Hof van Cassatie: Arrest van 14 Juni 2010 (België). RG C.03.0286.F

Datum :
14-06-2010
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
14 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20100614-2
Rolnummer :
C.03.0286.F

Samenvatting :

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest C-169/05 van 1 juni 2006 voor recht gezegd dat artikel 9, tweede paragraaf, van de richtlijn 93/83/EEG van 27 september 1993 van de Raad "aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging wordt geacht te zijn belast met het beheer van de rechten van een auteursrechthebbende of houder van naburige rechten die het beheer van zijn rechten niet aan een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging heeft opgedragen, die maatschappij het recht van deze rechthebbende om een kabelmaatschappij de doorgifte via de kabel van een uitzending toe te staan of te verbieden, mag uitoefenen, en bijgevolg het beheer van de rechten van de rechthebbende door die maatschappij niet beperkt is tot de financiële aspecten van deze rechten" (1). (1) Zie Cass., 4 april 2005, AR C.03.0286.F, A.C., 2005, nr. 193.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Nr. C.03.0286.N

URADEX, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BEROEPSVERENIGING VAN DE RADIO- EN TELEVISIE- DISTRIBUTIE,

2. INTERCOMMUNALE MAATSCHAPPIJ VOOR TELEVISIE- DISTRIBUTIE, burgerlijke vennootschap die de vorm heeft aangenomen van een coöperatieve vennootschap,

Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 25 juni 1998 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

Terwijl het eerste middel niet-ontvankelijk werd verklaard, heeft het Hof, bij het onderzoek van het eerste onderdeel van het tweede middel, geacht bij arrest van 4 april 2005 een prejudiciële vraag te moeten stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarop het geantwoord heeft bij het arrest C-169/05 van 1 juni 2006.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan, waarvan het tweede gesteld is als volgt.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 35, 36, 51, 53, 65 en 66 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten;

- artikel 9 van de Europese richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel;

- de artikelen 1101, 1108, 1134, 1165, 1249, 1316, 1341, zoals het van toepassing was vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 20 juli 2000, 1348, 1689, 1690, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 16 juli 1994, en 1690 in zijn huidige versie, van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 876 van het Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand meer rechten kan overdragen dan die welke hij bezit, zoals dat met name voortvloeit uit de artikelen 40 en 109 van de hypotheekwet;

- het algemeen rechtsbeginsel van de wilsautonomie van de partijen.

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest, dat uitspraak doet over het hoger beroep toe dat eiseres heeft ingesteld tegen de beschikkingen die de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend in kort geding heeft gewezen, bevestigt met name de beslissing van 4 juli 1997, in zoverre de eerste rechter de vordering van (de eiseres) ontvankelijk heeft verklaard, en bevestigt het dictum van de bestreden beschikkingen, in zoverre de eerste rechter de vordering van (de eiseres) niet-gegrond heeft verklaard, in zoverre ze gericht was tegen (de eerste verweerster), maar die beslissing evenwel wijzigt in zoverre de eerste rechter, door zijn beslissing van 13 juli 1997, niet bij voorraad maar over de grond van het geschil uitspraak heeft gedaan, hervormt de bestreden beslissingen voor het overige en verklaart de vordering tegen (de tweede verweerster) gedeeltelijk gegrond, stelt vast dat (de tweede verweerster), door sinds 1 november 1996, zonder toestemming van (de eiseres), via de kabel de oorspronkelijke radio-uitzending door te geven van de uitgezonden prestaties van uitvoerende kunstenaars die op voorhand werden aangekondigd door de radio-omroep, die geen audiovisuele prestaties zijn en die niet worden uitgevoerd in programma's die door de radio-omroepen of door (de tweede verweerster) zijn geproduceerd, de naburige rechten schendt van de uitvoerende kunstenaars die het beheer van die rechten aan (de eiseres) hebben toevertrouwd, beveelt bijgevolg, bij gebrek aan toestemming van (de eiseres), de stopzetting van die doorgifte na het verstrijken van de zesde maand die volgt op de betekening van het arrest, maar op voorwaarde dat laatstgenoemde aantoont dat de uitvoerende kunstenaars wier prestaties het voorwerp vormen van het verbod of van het gebrek aan toestemming, haar het beheer van hun rechten hebben toevertrouwd, zegt dat dit stopzettingsbevel gepaard gaat met een dwangsom van 50.000 BEF per vastgestelde overtreding en veroordeelt (de eiseres) in twee derde van de kosten van beide aanleggen en (de tweede verweerster) in het overige derde, op de volgende gronden:

"2.1. (De eiseres) betoogt op grond van de artikelen 51 en 53, § 1, van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten) dat de prestaties van de uitvoerende kunstenaars alleen via de kabel kunnen worden doorgegeven als deze hun toestemming daartoe hebben verleend en dat het recht om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden niet kan worden uitgeoefend door een vennootschap voor collectief beheer van de rechten;

zij zet uiteen dat zij, als enige vennootschap voor collectief beheer voor alle categorieën van uitvoerende kunstenaars, van de wetgever de bevoegdheid heeft verkregen het recht van toestemming voor doorgifte via de kabel uit te oefenen voor alle uitvoerende kunstenaars, zelfs voor zij die niet bij haar zijn aangesloten;

zij leidt hieruit af dat de kabelmaatschappijen, en met name de tweede (verweerster), die de prestaties van de uitvoerende kunstenaars zonder toestemming doorgeven, de door haar beheerde naburige rechten bijgevolg schenden;

