Hof van Cassatie: Arrest van 15 November 1999 (België). RG S980174N

Datum :
15-11-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19991115-3
Rolnummer :
S980174N

Samenvatting :

Aan de personen met een handicap die de volle leeftijd van 65 jaar hebben bereikt op het ogenblik van het indienen van een aanvraag tot materiële bijstand, kan slechts bijstand worden toegekend voor kosten die rechtstreeks voortspruiten uit een handicap die vóór deze leeftijd van 65 jaar werd vastgesteld, op voorwaarde dat aan het vereiste van de inschrijving bij het Fonds vóór de leeftijd van 65 jaar is voldaan.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 28 september 1998 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen;
Over het middel, gesteld als volgt: schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, 2, § 1, 4, 2°, 7, § 2, 39 en 52 van de Decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap, 1, 2 en 3 van het besluit van 24 juli 1991 betreffende inschrijving bij het Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap en 6 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 31 juli 1992 tot vaststelling van de criteria, modaliteiten en bedragen van de tussenkomsten voor individuele materiële bijstand tot sociale integratie ten gunste van personen met een handicap,
doordat het arbeidshof verweerders hoger beroep gedeeltelijk gegrond verklaart en de bestreden beslissing die verweerder bij brief van 15 februari 1995 aan eiser heeft ter kennis gebracht, bevestigt;
het arbeidshof aldus beslist op volgende gronden (pag. 4 van het arrest):
"Uit de lezing van artikel 2 van het Decreet en artikel 6 van het Besluit moet worden afgeleid dat de gehandicapte die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt nog een aanvraag om materiële bijstand bij (verweerder) kan indienen op de voorwaarden dat:
- de inschrijving of de aanvraag tot inschrijving dateert van voor de 65ste verjaardag;
- de kosten rechtstreeks voortspruiten uit een handicap die voor de leeftijd van 65 jaar werd vastgesteld, wat kan worden vastgesteld op de wijzen bepaald in het tweede lid van artikel 6.
De toekenning van materiële bijstand aan de personen die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben is een uitzonderingsregeling die restrictief dient geïnterpreteerd te worden. De wetgever heeft de tussenkomst afhankelijk gemaakt van de voorwaarden van inschrijving (of alleszins van de aanvraag tot inschrijving) bij (verweerder) voor de leeftijd van 65 jaar; de aanvraag tot bijstand mag nadien gebeuren.
Artikel 6 van het Besluit van 31 juli 1992 dat genomen werd in uitvoering van het Decreet van 27 juni 1990 kan geen uitbreiding zijn van artikel 2, § 1 daarvan, maar beperkt de bijstand tot de kosten die rechtstreeks verband houden met de handicap vastgesteld voor de leeftijd van 65 jaar. Dergelijke uitbreiding kan overigens niet afgeleid worden uit artikel 6, tweede lid, van het Besluit.
5.3. De wetgever kan de toekenning van een bepaalde vorm van tegemoetkoming of bijstand afhankelijk maken van een administratieve formaliteit. (Eiser) toont alleszins niet aan dat de decreetgever een niet toelaatbare discriminatie in het leven heeft geroepen door een onderscheid te maken tussen gehandicapten die voor de leeftijd van 65 jaar zijn ingeschreven bij (verweerder) en degenen die niet zijn ingeschreven. Beide categorieën bevinden zich immers niet in dezelfde feitelijke en juridische situatie en het onderscheid is niet willekeurig of onredelijk.
