Hof van Cassatie: Arrest van 15 November 1999 (België). RG S980120N

Datum :
15-11-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19991115-2
Rolnummer :
S980120N

Samenvatting :

De tewerkgestelde werklozen die luidens art. 169 Wekloosheidsbesluit 1963, ten laste van de RVA dezelfde voordelen genieten als die welke aan de werknemers worden toegekend bij toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen en de ongevallen op de weg naar en van het werk, kunnen aanspraak maken op de verplichte homologatie van de overeenkomst betreffende de ingevolge het arbeidsongeval verschuldigde vergoedingen, alsmede op de regeling dat de termijn van herziening slechts vanaf de homologatie of bekrachtiging van de homologatie van de overeenkomst begint te lopen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 15 mei 1997 gewezen door het Arbeidshof te Gent;
Over het middel, gesteld als volgt: schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 165, met name het derde lid, 169 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, waarvan artikel 169 is gewijzigd bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 5 januari 1967 en bij artikel 9 van het koninklijk besluit van 1 december 1967, de artikelen 1, 3, 65, 72 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, waarvan de artikelen 65 en 72 zoals toepasselijk vóór de wijziging door het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987,
doordat, het bestreden arrest oordeelt dat de termijn tot herziening van de vergoeding, zoals vastgesteld in artikel 72 van de wet van 10 april 1971, niet verstreken is, derhalve de vordering ontvankelijk verklaart en, alvorens ten gronde te beslissen, Prof. Dr. H. Claessens als deskundige aanstelt, op grond van volgende overwegingen:
De Leeuw Etienne was op het ogenblik dat hij op 20 juni 1978 het slachtoffer van een (niet betwist) arbeidsongeval werd, tewerkgesteld onder het zogeheten statuut van 'tewerkgestelde werkloze'.
Het tussenarrest nodigde partijen in eerste instantie uit te concluderen omtrent de te dezen toepasselijke wetgeving, inzonderheid gelet op het bepaalde in het artikel 169 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid (de eerste rechter heeft in het dispositief van zijn aangevochten vonnis uitdrukkelijk gesteld dat het de wet van 3 juli 1967 is, dus deze betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector).
Na tussenarrest blijkt dat alle partijen het erover eens zijn dat te dezen de wet van 3 juli 1967 niet de toe te passen wetgeving is.
Naar luid van het artikel 169 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid, genieten de tewerkgestelde werklozen, bedoeld in artikel 161 van hetzelfde besluit, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dezelfde voordelen als die welke worden toegekend aan de werknemers met toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen.
De in deze bepaling van het artikel 169 bedoelde voordelen zijn die welke zowel door de Arbeidsongevallenwet zelf, als krachtens de uitvoeringsbesluiten ervan worden toegekend, als daar zijn de voordelen bepaald in het koninklijk besluit van 21 december 1971 betreffende de bijslagen en de sociale bijstand verleend door het Fonds voor Arbeidsongevallen.
De omstandigheid dat het Fonds voor Arbeidsongevallen belast is met de toekenning van die voordelen aan de gerechtigden die onder de arbeidsongevallenwetgeving vallen, doet niets af aan de verplichting van de RVA om, met toepassing van het artikel 169 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 voornoemd, dezelfde voordelen te verlenen aan de tewerkgestelde werklozen die door een arbeidsongeval zijn getroffen (cf. Cass., (3e K.), 12 september 1983, Arr. Cass., 1983-84, 22, J.T.T., 1984, 96 + noot).
Aldus moesten ook overeenkomsten betreffende de vergoedingen toekomende aan een door een arbeidsongeval getroffen tewerkgestelde werkloze, toentertijd door de Arbeidsrechtbank worden gehomologeerd (De Leeuw Etienne en de Belgische Naamloze Verzekeringsmaatschappij De Bij De Vrede, verzekeraar van de RVA, hebben op 19 april 1983 een dergelijke overeenkomst ('akkoord') gesloten).