Artikel 51 van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten) bepaalt dat ‘overeenkomstig de voorafgaande hoofdstukken en rekening houdend met de hierna omschreven nadere regels, alleen de auteur en de houders van de naburige rechten over het recht (beschikken) de doorgifte via de kabel van hun werken en prestaties toe te staan';

Artikel 53, § 1, bepaalt dat ‘het recht van de auteur en van de houders van naburige rechten om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, uitsluitend door vennootschappen voor het beheer van de rechten (kan) worden uitgeoefend', terwijl paragraaf 2, eerste lid, van datzelfde artikel hieraan toevoegt dat ‘indien de auteur of de houders van naburige rechten het beheer van hun rechten niet aan een vennootschap voor het beheer van de rechten hebben opgedragen, de vennootschap die rechten van dezelfde categorie beheert, geacht (is) met het beheer van hun rechten te zijn belast';

De voormelde bepalingen zijn de omzetting, in het Belgische nationale recht, van de artikelen 8 en 9 van de richtlijn 93/83 van 27 september 1993 van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (Publicatieblad, nr. L 248 van 6 oktober 1993);

Zowel de communautaire als de nationale wetgever heeft aldus voor de doorgifte via de kabel een op overeenkomsten gestoelde toestemmingsregeling willen invoeren (considerans 27 in de aanhef van de voormelde richtlijn en artikel 51 van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten));

Om te voorkomen dat personen die houder zijn van rechten op bepaalde programmaonderdelen, door op individuele basis hun rechten te laten gelden, afbreuk zouden doen aan het goede verloop van de contractuele regelingen die in hun geheel genomen de continuïteit van de doorgifte mogelijk maken, werd evenwel bepaald dat de contractuele vrijheid van de uitvoerende kunstenaars in die zin beperkt wordt dat het recht om de doorgifte via de kabel toe te staan, alleen kan worden uitgeoefend door een vennootschap voor het collectief beheer van rechten (considerans 28 van dezelfde aanhef en artikel 53 van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten));

Aldus beschikken alleen de vennootschappen voor het collectief beheer van naburige rechten over het exclusieve recht om de doorgifte via de kabel van de prestaties van de houders van die rechten toe te staan of te verbieden;

Dit exclusieve recht is evenwel beperkt tot de rechten waarvan het beheer is toevertrouwd aan vennootschappen voor collectief beheer en strekt zich niet uit tot de rechten waarvan de houder het beheer niet heeft toevertrouwd aan die vennootschappen;

Artikel 53, § 2, bepaalt immers niet dat de vennootschap voor collectief beheer het recht van die kunstenaars uitoefent om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, zoals dat wel het geval is voor de kunstenaars die haar het beheer van hun rechten hebben toevertrouwd, zoals de eerste paragraaf van datzelfde artikel preciseert, maar dat zij alleen ‘geacht wordt met het beheer van hun rechten te zijn belast', wat, gelet op het feit dat voornoemd beheer voornamelijk van fiduciaire aard is, in werkelijkheid hoofdzakelijk erin bestaat de vergoeding te ontvangen waarop die prestaties recht geven en ze door te storten aan de houder van de desbetreffende rechten;

2.2.a. Dit exclusieve recht van de vennootschappen voor collectief beheer om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, bestaat uiteraard slechts voor zover de uitvoerende kunstenaars, wier belangen ze behartigen, zelf steeds de houder van datzelfde recht (zijn);

Die vennootschappen voor collectief beheer handelen voor rekening van de uitvoerende kunstenaars die ze vertegenwoordigen, en zij kunnen niet meer rechten beheren dan die welke de laatstgenoemden bezitten;

Als die artiesten hun recht om de doorgifte van hun prestaties toe te staan of te verbieden overgedragen hebben, hebben zij het beheer ervan bijgevolg niet kunnen toevertrouwen aan een vennootschap voor collectief beheer;

Artikel 36, eerste lid, van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten) bepaalt dat ‘tenzij anders is overeengekomen, de uitvoerende kunstenaar aan de producent het uitsluitende recht van audiovisuele exploitatie van zijn prestatie (overdraagt), met inbegrip van de voor deze exploitatie noodzakelijke rechten, zoals het recht om het werk van ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren, onverminderd de bepalingen van artikel 34';

Die bepaling legt een vermoeden van overdracht van de exploitatierechten vast ten voordele van de producent van het audiovisuele werk;

(De eiseres) betoogt evenwel ten onrechte dat dit wettelijk vermoeden van overdracht van de rechten niet van toepassing is op het specifieke recht van doorgifte via de kabel;

Niets in de tekst van de artikelen 51 en 53 van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten) laat immers toe de toepassing van voormeld artikel 36 uit te sluiten;

De overdracht van de exploitatierechten aan de producent van het audiovisuele werk strookt volledig met de opzet van de wet, in zoverre zij beantwoordt aan de bedoeling van de wetgever op die manier te voorkomen dat de exploitatie van het werk of van de prestatie tegengehouden wordt door een ontevreden uitvoerend kunstenaar, dat een niet-overeengekomen of nieuwe vorm niet geëxploiteerd zou kunnen worden of dat de buitenlandse verdelers niet verzekerd kunnen worden van de correcte overdracht van de exploitatierechten (A. Berenboom, Le nouveau droit d'auteur et les droits voisins, Larcier, 1995, p. 198);

Het aan de producent toegekende exploitatierecht van het audiovisuele werk heeft betrekking op alle mogelijke audiovisuele exploitatievormen, waaronder televisie, ongeacht de wijze van verdeling, en met name de kabel (A. Berenboom, op. cit., p. 199 en 279);

