Hof van Cassatie: Arrest van 16 Juni 1995 (België). RG C930293N

Datum :
16-06-1995
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19950616-5
Rolnummer :
C930293N

Samenvatting :

In de regel verleent de retentie van een schip aan degene die het recht uitoefent geen voorrang op de hypotheekhouder op dat schip.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 16 maart 1993 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
Over het middel gesteld als volgt : schending van de artikelen 1, 10° van de Wet van 27 september 1842 op de Zeevaartpolitie, zoals gewijzigd door de Wet van 5 mei 1936 (artikel 19), en, voor zoveel als nodig 1184 van het Burgerlijk Wetboek, 447, 570, 571 van de Faillissementswet van 18 april 1851, 8, 9, 12, 19 en 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851,
doordat het bestreden arrest het hoger beroep van eiseres ongegrond verklaart en het vonnis van 9 oktober 1990 bevestigt op grond waarvan het geconsigneerde bedrag van 7.500.000 fr aan verweerster werd toegewezen en deze beslissing o.m. op volgende overwegingen laat steunen :
"- dat voor de uitoefening van het retentierecht onder meer vereist is dat de schuldeiser de zaak in zijn bezit heeft of er de detentie van heeft, en dat er een samenhang is tussen de schuldvordering van de retentor en de teruggehouden zaak, die hetzij een juridische samenhang is indien de retentor de zaak in handen heeft in het kader van een wederkerige rechtsverhouding, hetzij een objectieve samenhang is wanneer de schuldvordering van de retentor de vergoeding tot voorwerp heeft van uitgaven door hem gedaan voor de vervaardiging, de verbetering of het behoud van de teruggehouden zaak;
- dat in casu (eiseres) op 21 november 1986 aan de waterschout heeft gemeld dat zij een schuldvordering had op de NV Antwerpen Maritiem in verband met 4 nader bepaalde schepen, en dat de waterschout tengevolge van deze melding overeenkomstig artikel 1.10 van de wet van 27 september 1842, zoals gewijzigd door de wet van 5 mei 1936, dat hem de bevoegdheid verleent om in de wateren van het Rijk elk schip aan te houden "van een rederij ... ten laste van welke een schuldvordering ten bate van de Staat of van door hem opgerichte instellingen is blijven bestaan", de kwestige schepen heeft aangehouden;
-dat (eiseres) ingevolge de door de waterschout in het kader van de wet op de zeevaartpolitie uitgevoerde aanhoudingsmaatregel nooit in het effectief bezit van de kwestieuze schepen in gekomen; dat de waterschout is opgetreden namens de Belgische Staat en krachtens zijn eigen politiebevoegdheid, zodat de aanhouding van de schepen niet het werk van (eiseres) was, maar wel van een orgaan van de Belgische Staat; dat (eiseres), die geen beslag legde en die evenmin de door de waterschout verrichte aanhouding eigenmachtig kon opheffen, derhalve de schepen nooit voor zichzelf in bezit heeft gehad noch ooit de schepen werkelijk onder zich heeft gehouden; dat (eiseres) aldus geen juridische en/of feitelijke macht had over de aangehouden schepen, doch dat integendeel de verantwoordelijkheden, zoals bewaking, bewaring en feitelijk bezit, in handen bleven van de vereffenaars van de NV Antwerpen Maritiem;
- dat (eiseres) ten onrechte aanvoert dat nu de waterschout een orgaan van de Belgische Staat is en zij een door de Staat opgerichte instelling is, beiden één eenheid uitmaken, zodat zij in feite via de Staat toch in de rechten en de persoon is getreden van diegene die de schepen heeft laten aanhouden;
- dat immers de waterschout bij de aanhouding van de schepen is opgetreden als orgaan van de Belgische Staat en dat (eiseres) krachtens artikel 1.10 van de wet van 27 september 1842 op de Zeevaartpolitie een door de Staat opgerichte instelling is, met eigen rechtspersoonlijkheid, die zich van de Staat onderscheidt;
- dat bijgevolg vaststaat dat (eiseres) nooit het effectief bezit van de schepen heeft gehad, noch dat er een juridische samenhang en/of objectieve samenhang is tussen de schuldvordering van (eiseres) wegens achterstallige sociale zekerheidsbijdragen en de schepen, zoals hierboven uiteengezet, te meer daar bovendien de sociale zekerheidsbijdragen hun grondslag vinden in de wet en niet in het arbeidskontrakt;