De oorspronkelijke bestreden beslissing was dus in overeenstemming met de geldende wetgeving",
terwijl, eerste onderdeel, overeenkomstig artikel 2 van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap het decreet van toepassing is op de personen met een handicap die de volle leeftijd van vijfenzestig jaar niet hebben bereikt op het ogenblik van hun aanvraag tot inschrijving;
verweerder luidens artikel 52 van het decreet binnen de grenzen van zijn begroting in de gevallen bepaald door de Vlaamse regering de kosten draagt van de bijstand tot sociale integratie verleend aan een persoon met een handicap;
overeenkomstig artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 31 juli 1992 tot vaststelling van de criteria, modaliteiten en bedragen van de tussenkomsten voor individuele materiële bijstand tot sociale integratie ten gunste van personen met een handicap de bijstand aan personen die de volle leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt hebben op het ogenblik van het indienen van de aanvraag tot materiële bijstand, kan worden toegekend voor kosten die rechtstreeks voortspruiten uit een handicap die vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar werd vastgesteld;
de vaststelling van de handicap vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar luidens diezelfde wetsbepaling onder meer kan blijken uit een attest afgeleverd door een ziekenfonds waaruit blijkt dat de officiële vaststelling van de handicap geschied is vóór de aanvrager 65 jaar is geworden;
deze wetsbepaling personen die de leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt, toelaat de bijstand tot sociale integratie ook te verkrijgen, op voorwaarde dat zij op de wettelijk voorgeschreven wijze kunnen bewijzen dat de handicap die de bijstand noodzakelijk maakt, hen reeds vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft getroffen;
het besluit van de Vlaamse Executieve aldus het toepassingsgebied van het decreet van 27 juni 1990 niet op een ongeoorloofde wijze uitbreidt;
artikel 52 van het decreet aan de Vlaamse regering immers de bevoegdheid verleent te bepalen in welke gevallen verweerder binnen de grenzen van zijn begroting de kosten van de bijstand tot sociale integratie aan een persoon met een handicap dient te dragen;
in de memorie van toelichting bij het ontwerp van het decreet in uitdrukkelijke bewoordingen wordt vermeld dat artikel 2 van het decreet tot doel heeft de door het decreet beoogde doelgroep "af te bakenen ten aanzien van categorieën die op andere vormen van welzijns- of gezondheidszorg zijn aangewezen, zoals bv. bejaarden" en dat de zorg voor personen "die na 65 jaar gehandicapt worden" in principe is toegewezen aan het bejaardenbeleid;
de decreetgever aldus in uitdrukkelijke bewoordingen zijn bedoeling te kennen geeft om de kosten van de bijstand tot sociale integratie, verleend aan bejaarden, niet ten laste van verweerder, maar ten laste van het bejaardenbeleid te leggen, voor personen die na de leeftijd van vijfenzestig jaar gehandicapt worden;
de Vlaamse Regering derhalve niet de perken van haar bevoegdheid tot het vaststellen van de gevallen waarin verweerder de kosten van de bijstand tot sociale integratie, verleend aan gehandicapten, dient te dragen, miskent door te bepalen dat de bijstand moet worden verleend aan personen die reeds de leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt, maar die op de wettelijk voorgeschreven wijze aantonen dat zij reeds vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar waren getroffen door de handicap die de bijstand noodzakelijk maakt;
dergelijke personen immers voor de leeftijd van vijfenzestig jaar gehandicapt zijn geworden en bijgevolg niet naar het bejaardenbeleid worden verwezen door de decreetgever;
bijgevolg noch de artikelen 7 en 39 van het decreet van 27 juni 1990, noch de artikelen 1, 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de inschrijving bij het Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap bepalen dat de aanvraag tot inschrijving bij verweerder niet-ontvankelijk zou zijn, op grond dat de aanvrager de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt, op het ogenblik waarop hij een aanvraag tot inschrijving indient;
het arbeidshof vaststelt dat eiser vorderde dat verweerder zijn aanvraag zou behandelen, op grond dat de aandoening waarvoor eiser bijstand vroeg, reeds bestond vóór zijn vijfenzestigste jaar, maar dat verweerder weigerde de aanvraag in behandeling te nemen om reden dat de leeftijdsgrens van vijfenzestig jaar was overschreden;