Het vermoeden van overdracht, door de uitvoerend kunstenaar, van zijn exclusieve exploitatierechten aan de producent heeft dus tevens betrekking op het recht van doorgifte van prestaties via de kabel;

Voormeld artikel 36 zou geen nuttige uitwerking meer hebben als daaraan een andere draagwijdte werd gegeven, aangezien de producenten en hun medecontractanten het werk of de audiovisuele prestaties van de uitvoerende kunstenaars niet meer nuttig en efficiënt zouden kunnen exploiteren;

Het vermoeden van overdracht van de rechten aan de producent is volstrekt verenigbaar met de toepassing van voormeld artikel 53 van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten);

Het recht om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, kan immers heel goed worden uitgeoefend door een vennootschap voor het collectief beheer van de rechten van de producenten, waardoor aldus het doel van de wetgever bereikt wordt;

2.2.b. (De eiseres) betoogt terecht dat het vermoeden van overdracht van de exploitatierechten, bedoeld in artikel 36 van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten), slechts bestaat voor zover er een contractuele verbintenis van rechtstreekse productie is tussen de uitvoerende kunstenaar en een producent;

Er kan immers van worden uitgegaan dat een aantal uitvoerende kunstenaars niet rechtstreeks een beroep doen op een producent, ofwel voor het geheel van hun prestaties, ofwel voor slechts een gedeelte ervan;

Het wettelijk vermoeden van overdracht van de rechten bestaat evenwel van zodra een dergelijke contractuele verbintenis - die geen enkele schriftelijke overeenkomst behoeft en door alle middelen rechtens kan worden bewezen - voorhanden is;

(De eiseres) dient voor elke artiest waarvan zij de doorgifte via de kabel van het geheel of een gedeelte van zijn prestaties niet wil toestaan, te bewijzen dat deze geen dergelijke overeenkomst heeft gesloten;

Zij dient immers, in haar hoedanigheid van vennootschap voor het collectief beheer van de rechten en als eiseres tot stopzetting, te bewijzen dat de uitvoerende kunstenaars nog steeds houder zijn van hun exploitatierechten, wat zij te dezen niet aantoont;

Zij kan de doorgifte via de kabel van het door haar beheerde repertoire immers niet weigeren, alleen op grond dat enkele uitvoerende kunstenaars geen productieovereenkomst zouden hebben gesloten, hoewel zij niet preciseert wie die artiesten zijn en welke hun prestaties zijn, evenmin als de verhouding van die prestaties binnen het geheel van haar repertoire;

2.2.c. Het is juist dat een kunstenaar die zijn recht van doorgifte via de kabel heeft overgedragen, het geen tweede keer kan overdragen;

Het standpunt van (de eiseres) kan echter niet worden gevolgd, wanneer ze betoogt dat de uitvoerende kunstenaars, door lid te worden van een vennootschap voor collectief beheer, hun uitsluitende rechten aan die vennootschap overdragen en ze niet aan de audiovisuele producent kunnen overdragen;

Voornoemd artikel 36, eerste lid, van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten) preciseert dat de uitvoerende kunstenaar het uitsluitende recht van de audiovisuele exploitatie van de prestatie, overdraagt aan de producent van het audiovisuele werk ‘tenzij anders is overeengekomen';

Het wettelijk vermoeden van overdracht van de rechten kan, aangezien het bestaat ten gunste van de producent, alleen worden weerlegd door een andersluidende overeenkomst tussen laatstgenoemde en de artiest;

Er kan aan de producent, die het recht heeft een beroep te doen op het wettelijk vermoeden, dus geen overeenkomst worden tegengeworpen waarin hij geen partij is en die gesloten werd tussen de artiest en een vennootschap voor het collectief beheer van de rechten;

Een dergelijke overeenkomst voor collectief beheer kan, al is ze gesloten vóór de overeenkomst van audiovisuele productie, niet ertoe leiden dat de producent de hem bij wet toegekende uitsluitende exploitatierechten worden ontzegd;

De overdracht door de uitvoerende kunstenaar van zijn rechten aan een vennootschap voor collectief beheer heeft, zolang deze niet is bekrachtigd door de productieovereenkomst, bijgevolg geen gevolgen ten aanzien van de producent, in zoverre ze betrekking heeft op het recht om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden;

De respectieve aard van de overdracht van de naburige rechten aan een beheersvennootschap, enerzijds, en aan de producent, anderzijds, maakt evenwel de coëxistentie van beide overdrachten mogelijk;

De overdracht van de rechten van uitvoerende kunstenaars aan een vennootschap voor het collectief beheer van de rechten is hoofdzakelijk van fiduciaire aard, terwijl de overdracht van diezelfde rechten aan de producent van de prestatie betrekking heeft op de exploitatie ervan;

De overdracht van de rechten aan de vennootschap voor collectief beheer heeft aldus tot gevolg dat laatstgenoemde de vergoedingen dient te ontvangen zonder de overdracht van die rechten aan de producent te belemmeren, die, van zijn kant, het recht verkrijgt het audiovisuele werk te exploiteren (Berenboom, op. cit., p. 308);

(De eiseres) toont niet aan dat de lidmaatschaps-overeenkomsten die gesloten zijn door de onderscheiden kunstenaars wier rechten zij beheert, en meer bepaald de bedingen betreffende de overdracht, in haar voordeel, van de uitsluitende rechten van audiovisuele exploitatie van de daarin omschreven prestaties, zijn bekrachtigd door de productie-overeenkomsten die gesloten zijn met de producenten;

