Hof van Cassatie: Arrest van 15 November 1999 (België). RG S990083N

Datum :
15-11-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19991115-4
Rolnummer :
S990083N

Samenvatting :

De ZIV-wet voert een verjaringsstelsel in, waarop, behoudens uitdrukkelijke afwijking, de gemeenrechtelijke bepalingen toepasselijk zijn.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 7 januari 1999 gewezen door het Arbeidshof te Gent;
Over het middel, gesteld als volgt: schending van artikelen 136, § 2, inzonderheid eerste lid, en 174, eerste lid, 1° van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, van de voorheen geldende artikelen 76quater, § 2, respectievelijk, 106, § 1, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, en voor zoveel als nodig van artikel 2257, inzonderheid eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, en van de algemene rechtsbeginselen contra non valentem agere, non currit praescriptio en actiones non natae, non praescribuntur,
doordat het arbeidshof in de bestreden beslissing eisers vordering tot het bekomen van arbeidsongeschiktheidsvergoedingen voor de periode waarin hij geen recht had op arbeidsongevallenvergoedingen, afwijst wegens verjaring, op volgende gronden:
"Overeenkomstig artikel 174, eerste lid, 1° ZIV-wet 1994, verjaart de vordering tot betaling van prestaties der uitkeringsverzekering twee jaar na het einde van de maand waarop de uitkeringen betrekking hebben.
Krachtens artikel 174, tweede lid ZIV-wet 1994, mag van deze verjaring niet worden afgezien. Dit betekent dat de verjaring ten dezen de openbare orde raakt (...) en zelfs ambtshalve moet worden opgeworpen (...).
Artikel 174 ZIV-wet 1994 voert een verjaringsstelsel in waarop, behoudens uitdrukkelijke afwijking, het gemene recht van toepassing is (...).
Een ter post aangetekend schrijven volstaat om deze verjaring te stuiten en deze stuiting kan worden vernieuwd (artikel 174, vierde lid ZIV-wet 1994).
Krachtens artikel 174, vijfde en zesde lid ZIV-wet 1994 wordt de verjaring geschorst door overmacht en bepaalt de Koning de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de overmacht kan worden ingeroepen. Over het bestaan van de overmacht wordt geoordeeld, voor elk geval afzonderlijk waarin die wordt ingeroepen, door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle van het RIZIV, tegen wiens beslissing beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank (artikelen 328 en 329 Uitvoeringsbesluit ZIV-wet 1994). Behoudens deze bijzondere wijzen van stuiting en schorsing van de verjaring zijn aldus de gemeenrechtelijke regelen van toepassing. Hierdoor geldt ook de regel dat de verjaring van een burgerlijke rechtsvordering niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is (artikel 2257 BW).
Aangezien artikel 136, § 2, eerste lid ZIV-wet 1994 bepaalt dat de bij deze wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht, werkelijk schadeloosstelling is verleend, heeft de werknemer geen recht op ziekte-uitkeringen voor de arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van een ongeval dat als arbeidsongeval is erkend.
Wanneer de arbeidsongevallenverzekeraar een ongeval aanvankelijk als arbeidsongeval erkent en alle vergoedingen aan het slachtoffer uitbetaalt, maar achteraf het bestaan van een arbeidsongeval betwist en de rechtbank in het kader van deze betwisting beslist dat het ongeval niet onder de Arbeidsongevallenwet valt, neemt de in artikel 174, eerste lid, 1° ZIV-wet 1994 bedoelde verjaringstermijn in toepassing van artikel 2257 BW slechts een aanvang na de definitieve rechterlijke uitspraak over de niet-toepasselijkheid van de Arbeidsongevallenwet, ingevolge waarvan de door de arbeidsongevallenverzekeraar reeds uitgekeerde vergoedingen moeten worden terugbetaald (...).
Ten dezen werd reeds bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Veurne van 11 juni 1992 geoordeeld dat het ongeval van 8 augustus 1988 geen arbeidsongeval was, zodat de arbeidsongevallenverzekeraar niet gehouden was tot tegemoetkoming, hetgeen definitief kwam vast te staan bij het arrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge van 8 april 1993. Met de eerste rechter moet worden vastgesteld dat (eiser) reeds bij het op 8 april 1993 bevestigd vonnis van 11 juni 1992 principieel werd veroordeeld tot terugbetaling van de vergoedingen die onverschuldigd werden ontvangen van de arbeidsongevallenverzekeraar. (Eiser) heeft berust in het arrest van 8 april 1993, dat kracht van gewijsde heeft krachtens artikel 28 Ger. W., zodat zijn vorderingsrecht ten aanzien van (verweerder) wel degelijk is ontstaan op 8 april 1993.
