis van 10 december 1999 van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, werd de vordering gegrond verklaard ;
(Eiser) en de BVBA Jacobs & Co tekenden hoger beroep aan op 11 januari 2000. Zij houden voor betaald te hebben en stellen dat de overeenkomst tot overdracht van aandelen van 16 mei 1994 kwijting inhoudt ;
(Verweerder) concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep ;
(Eiser en de BVBA Jacobs & Co) betwisten niet dat op hen, als schuldenaar, de bewijslast rust van de betaling die zij beweren gedaan te hebben. Zij beroepen zich op de kwijting die gegeven zou zijn in de overeenkomst ;
Dit verweer kan alleszins niet ingeroepen worden door (de BVBA Jacobs & Co). De kwijting kan hoogstens slaan op de overnameprijs voor de aandelen vermits uitdrukkelijk naar 'die som' verwezen wordt, zijnde de voordien vermelde prijs van 635.000 BEF (15.493,35 euro) ;
De beloofde betaling van het tegoed op de rekening-courant komt slechts nadien in de tekst, zonder enige vermelding van datum of wijze van betaling en van kwijting ;
De ná de overdracht van aandelen doorgevoerde boekhoudkundige bewerkingen van de rekening-courant zijn slechts eenzijdig en bewijzen de betaling niet ;
De betaling van dit tegoed op de rekening-courant wordt door niets bewezen of zelfs aannemelijk gemaakt ;
Aan de hand van de voorgelegde stukken en de ingeroepen middelen heeft de eerste rechter op oordeelkundige wijze en op grond van pertinente motieven die het hof beaamt en overneemt de overeenkomst geïnterpreteerd ;
Uit de akte die in zijn geheel dient te worden gelezen kan geen bewijs van betaling worden afgeleid ;
Daarbij dient in het bijzonder benadrukt dat de overeenkomst blijkens de opmaak van het contract tot stand is gekomen op basis van een voorgetypte tekst die nog door de contractspartijen moest worden aangevuld en goedgekeurd ;
Er kan niet voorbijgegaan worden aan de vaststelling dat beide partijen niet alle alinea's van de voorgetypte tekst in de rand hebben geparafeerd en dat het opvalt dat bij de bewuste clausule waarin de kwijting werd opgenomen geen paraaf voorkomt ;
Wellicht was het de bedoeling van partijen om de overnameprijs te regelen bij de ondertekening van de overeenkomst, maar uit de afwezigheid van parafering van deze clausule kan afgeleid worden dat alsdan geen betaling is gebeurd. Daarbij is het niet onbelangrijk op te merken dat de prijs met de hand is ingevuld zodat partijen waarschijnlijk tot op het ogenblik van de ondertekening onderhandeld hebben over de overnameprijs en het credit op de rekening-courant, eveneens met de hand bijgevoegd, een element is geweest bij de prijsbepaling ;
Een afrekening in speciën waarvan voor het overige elk concreet materieel spoor ontbreekt, is dan ook hoogst onwaarschijnlijk ;
De vermelding in het contract kan dan ook niet worden aangezien als een bewijs dat de overnameprijs betaald werd ;
Ook daarbuiten wordt geen bewijs van effectieve betaling geleverd".
De appèlrechters verklaren aldus uitdrukkelijk de motieven van het beroepen vonnis van de rechtbank van koophandel over te nemen. Deze had in het beroepen vonnis van 10 december 1999 de vordering van verweerder tegen eiser tot betaling van de overnameprijs voor de aandelen ten bedrage van 625.000 BEF, gegrond verklaard op grond van de volgende motieven :
"(...) dat hij die betaling voorhoudt, zijn betaling dient te bewijzen ;
Dat (eiser) te dien einde verwijst naar de overeenkomst, welke geldt als enige kwijting, en geen ander bewijs van betaling voorlegt ;
(...) dat bedoelde overeenkomst echter voor tweeërlei interpretatie vatbaar is ;
Dat de overeenkomst inderdaad stelt :
1. Prijs
Deze verkoop en koop is wederkerig aangenomen voor de prijs van 1.667 BEF/aandeel of in totaal (625.000) BEF ;
Som die de verkoper erkent van de koper te hebben ontvangen bij de ondertekening dezer en waarvoor deze hem hierbij kwijting verleent ;
Bovendien wordt de rekening-courant van (verweerder) ten bedrage van 35.000 terugbetaald ;
2. Overgang van eigendom en genot
Ingevolge deze overdracht gaan de aandelen in genot en eigendom over vanaf dag der betaling :
Vanaf deze datum zijn alle baten en lasten van de verkochte aandelen voor rekening van de koper die, sedert dan, ook alle eraan verbonden rechten uitoefent ...'.