Zij toont evenmin aan dat de uitvoerende kunstenaars, die haar het beheer van hun rechten hebben toevertrouwd, zich het recht hebben voorbehouden diezelfde exploitatierechten uit te oefenen in hun contractuele verhoudingen met hun producent;

Aangezien dit bewijs niet is geleverd, wordt het wettelijk vermoeden, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten), gehandhaafd ten voordele van de producent;

2.2.d. Het eerste gedeelte van artikel 36, derde lid, van de wet (betreffende het auteursrecht en de naburige rechten), bepaalt dat, 'behoudens wat betreft de prestaties met het oog op de verwezenlijking van audiovisuele werken die tot de niet-culturele sector of tot de reclamewereld behoren, de uitvoerende kunstenaars voor elke wijze van exploitatie recht (hebben) op een afzonderlijke vergoeding';

(De eiseres) evenwel betoogt ten onrechte dat de overeenkomst nietig is als ze niet voor elke exploitatiewijze een dergelijke aparte vergoeding voorschrijft, aangezien die nietigheid niet blijkt uit de bewoordingen van de voormelde bepaling;

De audiovisuele productieovereenkomst moet weliswaar de vergoeding of zijn berekeningswijze voor elke exploitatiewijze vermelden, maar de voormelde wettekst bepaalt evenmin dat het vermoeden van overdracht van die rechten geen gevolgen heeft als aan die verplichting niet is voldaan; dat de overeenkomst, bij gebrek aan een dergelijke vermelding, noch zijn voorwerp noch zijn reden van bestaan verliest, terwijl de uitvoering ervan geenszins in het gedrang wordt gebracht, zodat er geen enkele reden bestaat om die overeenkomst haar gevolgen te ontzeggen of ze nietig te verklaren, en de uitvoerende kunstenaar zijn rechten op vergoeding volledig behoudt;

De producent zal in dat geval moeten bijdragen tot de bruto-inkomsten van de exploitatiewijzen die niet uitdrukkelijk worden beoogd door de in de overeenkomst bedongen vergoeding of vergoedingen (A. Berenboom, op. cit., p. 201)";

(...) 2.4. Gelet op de voorgaande beschouwingen, kan (de eiseres) niet eisen dat de tweede (verweerster) de audiovisuele prestaties van de uitvoerende kunstenaars, zoals deze hierboven zijn omschreven, niet uitzendt zonder haar toestemming";

(...)

"6.1. Uit het voorgaande blijkt dat de enige miskenningen van de door (de eiseres) beheerde naburige rechten, die te dezen jegens de tweede verweerster zijn bewezen, de doorgiften zijn via de kabel zonder de toestemming van (de eiseres), van de oorspronkelijke radio-uitzending van de prestaties van de uitvoerende kunstenaars, voor zover die prestaties niet audiovisueel zijn en niet uitgevoerd worden in programma's die door de radio-omroepen of door de tweede (verweerster) zijn geproduceerd;

De beroepen beslissing van 4 juli 1997 wordt niet bekritiseerd, in zoverre de eerste rechter beslist dat de kabelmaatschappijen - en dus de tweede (verweerster) - tot op heden niet beschikken over de stilzwijgende toestemming van (de eiseres) voor de doorgifte via de kabel, zodat dit punt, gelet op het gezag van gewijsde van deze beslissing, definitief vaststaat; dat die miskenning, gelet op de hierboven weergegeven redenen (punt 2.1), alleen betrekking heeft op de prestaties van de kunstenaars die zich uitdrukkelijk hebben aangesloten bij de overeenkomst van (de eiseres) voor collectief beheer en niet op die van de kunstenaars die het beheer van hun rechten niet aan laatstgenoemde hebben toevertrouwd;

Die miskenning bestaat ten slotte sinds 1 november 1996, datum van het verstrijken van de laatste toestemming die voorlopig was toegekend aan de eerste (verweerster), die destijds in het kader van de onderhandelingen optrad in naam en in opdracht van haar leden en dus van de tweede (verweerster)".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 36 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, opgenomen in afdeling 2 met als titel "Bepalingen betreffende de uitvoerende kunstenaars", van het hoofdstuk met betrekking tot de naburige rechten, bepaalt dat de uitvoerende kunstenaar, tenzij anders is overeengekomen, aan de producent het uitsluitende recht van audiovisuele exploitatie van zijn prestatie overdraagt, met inbegrip van de voor deze exploitatie noodzakelijke rechten, zoals het recht om het werk van ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren, onverminderd de bepalingen van artikel 34.

Dat artikel voert met name een vermoeden van overdracht van de rechten ten gunste van de producent in, waarvan de ratio legis erin bestaat te vermijden dat een ontevreden uitvoerend kunstenaar de exploitatie van het audiovisuele werk zou tegenhouden.

Dat vermoeden geldt echter alleen binnen de grenzen van de wet.

Volgens artikel 51 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, opgenomen in de afdeling "Doorgifte via kabel", beschikken alleen de auteur en de houders van de naburige rechten over het recht om de doorgifte via de kabel van hun werken of prestaties toe te staan.

Artikel 53, §1, van de voormelde wet, dat artikel 9 van de Europese richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel in het Belgische recht omzet, bepaalt van zijn kant dat het recht van de auteur en van de houders van naburige rechten om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, uitsluitend door vennootschappen voor het beheer van de rechten kan worden uitgeoefend.

