Hof van Cassatie: Arrest van 15 Mei 1997 (België). RG C960392F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19970515-4
- Rolnummer :
- C960392F
Samenvatting :
Nietig is het door de vrederechter in laatste aanleg gewezen vonnis, wanneer uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat op de terechtzitting waarop de zaak werd behandeld en daarna in beraad genomen, de debatten openbaar zijn geweest of dat het geadieerde gerecht, conform art. 148, eerste lid, GW., bevolen heeft de zaak met gesloten deuren te behandelen.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 23 april 1996 in laatste aanleg gewezen door de vrederechter te Quevaucamps,
Over het middel : schending van de artikelen 148 van de Grondwet, 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, 14.1 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966, goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1980, en 757 van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 februari 1996 van het vredegerecht van het kanton Quevaucamps, waarop de zaak werd behandeld en gepleit, niet vaststelt dat de regels inzake de openbaarheid van de debatten zijn nageleefd en dat die vaststelling evenmin blijkt uit het bestreden vonnis zelf of uit het zittingsblad van 6 februari 1996,
terwijl artikel 148 van de Grondwet bepaalt dat de terechtzittingen van de hoven en rechtbanken openbaar zijn, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden, in welk geval dit door de rechtbank bij vonnis wordt verklaard; artikel 757 van het Gerechtelijk Wetboek met name bepaalt dat behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, de pleidooien en de verslagen openbaar zijn; de aldus voorgeschreven vormvereisten die van belang zijn voor het onderzoek van de zaak, substantieel zijn, hetgeen impliceert dat de vervulling ervan moet worden vastgesteld of althans moet kunnen worden nagegaan; te dezen uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat die vormvereisten zijn vervuld; ze derhalve geacht moeten worden niet vervuld te zijn; het bestreden vonnis bijgevolg nietig is aangezien het gewezen is na afloop van een rechtspleging waarvan niet bewezen is dat de regels inzake de openbaarheid van de terechtzittingen zijn nageleefd :
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat op de terechtzitting van 6 februari 1996 waarop de zaak werd behandeld en daarna in beraad genomen, de debatten voor de vrederechter openbaar zijn geweest of dat de geadieerde rechtbank, conform artikel 148, eerste lid, van de Grondwet, bevolen heeft de zaak met gesloten deuren te behandelen;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar de vrederechter van het kanton Leuze, zitting houdende in laatste aanleg.
Gelet op het bestreden vonnis, op 23 april 1996 in laatste aanleg gewezen door de vrederechter te Quevaucamps,
Over het middel : schending van de artikelen 148 van de Grondwet, 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, 14.1 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966, goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1980, en 757 van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 februari 1996 van het vredegerecht van het kanton Quevaucamps, waarop de zaak werd behandeld en gepleit, niet vaststelt dat de regels inzake de openbaarheid van de debatten zijn nageleefd en dat die vaststelling evenmin blijkt uit het bestreden vonnis zelf of uit het zittingsblad van 6 februari 1996,
terwijl artikel 148 van de Grondwet bepaalt dat de terechtzittingen van de hoven en rechtbanken openbaar zijn, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden, in welk geval dit door de rechtbank bij vonnis wordt verklaard; artikel 757 van het Gerechtelijk Wetboek met name bepaalt dat behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, de pleidooien en de verslagen openbaar zijn; de aldus voorgeschreven vormvereisten die van belang zijn voor het onderzoek van de zaak, substantieel zijn, hetgeen impliceert dat de vervulling ervan moet worden vastgesteld of althans moet kunnen worden nagegaan; te dezen uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat die vormvereisten zijn vervuld; ze derhalve geacht moeten worden niet vervuld te zijn; het bestreden vonnis bijgevolg nietig is aangezien het gewezen is na afloop van een rechtspleging waarvan niet bewezen is dat de regels inzake de openbaarheid van de terechtzittingen zijn nageleefd :
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat op de terechtzitting van 6 februari 1996 waarop de zaak werd behandeld en daarna in beraad genomen, de debatten voor de vrederechter openbaar zijn geweest of dat de geadieerde rechtbank, conform artikel 148, eerste lid, van de Grondwet, bevolen heeft de zaak met gesloten deuren te behandelen;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar de vrederechter van het kanton Leuze, zitting houdende in laatste aanleg.