(...) dat de overeenkomst onderaan is getekend voor kennisneming en akkoord door beide partijen, en dat alle paragrafen, waar handgeschreven of specifieke bepalingen zijn aan toegevoegd door beide partijen zijn gekanttekend (...), meer specifiek dat art. 2 (men leze : 'art. 1') tweemaal werd gekanttekend, en dit naast de prijsafspraak en naast de vermelding nopens de rekening courant, zoals ook de vermelding 'vanaf dag der betaling' werd gekanttekend, terwijl echter geen kanttekening ('paraffe') voorhanden is bij de paragraaf die de kwijting vermeldt ;
(...) dat niet wordt aangegeven welke die 'dag der betaling' is ;
(...) dat, alhoewel de overeenkomst uitdrukkelijk ernaar verwijst, het aandeelhoudersregister kennelijk post factum is (g)econstrueerd en enkel en alleen handtekeningen van (eiser) bevat, derhalve niet bewijskrachtig is ;
(...) dat (eiser) onderaan de overeenkomst nog eigenhandig de vermelding 'Met deze overeenkomst erkent (verweerder) dat alle achterstallen van lonen en dergelijke verrekend zijn' heeft toegevoegd en zelf(eigenhandig) heeft ondertekend (...) ;
Dat het dus duidelijk is dat alle specifieke vermeldingen en bepalingen in de overeenkomst uitdrukkelijk werden gekanttekend, dat de integrale overeenkomst is ondertekend 'Voor kennisgeving en akkoord', doch dat aldus niet ondubbelzinnig kwijting wordt aangetoond ;
Dat trouwens op geen enkel(e) wijze duidelijk is in welke vorm zou zijn betaald".
Grieven
1. Eerste onderdeel
Te dezen wordt niet betwist dat verweerder als "verkoper" en eiser als "koper" op 16 mei 1994 een onderhandse overeenkomst ondertekenden die, onder de hoofding "1. PRIJS", o.m. de volgende clausule bevat :
"Deze verkoop en koop is wederkerig aangenomen voor de prijs van 1667 BEF/aandeel of in totaal 625.000 BEF ;
Som die de verkoper erkent van de koper te hebben ontvangen bij de ondertekening dezer en waarvoor deze hem hierbij kwijting verleent ;
Bovendien wordt de rekening-courant van (verweerder) ten bedrage van 375.000 terugbetaald".
Aldus stond vast dat verweerder "kwijting" heeft verleend voor het bedrag dat eiser hem schuldig was.
Dat deze kwijting contractueel werd vastgelegd, werd op zich door het hof van beroep niet ontkend.
De opmerking van de appèlrechters dat te dezen geen bewijs van "effectieve betaling" zou zijn geleverd, is in dit verband niet relevant. Het antwoord op de vraag of de bewuste koopsom al dan niet werd betaald, kan als zodanig immers geen afbreuk doen aan de omstandigheid dat partijen in hun overeenkomst uitdrukkelijk hebben vermeld dat de verkoper, te dezen verweerder, kwijting verleent voor de koopsom die de koper, te dezen eiser, hem verschuldigd was. Een kwijting kan immers rechtsgeldig worden gegeven zonder dat het bewijs van een "effectieve betaling" voorligt.
Aangezien vaststaat dat deze kwijting deel uitmaakte van het contract tussen partijen, miskennen de appèlrechters de verbindende kracht van de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 en schenden ze bijgevolg artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek. Door ervan uit te gaan dat eiser een "effectieve betaling" diende te bewijzen en niet bevrijd kon worden geacht van zijn betalingsverbintenis door de kwijting die verweerder hem had verleend, schenden ze bovendien de artikelen 1234 en 1315 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Tweede onderdeel
Te dezen staat vast dat partijen de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 als zodanig hebben ondertekend.