In de tweede paragraaf van dat artikel wordt daarenboven gepreciseerd dat indien de auteur of de houders van naburige rechten het beheer van hun rechten niet aan een vennootschap voor het beheer van de rechten hebben opgedragen, de vennootschap die de rechten van dezelfde categorie beheert, geacht is met het beheer van hun rechten te zijn belast, waarbij de wet preciseert dat indien de rechten van die categorie door meer dan één vennootschap voor het beheer van de rechten worden beheerd, het de auteur of de houders van naburige rechten vrij staat te kiezen welke van die vennootschappen geacht wordt hun rechten te beheren. In dat geval gelden voor hen dezelfde rechten en plichten uit de overeenkomst tussen de kabelmaatschappij en de vennootschap voor het beheer van de rechten als voor de rechthebbenden die het beheer van hun rechten aan deze vennootschap hebben opgedragen.

Uit de lezing van die twee paragrafen blijkt dat het recht om de doorgifte via de kabel toe te staan, in elk geval uitgeoefend wordt door een vennootschap voor collectief beheer, die per definitie een vennootschap is die verplicht is de bij de wet van 30 juni 1994 toegekende rechten te beheren onder de voorwaarden die opgesomd worden in de artikelen 65 en 66 van de voormelde wet, of het nu gaat om een vennootschap waaraan de auteur of de houders van de naburige rechten het beheer van hun rechten uitdrukkelijk (hebben) toevertrouwd of om een vennootschap die de rechten beheert van dezelfde categorie en die geacht wordt de rechten te beheren van de auteurs of titularissen die het beheer van hun rechten niet hebben toevertrouwd aan een vennootschap voor het beheer van de rechten, aangezien artikel 53, § 2, van de wet van 30 juni 1994 alleen ertoe strekt de vennootschap voor het beheer van de rechten te identificeren die, in het tweede geval, de toestemming zal moeten verlenen voor de doorgifte via de kabel van het audiovisuele werk.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest bijgevolg om de hierboven vermelde redenen niet wettig met redenen is omkleed, in zoverre het oordeelt dat "het exclusieve recht van de vennootschappen voor collectief beheer evenwel beperkt is tot de rechten waarvan het beheer is toevertrouwd aan vennootschappen voor collectief beheer en zich niet uitstrekt tot de rechten die de houder niet heeft toevertrouwd aan het beheer van die vennootschappen", "dat artikel 53, §2, immers niet bepaalt dat de vennootschap voor collectief beheer het recht van die kunstenaars uitoefent om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, zoals dat wel het geval is voor de kunstenaars die haar het beheer van hun rechten hebben toevertrouwd, zoals de eerste paragraaf van datzelfde artikel preciseert, maar dat zij alleen ‘geacht is met het beheer van hun rechten te zijn belast', wat, gelet op het feit dat voornoemd beheer voornamelijk van fiduciaire aard is, in werkelijkheid hoofdzakelijk erin bestaat de vergoeding te ontvangen waarop die prestaties recht geven en ze door te storten aan de houder van de desbetreffende rechten" (schending van de artikelen 51, 53, §§ 1 en 2, 65 en 66 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten en 9 van de Europese richtlijn 93/83/EEG van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel), en schendt daarenboven de voormelde artikelen, in zoverre het oordeelt dat dit beheer hoofdzakelijk van fiduciaire aard is (schending van dezelfde bepalingen) ; het hof van beroep kon op zijn minst niet beslissen dat het beheer van fiduciaire aard was zonder acht te slaan op de betrokken beheersovereenkomsten, waarbij dat vertrouwen afhankelijk is van de wil van de partijen (schending van de artikelen 1101, 1108 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de vrije wil van de partijen).

Tweede onderdeel

Uit artikel 53, §1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten blijkt dat het recht van de auteur en van de houders van de naburige rechten om de doorgifte via de kabel toe te laten of te verbieden, alleen kan worden uitgeoefend door een vennootschap voor het beheer van de rechten, aangezien artikel 53, §2, van de voormelde wet uitdrukkelijk bepaalt dat, indien de auteur of de houders van naburige rechten het beheer van hun rechten niet aan een vennootschap voor het beheer van de rechten hebben opgedragen, de vennootschap die rechten van dezelfde categorie beheert, geacht is met het beheer van hun rechten te zijn belast, en dat op grond van de in het eerste onderdeel uiteengezette redenen, die in dit onderdeel als overgenomen beschouwd worden.

Dat artikel legt bijgevolg het beginsel vast van de uitoefening, door de vennootschappen voor het beheer van de rechten, van het recht om de doorgifte via de kabel van de werken of prestaties van de auteurs of van de houders van de naburige rechten toe te staan, met uitsluiting van de houders van dat recht, waarbij die collectieve uitoefening als het ware onlosmakelijk deel uitmaakt van dat toestemmingsrecht en geen enkel onderscheid maakt naargelang dat recht al dan niet (is) overgedragen aan een derde. De enige uitzondering op de regel van de uitoefening van het toestemmingsrecht door de vennootschap voor het beheer van de rechten, is die welke bepaald is in de derde paragraaf van artikel 53 van de wet van 30 juni 1994 ten gunste van de omroeporganisatie voor haar eigen uitzendingen.

Bijgevolg is elke houder van het recht om de doorgifte via de kabel van een werk of van zijn prestatie toe te staan of te verbieden, voor de uitoefening van dat recht verplicht een beroep te doen op een vennootschap voor het beheer van de rechten, of hij nu de oorspronkelijke houder is dan wel de persoon op wie dat recht is overgedragen, met inbegrip van de producent van het audiovisuele werk.