In ons recht leidt de homologatie tot een rechterlijk toezicht niet alleen op de vorm, maar ook op de inhoud zelf van de akte die aan toezicht onderworpen wordt.
Telkens wanneer de wetgever een beroep doet op het rechtsinstituut van de homologatie is dit in het belang van bepaalde personen en ter behartiging van bepaalde belangen (cf. conclusie van procureur-generaal Ganshof van der Meersch voor Cass., 13 juni 1969, Arr. Cass., 1969, 1007).
De Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 legde toentertijd de partijen de verplichting op hun overeenkomst ter homologatie aan de Arbeidsrechtbank over te leggen (thans moeten de overeenkomsten tussen de partijen betreffende de ingevolge het arbeidsongeval verschuldigde vergoedingen door het Fonds voor Arbeidsongevallen worden bekrachtigd: cf. artikel 58, § 1, 13 Arbeidsongevallenwet van 10.4.1971, zoals gewijzigd bij KB nr. 530, van 31 maart 1987, B.S., 16 april 1987).
De overeenkomst moest of straffe van nietigheid met redenen omkleed worden, het basisloon vermelden, de aard van de letsels, de graad van arbeidsongeschiktheid en de datum van consolidatie.
De Arbeidsongevallenwet wilde beletten dat een werknemer overhaast zijn instemming zou betuigen met een akkoord dat hem niet de gehele vergoeding zou toekennen waarop hij recht had.
Met de interventie van de rechter inzake de homologatie van de overeenkomstvergoeding beoogde de wetgever duidelijk de zwakke partij te beschermen.
De taak van de Arbeidsrechtbank was geen loutere formaliteit.
Zij verleende haar medewerking aan de totstandkoming van het contract. Zij moest nagaan of de schaderegeling met de wet strookte.
De toenmalige homologatie is derhalve als een voordeel te beschouwen, inzonderheid als bedoeld in het artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit.
De stelling van de RVA dat de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 geen toepassing vindt op de arbeidsongevallen overkomen aan de tewerkgestelde werklozen (primo, omdat, de tewerkgestelde werkloze niet onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 betreffende de sociale zekerheid der werknemers, secundo, omdat dergelijke werkloze niet gebonden is door een arbeidsovereenkomst en het statuut van werkloze behoudt, zoals blijkt uit het artikel 165, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit van 20 december 1963, en, tertio, omdat de Koning de toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet op tewerkgestelde werklozen heeft uitgebreid overeenkomstig het artikel 3, 1°) wijzigt volstrekt niets aan de verplichting die op de RVA rust om dezelfde voordelen toe te kennen in voorkomend geval, als die welke worden toegekend aan de werknemers met toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen in de particuliere sector, te weten de wet van 10 april 1971 en haar uitvoeringsbesluiten.