Tevergeefs houdt (eiser) voor dat zijn vorderingsrecht pas ontstond op datum van het latere vonnis van 14 december 1995 waarbij hij werd veroordeeld tot terugbetaling van 735.432 fr. aan de arbeidsongevallenverzekeraar. In tegenstelling tot wat (eiser) voorhoudt was het cumulatieverbod voorzien bij artikel 136, § 2, eerste lid ZIV-wet niet meer van toepassing sinds 8 april 1993, ondanks het feit dat hij nog niets had terugbetaald en het terug te betalen bedrag nog niet concreet was vastgesteld. Ingevolge het arrest van 8 april 1993 kwam immers vast te staan dat hij de ontvangen vergoeding ten onrechte had genoten, zodat zij niet meer het karakter had van schadeloosstelling, verleend krachtens de Arbeidsongevallenwet, maar het integendeel ging om een onverschuldigde betaling zoals bedoeld in artikel 1235 BW, waarvoor het cumulatieverbod niet geldt.
Wanneer het terugvorderingsrecht van de verzekeringsinstelling, dat gesteund is op de verboden samenloop, eerst ontstaat op het ogenblik dat de rechthebbende betalingen ontvangt ingevolge het gemene recht of een andere Belgische wetgeving, zodat de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot terugbetaling op grond van de verboden samenloop pas aanvangt op het ogenblik van die betalingen en voor de bedragen ervan (...), dan geldt dit slechts voor het geval dat de prestaties van de uitkeringsverzekering voorlopig werden toegekend bij toepassing van artikel 136, § 2, derde lid ZIVwet 1994 en artikel 285, § 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (...). Wanneer de ziekte-uitkeringen in toepassing van voormelde bepalingen werden betaald in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, dan worden zij inderdaad pas onverschuldigd op het ogenblik dat de rechthebbende effectief betaling ontvangt van de vergoeding krachtens de andere wetgeving. Werden de ziekteuitkeringen echter niet betaald in toepassing van artikel 136, § 2, derde lid ZIV-wet 1994 en artikel 295, § 1 Uitvoeringsbesluit ZIV-wet 1994, dan begint de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot terugbetaling te lopen na het einde van de maand waarin de uitkeringen zijn uitbetaald (...).
Omgekeerd begint de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling van prestaties van de uitkeringsverzekering wel degelijk te lopen van zodra vaststaat dat de rechthebbende geen aanspraak had op vergoeding krachtens een andere wetgeving en niet vanaf de effectieve terugbetaling van de ten onrechte ontvangen bedragen, noch vanaf de datum waarop het terug te betalen bedrag concreet werd vastgesteld." (arrest pp. 6 tot 9, punt 4.3.),
terwijl overeenkomstig artikel 136, § 2 van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, voorheen artikel 76quater, § 2 van deze wet van 9 augustus 1963, de bij deze wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend;
Aldus een cumulatieverbod werd ingesteld dat ertoe strekt te verhinderen dat uitkeringen of vergoedingen, zoals de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, door de verzekeringsinstelling zouden verschuldigd zijn, wanneer het slachtoffer voor de aantasting van zijn arbeidsgeschiktheid vergoeding bekomt krachtens een andere wettelijke regeling of krachtens het gemeen recht;
Niet het recht op dergelijke vergoeding krachtens een andere wettelijke regeling of het gemeen recht, de uitkering van vergoedingen door de verzekeringsinstelling verhindert, doch integendeel de werkelijke schadeloosstelling de grondslag vormt voor het cumulatieverbod;
Te dezen niet betwist werd, en door het arbeidshof werd vastgesteld, dat de arbeidsongevallenverzekeraar aan eiser vergoedingen had uitbetaald, waarvan bij arrest van 8 april 1993 van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, werd gesteld dat zij niet-verschuldigd waren, en ten aanzien waarvan bij arrest van 10 april 1997 van hetzelfde Arbeidshof werd bepaald dat zij tot beloop van 390.887,- frank dienden te worden terugbetaald;
Ingevolge het arrest van 8 april 1993 weliswaar definitief vaststond, behoudens het aanwenden van buitengewone rechtsmiddelen, dat eiser niet gerechtigd was op arbeidsongevallenvergoedingen, doch dit arrest geen einde stelde aan de werkelijke schadeloosstelling, grondslag voor het cumulatieverbod;
De omstandigheid dat gerechtelijk werd vastgesteld dat eiser geen aanspraak kon maken op schadeloosstelling overeenkomstig de arbeidsongevallenwet, niet met zich mee brengt dat de oorspronkelijk door de arbeidsongevallenverzekeraar uitgekeerde vergoedingen niet langer zouden kunnen worden opgevat als werkelijke schadeloosstelling krachtens een andere Belgische wetgeving voor schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden; de vaststelling van het onverschuldigd karakter van de betalingen, aan deze door de arbeidsongevallenverzekeraar betaalde vergoedingen niet het karakter van schadeloosstelling krachtens de arbeidsongevallenwet ontneemt;