De eerste rechter, wiens motieven in het bestreden arrest werden overgenomen, merkte in het beroepen vonnis immers uitdrukkelijk op "dat de overeenkomst onderaan is getekend voor kennisneming en akkoord door beide partijen".
Evenmin werd betwist dat de kwijtingsclausule - luidende als volgt : "Som die de verkoper erkent van de koper te hebben ontvangen bij de ondertekening dezer en waarvoor deze hem hierbij kwijting verleent" als zodanig deel uitmaakte van de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994. Wel merken de appèlrechters op "dat de overeenkomst blijkens de opmaak van het contract tot stand is gekomen op basis van een voorgetypte tekst die nog door de contractspartijen moest worden aangevuld en goedgekeurd" (voorlaatste alinea van p. 3 van het bestreden arrest).
Na te hebben opgemerkt "dat alle paragrafen, waar handgeschreven of specifieke bepalingen zijn aan toegevoegd, door beide partijen zijn gekanttekend" merkt de eerste rechter - en met hem derhalve het hof van beroep - in dit verband evenwel op dat "echter geen kanttekening ('paraffe') voorhanden is bij de paragraaf die de kwijting vermeldt". Te dezen werd niet betwist dat de bewuste kwijtingsclausule inderdaad niet handgeschreven werd toegevoegd maar deel uitmaakte van de voorgetypte tekst op het contract.
Dienaangaande oordelen de appèlrechters dat "uit de afwezigheid van parafering van deze clausule kan afgeleid worden dat alsdan geen betaling is gebeurd (p. 4 van het bestreden arrest).
Uit de - te dezen niet betwiste - ondertekening van een onderhandse akte blijkt evenwel afdoende dat de ondertekenaar heeft ingestemd met die akte : de artikelen 1313 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek impliceren dat een onderhandse akte eigenhandig moet worden ondertekend, doch vereisen niet dat de contractuele clausules afzonderlijk zouden moeten worden geparafeerd, ook wanneer de overeenkomst "tot stand is gekomen op basis van een voorgetypte tekst". Ook voor de feitenrechter benadrukte eiser reeds dat hij "(c)onform de artikelen 1322 en 1311 B.W. (...) een volledig bewijs van betaling (leverde) aan de hand van de ondertekende onderhandse akte" (p. 4 in fine van de mede namens eiser op 30 mei 2001 ter griffie neergelegde "beroepsconclusies").
Gelet op deze beginselen en feitelijke gegevens kon het hof van beroep uit de loutere omstandigheid dat de kwijtingsclausule niet werd geparafeerd, niet wettig afleiden dat te dezen geen betaling zou zijn gebeurd.
Hierdoor miskennen de appèlrechters immers de bewijskracht van de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 en schenden ze bijgevolg de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1322 zoals van toepassing vóór het werd aangevuld door artikel 2 van de wet van 20 oktober 2000 "tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure"). Bovendien miskennen de appèlrechters tevens de wettelijke bewijswaarde van de handtekening van partijen op de overeenkomst en schenden ze bijgevolg de artikelen 1318 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1322 zoals van toepassing vóór het werd aangevuld door artikel 2 van de wet van 20 oktober 2000 "tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure").
3. Derde onderdeel
De verplichting van de rechter om bij toepassing van artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen na te gaan, impliceert niet dat hij hierbij de bewijskracht van de overeenkomst zou mogen miskennen.
Mede door de overname van de motieven in het beroepen vonnis, oordeelt het hof van beroep dat aan de hand van de overeenkomst van 16 mei 1994 "niet ondubbelzinnig kwijting wordt aangetoond" (p. 3 van het beroepen vonnis, zoals overgenomen door het hof van beroep in het bestreden arrest).
Te dezen staat evenwel vast dat verweerder als "verkoper" en eiser als "koper" op 16 mei 1994 een onderhandse overeenkomst ondertekenden die, onder de hoofding "1.Prijs", o.m. de volgende clausule bevat :
"Deze verkoop en koop is wederkerig aangenomen voor de prijs van 1667 BEF/aandeel of in totaal 625.000 BEF ;
Som die de verkoper erkent van de koper te hebben ontvangen bij de ondertekening dezer en waarvoor deze hem hierbij kwijting verleent ;
Bovendien wordt de rekening-courant van (verweerder) ten bedrage van 375.000 terugbetaald".