het arbeidshof overweegt dat de toekenning van materiële bijstand aan personen die de leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt een restrictief te interpreteren uitzonderingsmaatregel is en dat artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Executieve artikel 2 van het decreet niet kan uitbreiden, de appèlrechters derhalve de in het middel aangeduide wetsbepalingen, met uitzondering van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, schenden door op die gronden te beslissen dat verweerders bestreden beslissing in overeenstemming is met de geldende wetgeving en door om die reden verweerders hoger beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren;
terwijl, tweede onderdeel, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bepalen dat de Belgen gelijk zijn voor de wet en dat het genot van aan de Belgen bij wet of internationaal verdrag toegekende rechten en vrijheden zonder discriminatie moet worden verzekerd;
een discriminerende wetsbepaling de toets aan het gelijkheidsbeginsel slechts doorstaat, indien het door de wetgever doorgevoerde onderscheid berust op een objectief criterium, de discriminerende maatregel geschikt is om een door de wetgever vooropgesteld en geoorloofd doel te bereiken en daarenboven dat doel niet met minder discriminerende maatregelen kan worden bereikt;
het decreet van 27 juni 1990 de sociale integratie van personen met een handicap die geen bejaarden zijn en niet naar het bejaardenbeleid worden doorverwezen, beoogt;
de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet in uitdrukkelijke bewoordingen stelt dat de personen die na 65 jaar gehandicapt worden, in principe aan het bejaardenbeleid worden toegewezen;
de artikelen 2, 4, 7 en 39 van het decreet bijgevolg het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schenden, voor zover die wetsbepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij een gehandicapte persoon die kan bewijzen vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar te zijn getroffen door de handicap die de bijstand noodzakelijk maakt, uitsluiten van het toepassingsgebied van het decreet en van het recht op sociale bijstand, vermits het doel van de decreetgever om de bijstand tot sociale integratie niet aan bejaarden toe te kennen, kan worden bereikt met minder discriminerende maatregelen die erin bestaan aan personen die zich niet vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar bij verweerder hebben ingeschreven, toe te staan op de wettelijk voorgeschreven wijze te bewijzen dat zij vóór diezelfde leeftijd door de desbetreffende handicap zijn getroffen;
in die zin artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 31 juli 1992 overigens aan personen met een handicap die de volle leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt op het ogenblik van het indienen van de aanvraag tot materiële bijstand, de bijstand toekent voor kosten die rechtstreeks voortspruiten uit een handicap die vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar is vastgesteld, op voorwaarde dat zij die vaststelling op de wettelijk voorgeschreven wijze bewijzen;
eiser in zijn appèlconclusie aanvoerde dat handicaps die optreden na de leeftijd van vijfenzestig jaar anders kunnen worden behandeld dan handicaps die zich vóór die leeftijd voordoen, maar het dat gelijkheidsbeginsel zich ertegen verzet dat personen waarvan de handicap is ontstaan vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar, op een verschillende wijze worden behandeld om louter administratieve redenen;
het arbeidshof dat verweer verwerpt met de overweging dat beide categorieën zich niet in dezelfde feitelijke en juridische situatie bevinden en het gemaakte onderscheid niet willekeurig of onredelijk is,
de appèlrechters derhalve de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden door te beslissen dat eiser niet aantoont dat de decreetgever een niet toelaatbare discriminatie in het leven heeft geroepen, en, inzonderheid, door niet na te gaan of de decreetgever het wettelijk beoogde doel niet met minder discriminerende maatregelen kon bereiken:
Overwegende dat uit het arrest blijkt dat: 1. eiser, op 19 september 1926 geboren, op 13 februari 1995 een aanvraag heeft ingediend om inschrijving van en bijstand bij verweerder, het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap (hierna te noemen: het Fonds); 2. verweerder op 15 februari 1995 beslist heeft dat de aanvraag niet kon worden behandeld omdat eiser bij de aanvraag reeds 65 jaar oud was; 3. verweerder op 23 februari 1995 beroep heeft ingesteld tegen die beslissing omdat de handicap reeds bestond vóór hij 65 jaar oud was;
Wat het eerste onderdeel betreft:
Overwegende dat, krachtens artikel 2, § 1, van het Decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1990 houdende oprichting van het Fonds, dit decreet van toepassing is op de personen met een handicap die de volle leeftijd van vijfenzestig jaar niet hebben bereikt op het ogenblik van hun aanvraag tot inschrijving en op de voorzieningen die bijstand tot sociale integratie verlenen;