Daarenboven kan de overdrager de verkrijger alleen de schuldvordering overdragen zoals hij ze zelf bezit, dit met toepassing van de regel "Nemo plus iure ad alium transferre potest quam ipse habet".

Bijgevolg kan de houder van een naburig recht, die zijn uitsluitend recht op de audiovisuele exploitatie van zijn prestatie overdraagt aan de producent van het audiovisuele werk, overeenkomstig artikel 36 van de wet van 30 juni 1994, hem niet meer rechten overdragen dan hij er zelf bezit, zodat die producent, net als de oorspronkelijke houder van het recht, zich moet schikken naar de beperking die voortvloeit uit artikel 53 van de voormelde wet die betrekking heeft op de toestemming van de doorgifte via de kabel van de prestatie van de houder van het naburige recht.

Het hof bepaalt dat de uitvoerende kunstenaars hun recht om de doorgifte via de kabel van hun prestaties toe te staan of te verbieden, niet mogen hebben overgedragen opdat de kabelmaatschappijen de vennootschap voor het beheer van de rechten de toestemming dienen te vragen om de prestatie via de kabel door te geven, terwijl artikel 53 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten geen enkel onderscheid maakt naar gelang van het exclusieve recht op de audiovisuele exploitatie van de uitvoerend kunstenaar, met inbegrip van het recht om de doorgifte via de kabel van de prestatie toe te staan, al dan niet (is) overgedragen aan een derde, en voegt aan de wet aldus een voorwaarde toe die daarin niet is vervat (schending van de artikelen 36 en 53, §§ 1, 2 en 3, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten). Het hof van beroep oordeelt dat de producent aan wie het recht van audiovisuele exploitatie van de prestatie wordt overgedragen, met uitsluiting van de vennootschap voor colletief beheer het recht uitoefent om de doorgifte van het werk via de kabel toe te staan, en miskent zodoende daarenboven de beginselen van toepassing op de overdracht van elk recht, volgens welke de overdrager de verkrijger niet meer rechten kan overdragen dan hij er zelf bezit, beginselen waarvan de wet van 30 juni 1994 niet is afgeweken (schending van de artikelen 1249 en 1689 van het Burgerlijk Wetboek, 36 en 53 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk niemand meer rechten kan overdragen dan die welke hij bezit, zoals dat beginsel met name voortvloeit uit de artikelen 40 en 109 van de hypotheekwet).

Derde onderdeel

Artikel 36, eerste lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten bepaalt uitdrukkelijk dat, tenzij anders is overeengekomen, de uitvoerende kunstenaar aan de producent het exclusieve recht van audiovisuele exploitatie van zijn prestatie overdraagt, met inbegrip van de voor deze exploitatie noodzakelijke rechten, zoals het recht om het werk van ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren, onverminderd de bepalingen van artikel 34.

Het bestaan van een dergelijke andersluidende overeenkomst, of met andere woorden de uitsluiting van het voormelde recht uit de met de producent gesloten overeenkomst, kan niet alleen volgen uit de overeenkomst tussen de kunstenaar en de producent waarin uitdrukkelijk wordt bedongen dat de uitvoerend kunstenaar dat recht niet aan de producent overdraagt, maar zal in voorkomend geval even goed kunnen volgen uit een eerder tussen de kunstenaar en een derde gesloten overeenkomst. De kunstenaar begaat overigens een fout als hij het betrokken recht overdraagt aan de producent na het reeds te hebben overgedragen aan een derde, zonder dat die overeenkomst daarom de bedingen moet bekrachtigen die betrekking hebben op de overdracht, ten gunste van de vennootschap voor het beheer van de rechten, van de uitsluitende rechten op de audiovisuele exploitatie van de prestaties van de uitvoerende kunstenaars, die begrepen zijn in de lidmaatschaps-overeenkomsten en die tussen laatstgenoemden en de voormelde vennootschap voor het beheer van de rechten gesloten zijn, of dat de uitvoerende kunstenaars in de overeenkomst met hun producent zich de uitoefening van diezelfde exploitatierechten hebben voorbehouden. Die overeenkomsten zijn, in het door het bestreden arrest beschouwde geval, noodzakelijkerwijs gesloten na de lidmaatschapsovereenkomst.

Hoewel, immers, overeenkomsten luidens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek alleen gevolgen teweegbrengen tussen de contracterende partijen, dienen derden het bestaan van dergelijke overeenkomsten te erkennen en kunnen ze zich beroepen op de gevolgen die deze tussen de partijen teweegbrengen.

Luidens artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het is gewijzigd bij de wet van 6 juli 1994, kan de overdracht van schuldvordering daarenboven worden ingeroepen tegen andere derden dan de gecedeerde schuldenaar enkel door het sluiten van de overeenkomst van overdracht, terwijl artikel 1690 voordien bepaalde dat de overdracht aan de derde kon worden tegengeworpen door betekening van de overdracht aan de schuldenaar.

Bijgevolg zal de producent het bestaan moeten erkennen van de voordien tussen de uitvoerende kunstenaar en een vennootschap voor collectief beheer gesloten overeenkomst, (welke betrekking heeft op) de overdracht van het recht om de doorgifte van het audiovisuele werk toe te staan, en impliceert bijgevolg het weerleggen van het wettelijk vermoeden, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten.

