Hof van Cassatie: Arrest van 14 Januari 1998 (België). RG P970988F

Datum :
14-01-1998
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19980114-14
Rolnummer :
P970988F

Samenvatting :

De rechter vervult zijn motiveringsplicht als hij het verweer van de beklaagde weerlegt door de feitelijke gegevens van de zaak op tegenovergestelde wijze te beoordelen, zonder dat hij daarenboven moet antwoorden op elk van de argumenten die de beklaagde tot staving van dat verweer heeft aangevoerd en die geen afzonderlijke middelen vormen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 13 juni 1997 gewezen door de correctionele kamer van het Hof van Beroep te Brussel;
A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de strafvordering :
Over het derde middel :
Overwegende dat het arrest vermeldt "dat uit niets blijkt dat mevrouw Chalet en de heer Blanchez (eiser) enigszins vijandig gezind zijn"; dat de appèlrechters, nu zij de feiten van de zaak op de tegenovergestelde wijze beoordeeld hebben, aan hun motiveringsplicht voldaan hebben; dat zij niet verplicht waren om daarenboven te antwoorden op elk van de argumenten die eiser had aangevoerd tot staving van dat verweer en die geen afzonderlijke middelen vormden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het eerste middel :
Overwegende dat eiser door de eerste rechter is veroordeeld uit hoofde van het feit dat hij, in het gerechtelijk arrondissement Brussel, op bedrieglijke wijze, ten nadele van Danielle Urbain, bedragen die hem waren overhandigd op voorwaarde dat hij ze zou teruggeven of ze voor een bepaald gebruik of doel zou aanwenden, ofwel verduisterd, ofwel verspild heeft, te dezen meer bepaald : 1) op 19 september 1989, een bedrag van 2.000.000 frank, 2) op 26 september 1989, een bedrag van 2.000.000 frank, dat feiten, bedoeld in de anders omschreven tenlasteleggingen, overeenkomen met de in de tenlasteleggingen 1 en 2 van de dagvaarding bedoelde feiten;
Overwegende dat eiser in zijn voor het hof van beroep op 12 mei 1995 neergelegde conclusie verweer heeft gevoerd tegen elke bedrieglijke handeling, ongeacht of het om oplichting dan wel om misbruik van vertrouwen gaat;
Dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 mei 1997 blijkt dat eiser zijn conclusie voor het anders samengestelde hof van beroep gehandhaafd heeft;
Overwegende dat eiser dus zijn verweermiddelen tegen het feit, zoals het opnieuw is omschreven, heeft kunnen voordragen en dat hij zulks ook daadwerkelijk heeft gedaan;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel :
Overwegende dat een miskenning van het recht van verdediging of een schending van artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet uitsluitend kan worden afgeleid uit het feit dat de beklaagde eiser nooit is ondervraagd door de onderzoeksrechter;
Dat, wat dat betreft, het middel faalt naar recht;
Overwegende dat, voor het overige, eiser aanvoert dat, als het gebrek aan ondervraging door de onderzoeksrechter noch het recht van verdediging, noch artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou schenden, die toestand de bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verboden discriminatie zou doen ontstaan;
Dat hij vraagt dat aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vraag zou worden gesteld;
"Schendt het Wetboek van Strafvordering, meer bepaald de artikelen 59 en volgende betreffende de onderzoeksrechter, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele rechten, indien die artikelen aldus uitgelegd worden dat de onderzoeksrechter op grond ervan niet verplicht is een verdachte persoonlijk te ondervragen, ofschoon een dergelijk verhoor bij de artikelen 16, alinéa 2, en 22, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 wordt voorgeschreven, wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt?"
Overwegende dat het arrest zijn beslissing dat het gebrek aan ondervraging door de onderzoeksrechter noch het recht van verdediging, noch artikel 6 van het voormelde Verdrag schendt, niet grondt op de artikelen 59 en volgende van het Wetboek van Strafvordering;
Overwegende dat artikel 26, alinéa 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt dat voornoemd Hof, bij wege van arrest, uitspraak doet op prejudiciële vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen 10, 11 en 24 van die Grondwet;
Overwegende dat het verzoek niet binnen het toepassingsgebied van voornoemd artikel 26 valt;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen,
B. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering :
Overwegende dat eiser geen bijzonder middel aanvoert;
OM DIE REDENEN,
Zegt dat er geen grond bestaat om de door eiser voorgestelde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen;
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.