Dat onder hoofdstuk II, afdeling III, "Gerechtigden", artikel 7, § 2, van het decreet bepaalt dat de persoon met een handicap die aanspraak maakt op de toepassing van dit decreet, moet ingeschreven worden in het Fonds overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V van het decreet;
Dat, blijkens het verslag namens de Commissie voor Welzijn en Gezondheid voor de Vlaamse Raad, de personen met een handicap die bij het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar ingeschreven zijn in het Fonds verder zullen beroep kunnen doen op tussenkomsten van het Fonds;
Overwegende dat artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1992 tot vaststelling van de criteria, modaliteiten en bedragen van de tussenkomsten voor individuele materiële bijstand tot sociale integratie ten gunste van personen met een handicap, bepaalt dat aan personen met een handicap die de volle leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt hebben op het ogenblik van het indienen van de aanvraag tot materiële bijstand, deze bijstand slechts kan worden toegekend voor kosten die rechtstreeks voortspruiten uit een handicap die vóór deze leeftijd van vijfenzestig jaar werd vastgesteld op de wijze als bepaald in het tweede lid; dat artikel 7 van dit besluit bepaalt dat de aanvrager bij het Fonds dient ingeschreven te zijn;
Dat uit deze bepalingen volgt dat aan het vereiste van de inschrijving bij het Fonds vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar moet voldaan zijn;
Dat artikel 7, § 5, van voormeld decreet de uitbreiding door de regering van de toepassing van het decreet onder de voorwaarden die zij vaststelt, slechts toelaat met betrekking tot de personen met een handicap, andere dan degene bedoeld in de § 1, 3 en 4 van dit artikel, waaruit volgt dat de regering geen afbreuk mag doen aan het in § 2 gestelde vereiste van inschrijving in het Fonds alvorens de gehandicapte de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt;
Overwegende dat het arrest oordeelt dat: 1. de toekenning van de materiële bijstand aan de personen die de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt hebben een uitzonderingsregeling is die restrictief dient geïnterpreteerd te worden; 2. de decreetgever de tussenkomst afhankelijk heeft gemaakt aan de voorwaarde van inschrijving of alleszins van de aanvraag tot inschrijving bij het Fonds vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar; 3. de aanvraag tot bijstand mag nadien gebeuren; 4. de decreetgever de toekenning van een bepaalde vorm van tegemoetkoming of bijstand afhankelijk kan maken van een administratieve formaliteit;
Overwegende dat het arrest de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen zodoende niet schendt;
Wat het tweede onderdeel betreft:
Overwegende dat artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Raad in die zin moet worden uitgelegd dat het voorschrijft dat het decreet niet toepasselijk is op personen met een handicap die de volle leeftijd van vijf en zestig jaar hebben bereikt en die vóór de dag van hun vijf en zestigste verjaardag geen aanvraag tot inschrijving hebben ingediend;
Dat het onderdeel aanvoert dat in die uitlegging een ongeoorloofde discriminatie wordt gemaakt tussen de personen met een handicap die zich heeft voorgedaan vóór zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, waarbij degene die een aanvraag tot inschrijving hebben ingediend vóór zij die leeftijd hebben bereikt ten onrechte anders worden behandeld dan diegene die na die leeftijd de aanvraag tot inschrijving hebben ingediend;
Overwegende dat het Arbitragehof conform artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, bij wijze van prejudiciële beslissing, bij wege van arrest uitspraak doet op vragen onder meer omtrent de schending door een decreet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;
OM DIE REDENEN,
Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Arbitragehof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan op de volgende vraag:
Schendt artikel 2 van het Decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover deze wetsbepaling gehandicapten die nog geen vijf en zestig jaar oud waren toen zij door een handicap werden getroffen maar vóór die leeftijd geen aanvraag tot inschrijving hebben ingediend, uitsluit van het toepassingsgebied van het decreet en het recht op bijstand, terwijl personen die in dezelfde omstandigheden wel een aanvraag tot inschrijving hebben ingediend vóór hun vijf en zestigste verjaardag wel de steun kunnen genieten.