Het hof van beroep, dat oordeelt dat de andersluidende overeenkomst waarvan sprake is in artikel 36, eerste lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, noodzakelijkerwijs verwijst naar een andersluidende overeenkomst tussen de kunstenaar en de producent, en zodoende uitsluit dat uit een eerder gesloten overeenkomst tussen de kunstenaar en een derde, zoals een vennootschap voor collectief beheer, kan worden afgeleid dat die kunstenaar zijn toestemmingsrecht niet wil overdragen aan de producent, voegt aan de wet bijgevolg een voorwaarde toe die deze niet bevat (schending van artikel 36, eerste lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten). Het hof schendt daarenboven artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, door te oordelen dat aan de producent geen overeenkomst kan worden tegengesteld waarin hij geen partij is, en die gesloten werd tussen de kunstenaar en een vennootschap voor collectief beheer (schending van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek) alsook artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat de overdracht aan elke derde kan worden tegengesteld wegens het sluiten zelf van die overeenkomst, aangezien de wet van 30 juni 1994 geenszins daarvan afwijkt (schending van artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het thans van kracht is, en, voor zover nodig, van artikel 36 van de wet van 30 juni 1994 betreffende de auteursrechten en de naburige rechten), of op zijn minst vanaf de betekening ervan aan de schuldenaar (schending van artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 16 juli 1994, en, voor zover nodig, van artikel 36 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten).

Vierde onderdeel

Artikel 35, §2, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten bepaalt dat ten aanzien van de uitvoerende kunstenaar, alle contracten schriftelijk worden bewezen. Daarenboven moeten de contractuele bedingen met betrekking tot de rechten van de uitvoerende kunstenaar en de exploitatiewijzen ervan restrictief worden geïnterpreteerd.

Artikel 36 van de voormelde wet bepaalt van zijn kant dat de uitvoerende kunstenaar, tenzij anders is overeengekomen, aan de producent het exclusieve recht van audiovisuele exploitatie van zijn prestatie overdraagt, met inbegrip van de voor deze exploitatie noodzakelijke rechten, zoals het recht om het werk van ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren, onverminderd de bepalingen van artikel 34.

In de derde paragraaf wordt gepreciseerd dat de uitvoerende kunstenaars, behoudens wat betreft de prestaties voor de verwezenlijking van audiovisuele werken die tot de niet-culturele sector of tot de reclamewereld behoren, voor elke wijze van exploitatie recht hebben op een afzonderlijke vergoeding. Wanneer de overeengekomen vergoeding in verhouding staat tot de ontvangsten, bezorgt de producent de uitvoerende kunstenaars overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken een overzicht van hetgeen hij voor elke wijze van exploitatie heeft ontvangen.

Bijgevolg bestaat het wettelijk vermoeden waarvan sprake is in artikel 36, eerste lid, van de wet van 30 juni 1994, alleen in zoverre er een rechtstreekse contractuele verhouding van productie bestaat tussen de uitvoerende kunstenaar en een producent, hetgeen schriftelijk moet worden bewezen.

Daarenboven blijkt uit het geheel van die bepalingen dat, bij gebrek aan contractuele bedingen betreffende de afzonderlijke vergoeding per exploitatiewijze, zoals de doorgifte via de kabel, het desbetreffende wettelijk vermoeden geen gevolgen heeft.

Het hof van beroep, dat oordeelt dat "het wettelijk vermoeden van overdracht van de rechten bestaat zodra een dergelijke contractuele verhouding - die geen enkele schriftelijke overeenkomst behoeft en door alle middelen rechtens kan worden bewezen - voorhanden is", verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 35, §2, en 36, eerste lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende de auteursrechten en de naburige rechten, 1316, 1341, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 20 juli 2000, 1348 van het Burgerlijk Wetboek en 876 van het Gerechtelijk Wetboek). Het hof van beroep, dat bovendien oordeelt dat er geen enkele reden is om de overeenkomst zijn gevolgen te ontzeggen of ze nietig te verklaren omdat de met de producent gesloten overeenkomst geen afzonderlijke vergoeding voorschrijft voor elke exploitatiewijze, en met name voor de doorgifte via de kabel, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 35, § 2, en 36, eerste en derde lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende de auteursrechten en de naburige rechten).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 51 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, beschikken alleen de auteur en de houders van de naburige rechten over het exclusieve recht om de doorgifte via de kabel van hun werken en prestaties toe te staan.

Overeenkomstig artikel 53, §1, kan dat recht echter alleen worden uitgeoefend door een vennootschap voor het beheer van de rechten.

Artikel 53, §2, eerste lid, bepaalt dat, indien de auteur of de houders van naburige rechten het beheer van hun rechten niet aan een vennootschap voor het beheer van de rechten hebben opgedragen, de vennootschap die rechten van dezelfde categorie beheert, geacht is met het beheer van hun rechten te zijn belast. Volgens artikel 53, §2, tweede lid, gelden voor die houders dezelfde rechten en plichten uit de overeenkomst tussen de kabelmaatschappij en de vennootschap voor het beheer van de rechten als voor de rechthebbenden die het beheer van hun rechten aan deze vennootschap hebben opgedragen.

Die bepalingen zijn de omzetting, in het Belgische recht, van artikel 9, §1 en 2, van de richtlijn 93/83/EEG van 27 september 1993 van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel.

In zijn arrest C-169/05 van 1 juni 2006 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht gezegd dat artikel 9, tweede paragraaf, van de richtlijn 93/83/EEG van 27 september 1993 van de Raad "aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging wordt geacht te zijn belast met het beheer van de rechten van een auteursrechthebbende of houder van naburige rechten die het beheer van zijn rechten niet aan een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging heeft opgedragen, die maatschappij het recht van deze rechthebbende om een kabelmaatschappij de doorgifte via de kabel van een uitzending toe te staan of te verbieden, mag uitoefenen, en bijgevolg het beheer van de rechten van de rechthebbende door die maatschappij niet beperkt is tot de financiële aspecten van deze rechten".