Eiser dienvolgens ook na het arrest van 8 april 1993, dat het principieel onverschuldigd karakter van de arbeidsongevallenvergoedingen vastlegde, moest worden opgevat als zijnde werkelijk schadeloos gesteld krachtens een andere Belgische wetgeving voor schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, zolang hij niet tot werkelijke terugbetaling overging van de hem door de arbeidsongevallenverzekeraar betaalde vergoedingen;
Zoals door eiser in conclusie voorgehouden, zijn vorderingsrecht tot het bekomen van uitkeringen van de verzekeringsinstelling ontstond op het ogenblik, en in de mate van de terugbetaling van de ten onrechte krachtens de andere wetgeving ontvangen schadeloosstelling;
De loutere gerechtelijke vaststelling van het onverschuldigd karakter van de uitkeringen krachtens de arbeidsongevallenwet niet eisers recht tot het bekomen van uitkeringen van zijn verzekeringsinstelling deed ontstaan; dit recht dienvolgens evenmin vanaf de datum van de (definitieve) gerechtelijke vaststelling van de onverschuldigdheid van de uitkeringen krachtens een andere wet, aan een verjaringstermijn kon worden onderworpen; overeenkomstig artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek, de verjaring immers niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is; overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen contra non valentem agere, non currit praescriptio en actiones non natae, non praescribuntur niet alleen de verjaring niet kan lopen ten aanzien van hen die geen vorderingsrecht bezitten, doch bovendien een niet-bestaand recht nog niet kan verjaren;
Het arbeidshof bijgevolg niet wettig kon oordelen dat de bij artikel 174, eerste lid, 1° van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet van 9 augustus 1963 bepaalde verjaringstermijn een aanvang nam op 8 april 1993, datum van het arrest dat (definitief) vaststelde dat de arbeidsongevallenvergoedingen ten onrechte waren uitgekeerd, en dat eisers vordering tot het bekomen van uitkeringen van zijn verzekeringsinstelling, ingesteld bij aangetekend schrijven van 26 juni 1995 verjaard was, zonder tevens vast te stellen dat eiser reeds vóór 26 juni 1993 tot werkelijke terugbetaling van de hem ten onrechte verleende schadeloosstelling krachtens de arbeidsongevallenwet, was overgegaan,
zodat het arbeidshof niet wettig eisers hoger beroep als ongegrond kon afwijzen (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen):
Overwegende dat, krachtens artikel 106, § 1, 1°, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling tot verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, thans artikel 174, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, de vordering tot betaling van prestaties door de uitkeringsverzekering verjaart twee jaar na het einde van de maand waarop die uitkeringen betrekking hebben;
Dat uit de artikelen 106 van de voormelde wet van 9 augustus 1963 en 174 van de voormelde wet van 14 juli 1994 blijkt dat de wetgever een verjaringsstelsel heeft ingevoerd waarop de gemeenrechtelijke bepalingen, behoudens uitdrukkelijke afwijking, toepasselijk zijn;
Overwegende dat, krachtens artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek de verjaring niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is;
Overwegende dat, krachtens het cumulatieverbod van artikel 76quater, § 2, van de wet van 9 augustus 1963, thans artikel 136, § 2, van de wet van 14 juli 1994, de getroffene die in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid ontvangen heeft, geen recht heeft op prestaties voor dezelfde schade van de ziekteverzekeringsinstelling; dat de toekenning van prestaties van de ziekteverzekering, behoudens het geval van het derde lid van deze wetsbepaling waarin de prestaties worden toegekend in afwachting van de effectieve vergoeding krachtens andere wetgeving of gemeen recht, mitsdien afhankelijk is van de voorwaarde dat er voor de bedoelde schade geen vergoeding is uitbetaald op een andere basis zoals de arbeidsongevallenwetgeving;
Dat hieruit volgt dat de verjaring van artikel 106, § 1, 1°, van de wet van 9 augustus 1963, thans artikel 174, eerste lid, 1°, van de wet van 14 juli 1994, slechts begint te lopen voor zover geen in het kader van voormeld cumulatieverbod bedoelde vergoeding is betaald;
Overwegende dat, wanneer de arbeidsongevallenverzekeraar vanaf het ongeval aan het slachtoffer uitkeringen heeft betaald, maar nadien bij in kracht van gewijsde getreden beslissing komt vast te staan dat de uitkeringen niet verschuldigd waren omdat het geen arbeidsongeval betrof, deze uitbetaalde vergoedingen op het ogenblik van die beslissing het karakter van de in voormeld cumulatieverbod bedoelde arbeidsongevallenvergoeding verliezen; dat hieruit volgt dat de vordering van het slachtoffer tegen de ziekteverzekeraar tot het verkrijgen van prestaties niet meer wegens dit cumulatieverbod uitgesloten is; dat van dan af de in artikel 106, § 1, 1°, van de wet van 9 augustus 1963, thans artikel 174, eerste lid, 1°, van de wet van 14 juli 1994, bedoelde verjaring begint te lopen;
Dat het middel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt verweerder in de kosten.