Hof van Cassatie: Arrest van 16 Februari 1995 (België). RG C940140F

Datum :
16-02-1995
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19950216-1
Rolnummer :
C940140F

Samenvatting :

De in art. 1254 BW vervatte regels m.b.t. de toerekening van de betalingen zijn niet van toepassing wanneer de gedane betaling wegens haar aard zelf elke toerekening uitsluit; dat is het geval wanneer de curator, ter vereffening van een faillissement, het actief tussen de schuldeisers verdeeld heeft door de hoofdsom van de schuldvordering te betalen met uitsluiting van de interesten van na de faillietverklaring, en de schuldeiser na de beëindiging van het faillissement van de schuldenaar de betaling van die interesten vordert.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 8 november 1993 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het eerste middel : schending van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het arrest beslist dat verweerster, nadat het faillissement op 21 december 1984 beëindigd was bij gebrek aan passief, het recht heeft om van de gefailleerde, thans eiseres, persoonlijk interesten tegen de wettelijke rentevoet te eisen met ingang van 1 augustus 1979, dag waarop zij zegt haar aangifte van schuldvordering te hebben ingediend, op grond dat de loop van de interesten enkel wordt geschorst ten aanzien van de failliete boedel en dat bovendien de aangifte van schuldvordering wordt gelijkgesteld met een rechtsvordering en geldt als aanmaning; dat de schuldeiser immers, door zijn aangifte van schuldvordering betaling wenst te krijgen van het hem verschuldigde bedrag, ook al is de kans dat hij daarin zal slagen twijfelachtig,
terwijl de aangifte van schuldvordering een handeling sui generis is, die niet strekt tot de uitvoering van een verbintenis, maar bedoeld is om de vereffening van het faillissement mogelijk te maken door de vaststelling van het juiste bedrag van het passief; de aangifte van schuldvordering, nu zij niet bedoeld is als een ingebrekestelling, op zich geen interest kan doen lopen op schuldvorderingen die voordien geen interest opbrachten; het arrest dat niettemin dergelijke gevolgen verbindt aan de aangifte van schuldvordering, artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek schendt alsook het begrip ingebrekestelling in de zin van die wetsbepaling :
Overwegende dat de aangifte van de gewone schuldvordering in het passief van de failliete boedel gelijkstaat met een aanmaning tot betaling; dat zij derhalve, met toepassing van artikel 1153, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, moratoire interest doet lopen ten aanzien van de schuldenaar;
Overwegende dat het arrest wettig beslist dat verweerster recht heeft op moratoire interest vanaf de indiening van haar aangifte van schuldvordering;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het tweede middel : schending van de artikelen 1254 van het Burgerlijk Wetboek, 451 en 452 van het Wetboek van Koophandel,
doordat het arrest beslist dat verweerster het recht heeft om, met toepassing van artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, de dividenden die zij ontvangen heeft van de curator van het op 21 december 1984 bij gebrek aan passief beëindigde faillissement van eiseres en die overeenkomen met de hoofdsom, zonder interest, van haar schuldvordering, eerst toe te rekenen op de haar verschuldigde interesten, en, bijgevolg, eiseres veroordeelt om haar het bedrag van 3.787.883 frank te betalen, verhoogd met de gerechtelijke interest vanaf 24 september 1991 en met de kosten van beide instanties, op grond dat : "de vraag hier niet is of die bepaling (artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek) al dan niet van toepassing is op de failliete boedel, aangezien (verweerster) haar rechtsvordering tegen eiseres persoonlijk heeft ingesteld na de beëindiging van het faillissement; dat niets de toepassing van die bepaling in de persoonlijke betrekkingen tussen de schuldeiser en (eiseres) in de weg staat; dat (eiseres) geen argument kan putten uit het feit dat (verweerster) niet geprotesteerd heeft bij de in ontvangstneming van de door de curatoren gedane betalingen; dat immers in elk geval : 1. de curatoren niet mochten afwijken van artikel 451 van de Faillissementswet dat bepaalt dat de loop van de interesten geschorst wordt ten aanzien van de boedel; 2. (verweerster) van hen de interesten vervallen na de faillietverklaring niet kon eisen",
terwijl de in artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek vervatte regels met betrekking tot de toerekening van de betalingen niet van toepassing zijn wanneer de gedane betaling wegens haar aard zelf elke toerekening uitsluit; die toepassing aldus is uitgesloten, wanneer, bij de vereffening van een faillissement, de curator het actief tussen de schuldeisers verdeelt door de hoofdsom van de schuldvordering te betalen met uitsluiting van de interesten ,en daarbij onder meer acht slaat op het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers; de schuldeisers, ook al kunnen zij na de beëindiging van het faillissement hun persoonlijke rechten opnieuw uitoefenen, dat enkel kunnen binnen de perken van de door de curator uitgekeerde dividenden en met inachtneming van het feit dat met die dividenden de rechten van de schuldeisers op het bestaande actief tot beloop van het aan hen verschuldigde bedrag zijn voldaan; het arrest, nu het beslist dat eiseres kon aanvoeren dat artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op de door de curator uitgekeerde dividenden, wanneer zij na de beëindiging van het faillissement opnieuw een rechtsvordering instelt tegen de failliete boedel, bovengenoemde wetsbepaling schendt alsook de artikelen 451 en 452 van het Wetboek van Koophandel waarin het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers is vervat :
Overwegende dat, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, de gefailleerde, krachtens artikel 444 van het Wetboek van Koophandel, het beheer verliest over al zijn goederen en dat beheer wordt toevertrouwd aan een curator die als gerechtelijk lasthebber de bij de wet bepaalde machten uitoefent in het belang zowel van de gezamenlijke schuldeisers als van de gefailleerde;
Overwegende dat een betaling door de curator verricht binnen de perken van zijn opdracht, de gefailleerde ten goede komt;
Overwegende dat uit het arrest blijkt dat eiseres faillietverklaard werd op 6 juli 1979, dat het faillissement beëindigd werd op 21 december 1984 en dat de curatoren aan verweerster de volledige hoofdsom van de door haar aangegeven schuldvorderingen hadden betaald;
Overwegende weliswaar dat de gefailleerde door de beëindiging van het faillissement het beheer over zijn goederen terugkrijgt, maar dat de gevolgen van de door de curator in de uitoefening van zijn wettelijke machten regelmatig verrichte handelingen onverkort blijven bestaan;
Dat de vaststelling dat de curatoren de hoofdsom van de schuldvordering hadden betaald bindend is voor de schuldeiser aan wie de betaling is verricht; dat het hof van beroep aldus niet wettig kon beslissen dat artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing was op de door de curatoren betaalde bedragen;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het, met toepassing van artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, eiseres veroordeelt om aan verweerster het bedrag van 3.787.883 frank te betalen, verhoogd met de gerechtelijke interest op dat bedrag en met de kosten;
Verwerpt de voorziening voor het overige;
Beveelt dat melding zal worden gemaakt van het arrest op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.