Het arrest beslist dat het exclusieve recht, dat door artikel 53, §1, van de voormelde wet is toegekend aan de vennootschappen voor het collectief beheer van de naburige rechten van het auteursrecht, om de doorgifte via de kabel van de prestaties toe te staan of te verbieden, beperkt is tot de rechten waarvan het beheer aan die vennootschappen is toevertrouwd, maar dat de laatstgenoemde vennootschappen, wanneer die rechten hun niet zijn toevertrouwd, krachtens artikel 53, §2, van de voormelde wet slechts "geacht word(en) met het beheer van (de) rechten" van de betrokken houders "te zijn belast", "wat, gelet op het feit dat voornoemd beheer voornamelijk van fiduciaire aard is, in werkelijkheid hoofdzakelijk erin bestaat de vergoeding te ontvangen waarop (de) prestaties recht geven en ze door te storten aan de houder van de desbetreffende rechten".

Het arrest schendt aldus artikel 53, §2.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

Het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen vermeldt, onder punt 24, dat "de richtlijn, zoals overweging 28 ervan verduidelijkt, zich niet verzet tegen een overdracht van het recht op doorgifte, (dat) deze overdracht zowel op basis van een overeenkomst als op basis van een wettelijk vermoeden kan plaatsvinden, (en dat) de richtlijn derhalve niet eraan in de weg staat dat een auteur, uitvoerend kunstenaar of producent krachtens een nationale bepaling als artikel 36, eerste alinea, van de wet (van 30 juni 1994) zijn hoedanigheid van ‘rechthebbende' in de zin van artikel 9, lid 2, van de richtlijn verliest, met als gevolg dat elke rechtsverhouding die op grond van deze bepaling tussen hem en de maatschappij voor collectieve belangenbehartiging bestaat, wordt verbroken ».

Artikel 53 van de voormelde wet ontzegt de auteur of de houders van naburige rechten het recht niet om de doorgifte via de kabel van hun prestaties toe te staan, zodat zij dat recht nog steeds mogen overdragen.

Die bepaling houdt slechts in dat het voormelde recht alleen kan worden uitgeoefend door een vennootschap voor het beheer van de rechten, maar bepaalt niet dat die vennootschap die moet zijn welke de rechten van de overdrager beheerde of geacht was die te beheren.

Het bestreden arrest, dat beslist dat het voormelde artikel 53 niet belet dat de uitvoerende kunstenaars hun recht om de doorgifte via de kabel van hun prestaties toe te staan of te verbieden aan een producent overdragen, en dat het voormelde recht "heel goed kan worden uitgeoefend door een vennootschap voor het collectief beheer van de rechten van de producenten, waardoor aldus het doel van de wetgever bereikt wordt", verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Artikel 36, eerste lid, van de wet van 30 juni 1994 bepaalt dat, tenzij anders is overeengekomen, de uitvoerende kunstenaar aan de producent het exclusieve recht van audiovisuele exploitatie van zijn prestatie overdraagt, met inbegrip van de voor deze exploitatie noodzakelijke rechten.

Die bepaling legt een vermoeden van overdracht, aan de producent van een audiovisueel werk, van het exclusieve recht van audiovisuele exploitatie van alle daarin begrepen prestaties vast, behalve wanneer de producent en de uitvoerende kunstenaar een overeenkomst gesloten hebben waarin laatstgenoemde zich dat exploitatierecht heeft voorbehouden.

Het onderdeel, dat betoogt dat de in die bepaling bedoelde andersluidende overeenkomst kan voortvloeien uit het enkel feit dat de uitvoerende kunstenaar zich bij een vennootschap voor het beheer van de rechten had aangesloten vóór hij de overeenkomst van audiovisuele productie had gesloten, faalt naar recht.

Vierde onderdeel

Het onderdeel, dat de schending aanvoert van de artikelen 1316, 1341 en 1348 van het Burgerlijk Wetboek en 876 van het Gerechtelijk Wetboek, zonder aan te geven waarom het arrest die bepalingen schendt, is, zoals de verweersters betogen, niet ontvankelijk.

Voor het overige bepaalt enerzijds artikel 35, §2, eerste lid, van de wet van 30 juni 1994, dat alle contracten ten aanzien van de uitvoerende kunstenaar schriftelijk worden bewezen.

Uit het voormelde artikel 36, eerste lid, volgt dat die bepaling niet van toepassing is op de overeenkomst tussen de uitvoerende kunstenaar en de producent van een audiovisueel werk.

Anderzijds bepaalt artikel 36, derde lid, dat de uitvoerende kunstenaar wiens prestatie in een audiovisueel werk is opgenomen, voor elke wijze van exploitatie in de regel recht heeft op een afzonderlijke vergoeding.

Die bepaling, die een grondregel is, legt geen voorwaarden op aan de toepassing van het in artikel 36, eerste lid, bepaalde vermoeden van overdracht, maar bepaalt welke gevolgen verbonden zijn aan de uitdrukkelijke dan wel veronderstelde overdracht van het recht van audiovisuele exploitatie van de uitvoerende kunstenaar.

Het onderdeel, dat in die mate ontvankelijk is, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het het door dat arrest opgelegde stopzettingsbevel beperkt tot de prestaties van de uitvoerende kunstenaars die het beheer van hun naburige rechten aan de eiseres hebben toevertrouwd.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in een derde van de kosten, houdt de overige twee derde aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 juni 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De raadsheer,