Door te oordelen dat de overeenkomst de kwijting niet aantoont, poneren de appèlrechters, mede door de overname van de motieven van het beroepen vonnis, dat de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 geen bevestiging van de kwijting bevat, hoewel een dergelijke bepaling daarin uitdrukkelijk werd opgenomen.
Door een dergelijke beoordeling miskennen de appèlrechters de bewijskracht van het aangehaalde contractuele beding en schenden ze bijgevolg de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1322 zoals van toepassing vóór het werd aangevuld door artikel 2 van de wet van 20 oktober 2000 "tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure"). Nu het nagaan van de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen niet impliceert dat de bewijskracht van de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 niet zou dienen te worden gerespecteerd, schendt het hof van beroep bovendien artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Vierde onderdeel
Wanneer overeenkomstig artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek een schriftelijke kwijting werd verleend m.b.t. een bepaalde schuld - zoals te dezen de door verweerder in de onderhandse overeenkomst van 16 mei 1994 uitdrukkelijk verleende kwijting m.b.t. de koopsom ten bedrage van 625.000 BEF vermogen de partijen niet door middel van getuigen of vermoedens tegen of boven de inhoud van deze akte een bewijs te leveren.
Voor het hof van beroep merkte eiser dan ook op dat hij "conform de artikelen 1322 en 1341 B.W. (...) een volledig bewijs van betaling (leverde) aan de hand van de ondertekende onderhandse akte" (p. 4 in fine van de mede namens eiser op 30 mei 2001 ter griffie neergelegde "beroepsconclusies").
Aan de hand van een beoordeling van de (on)waarschijnlijkheid van de "effectieve betaling" en van de vermoedelijke "bedoeling van partijen", oordelen de appèlrechters te dezen evenwel dat er geen rekening kan worden gehouden met de in de overeenkomst van 16 mei 1994 verleende kwijting voor het bedrag van 625.000 BEF.
Aldus wordt "tegen de inhoud" van de akte van 16 mei 1994 een louter op feitelijke vermoedens gebaseerd bewijs toegelaten. Hierdoor miskennen de appèlrechters de wettelijke bewijswaarde van de akte van 16 mei 1994 en schenden ze bijgevolg artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek (zoals van toepassing vóór de aanpassing door artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 "houdende uitvoering inzake justitie van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet").
IV. Beslissing van het Hof
1. Tweede onderdeel
Overwegende dat uit de artikelen 1318 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de onderhandse akte die ondertekend is door diegenen tegen wie men zich daarop beroept, tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun erfgenamen en rechtverkrijgenden dezelfde bewijskracht heeft als een authentieke akte ;
Dat de enkele omstandigheid dat een clausule niet geparafeerd werd en andere wel, geen afbreuk doet aan de wettelijke bewijswaarde van die niet geparafeerde clausule waarvan vaststaat dat zij deel uitmaakt van de tussen partijen ondertekende overeenkomst ; dat uit de afwezigheid van een paraaf bij een clausule van een tussen partijen ondertekende overeenkomst niet kan worden afgeleid dat partijen met die clausule niet hebben ingestemd ;
Overwegende dat de appèlrechters met overname van de redenen van de eerste rechters hebben vastgesteld dat "de overeenkomst inderdaad stelt : som die verkoper erkent van de koper te hebben ontvangen bij de ondertekening dezer en waarvoor deze hem hierbij kwijting verleent" en "dat de overeenkomst onderaan is getekend voor kennisneming en akkoord door beide partijen" ; dat zij vervolgens oordelen dat het "wellicht (...) de bedoeling was van partijen om de overnameprijs te regelen bij de ondertekening van de overeenkomst, maar uit de afwezigheid van parafering van deze clausule kan afgeleid worden alsdan geen betaling is gebeurd" ;
Dat het arrest aldus de artikelen 1318 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek schendt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
2. Overige grieven
Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Vernietigt het bestreden arrest inzoverre uitspraak doet omtrent de vordering van verweerder tegen eiser en de daaraan verbonden kosten ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.