Er dient dus besloten te worden, enerzijds, dat de homologatie van de overeenkomstvergoeding van 19 april 1983 ('akkoord') een wettelijke verplichting was, en, anderzijds, dat bij gebrek aan dergelijke homologatie en aangezien er ook geen rechterlijke beslissing inzake de consolidatiedatum en de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid is, de herzieningstermijn niet eens beginnen lopen is
terwijl, overeenkomstig artikel 165, derde lid van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, de tewerkgestelde werklozen niet krachtens een arbeidsovereenkomst worden aangeworven en op de lijst van de werkzoekenden ingeschreven blijven; de tewerkgestelde werklozen bijgevolg niet onderworpen zijn aan de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, daar het bestaan van een arbeidsovereenkomst als het belangrijkste criterium voor toepasselijkheid van vermelde wet vooropgesteld wordt; de koning de toepassing van de arbeidsongevallenwet evenmin tot de tewerkgestelde werklozen heeft uitgebreid, hoewel hij luidens het artikel 3, 1°, van de wet van 10 april 1971 over de bevoegdheid daartoe beschikte; de vorderingen van verweerders gesteund waren op artikel 169 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, waarin bepaald wordt dat de tewerkgestelde werklozen ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dezelfde voordelen genieten als die welke aan de werknemers worden toegekend bij toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen en de ongevallen op de weg naar en van het werk; vermeld artikel 169 niet bepaalt dat de wet van 20 december 1963 of de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen van toepassing is op de tewerkgestelde werkloze, doch enkel verwijst naar de wetgeving op de arbeidsongevallen en in het bijzonder naar de voordelen die in deze wetgeving aan de werknemers worden toegekend; ingevolge de verwijzing in vermeld artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit, de tewerkgestelde werkloze slechts rechten kan putten uit de bepalingen van de arbeidsongevallenwetgeving in zoverre hierin voordelen toegekend worden aan het slachtoffer van een arbeidsongeval;
en terwijl, de procedureregels van de wet van 10 april 1971, in het bijzonder het artikel 65, dat in de oude versie, d.i. vóór de wijziging door het koninklijk besluit nr. 530, de homologatie van de consolidatieovereenkomst door de arbeidsrechtbank voorschreef, en het artikel 72 dat de termijn voor de herziening van de vergoeding vaststelt, niet als een voordeel in de zin van artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit beschouwd kunnen worden en de tewerkgestelde werklozen derhalve uit deze bepalingen geen rechten kunnen putten; het bestreden arrest derhalve ten onrechte geoordeeld heeft dat de consolidatieovereenkomst ("akkoord"), ondertekend op 19 april 1983 door de verzekeraar van eiser en eerste verweerder gehomologeerd diende te worden overeenkomstig het (oud) artikel 65 van de wet van 10 april 1971, en, dat bij gebrek aan een homologatie door de arbeidsrechtbank de herzieningstermijn niet is beginnen lopen; de beslissing dat de vorderingen van verweerders toelaatbaar zijn, derhalve niet wettelijk gerechtvaardigd is (schending van alle wettelijke bepalingen zoals aangehaald in de aanhef van het cassatiemiddel, doch met uitzondering van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek); de consolidatieovereenkomst ("akkoord") ondertekend op 19 april 1983 door eerste verweerder en de Belgische Naamloze Verzekeringsmaatschappij "De Bij De Vrede", verzekeraar van eiser, onder litera D bepaalt dat de graad van bestendige arbeidsonbekwaamheid werd vastgesteld op 14% herzienbaar binnen een termijn van 3 jaar, te rekenen vanaf de ondertekening van het akkoord; het bestreden arrest derhalve door te oordelen dat de herzieningstermijn niet eens beginnen lopen is, de bindende kracht van de overeenkomst van 19 april 1983 geschonden heeft (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek):
Overwegende dat, krachtens artikel 169 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, de in artikel 161 van hetzelfde besluit bedoelde tewerkgestelde werklozen ten laste van de Rijksdienst dezelfde voordelen genieten als die welke worden toegekend aan de werknemers bij toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen en de ongevallen op de weg naar en van het werk;
Overwegende dat de verplichte homologatie van de overeenkomst betreffende de ingevolge het arbeidsongeval verschuldigde vergoedingen, als bedoeld in artikel 58 en 65 van de Arbeidsongevallenwet vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 31 maart 1987, de getroffene waarborgt dat de schaderegeling overeenkomstig de wet gebeurt;
Dat deze homologatie niet louter een procedurevoorschrift is, maar een door de wetgever gewenste waarborg is voor de getroffene en derhalve een voordeel als bedoeld in artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit van 20 december 1963;
Dat aan dit voordeel tevens verbonden is de regeling dat de termijn tot herziening overeenkomstig artikel 72 van de Arbeidsongevallenwet slechts vanaf de homologatie of bekrachtiging van de voormelde overeenkomst begint te lopen;
Dat het middel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.