- dat in de gegeven omstandigheden de voorwaarden voor de uitoefening van een retentierecht in hoofde van (eiseres) niet vervuld zijn, zodat het bestreden vonnis dient te worden bevestigd". (arrest p. 3, vanaf 1. 3 - p. 4, 1.1.),
terwijl eiseres in haar appelconclusies had aangevoerd dat de geblokkeerde gelden aan haar toekwamen, dus bij voorrang boven verweerster, nu artikel 1, 10° van de Wet van 27 september 1842 op de Zeevaartpolitie, gewijzigd door de Wet van 5 mei 1936, waarop zij beroep had gedaan, een nieuw retentierecht inhoudt dat tegenwerpelijk is aan alle schuldeisers, ook aan die met een algemeen of bijzonder voorrecht, of degenen die een hypotheek kunnen inroepen;
artikel 1, 10° van de Wet van 27 , september 1842 op de Zeevaartpolitie, zoals gewijzigd door de Wet van 5 mei 1936 (artikel 19) als volgt bepaalt : "Waterschouten, door de Koning benoemd, worden gelast met het toezicht en de politie van de zeevaart. Hun werkzaamheden zijn : (...) 10° te waken voor de uitvoering van het beslag op zee- en binnenschepen en in de wateren van het Rijk elk zee- of binnenschip aan te houden van een rederij, (A) (...); (B) ten laste van welke een schuldvordering ten bate van de Staat of van door hem opgerichte instellingen is blijven bestaan. De aldus aangehouden zee- en binnenschepen kunnen worden vrijgelaten zodra de schuldvordering betaald is of tegen vestiging van een doelmatige en geldige waarborg";
deze aldus door de Wet van 5 mei 1936 gewijzigde wetsbepaling geen louter politionele maatregel is, doch een dwangmiddel met civielrechtelijk gevolg nu de aanhouding van een schip op vordering van de Staat of van een door hem opgerichte instelling t.a.v. wie een schuldvordering bestaat, mogelijk blijft zolang deze laatste geen betaling heeft bekomen van zijn (haar) schuldvordering of minstens een waarborg dat hij (zij) zeker zal worden uitbetaald;
de Wetgever door dergelijke uitbreiding van het dwangmiddel van aanhouding van schepen wegens niet-betaling van schulden t.a.v. de Staat of een door hem opgerichte instelling in te voeren, aan de Staat of de door hem opgerichte instellingen een werkelijk retentierecht verschaft op de op zijn (hun) vordering aangehouden schepen;
de voorwaarden van bezit en samenhang tussen schuldvordering en zaak, noodzakelijk voor het bestaan van een werkelijk retentierecht, door de schuldeiser die beroep doet op bovenvermelde wetsbepaling worden vervuld;
de aanhouding van de schepen door de waterschout immers gebeurt op verzoek van de Staat of een door hem opgerichte instelling -schuldeiser van de rederij wiens schepen worden aangehouden -, en de vrijgave van de schepen eveneens slechts na toelating van deze schuldeiser kan gebeuren; het zeggenschap over de schepen aldus toebehoort aan de schuldeiser die derhalve op grond van artikel 1, 10° van de Wet op de zeevaartpolitie als "bezitter" van de schepen moet worden beschouwd;
de samenhang tussen de schuldvordering en de aangehouden schepen evenmin kan betwist worden nu bovenvermelde wetsbepaling de samenhang creëert door de vrijgave van de aangehouden schepen afhankelijk te stellen van de betaling van de schuldvordering of minstens van het verschaffen van een zekere waarborg voor de betaling van de schuldvordering;
de voor het retentierecht vereiste samenhang aldus op wettelijke grond vaststaat;
dergelijk retentierecht gegrond op een door de wet vastgestelde samenhang en een aan de schuldeiser verleende detentie van de zaak, waarbij de wet zelf aan de schuldeiser toelaat de zaak slechts te laten vrijgeven bij betaling of bij het bekomen van een voldoende waarborg voor de betaling, aldus een zakelijk karakter heeft en aan de houder een recht van voorrang verschaft;
het in artikel 1, 10° van de Wet op de Zeevaartpolitie neergelegde retentierecht aldus tegenstelbaar is aan alle derden, chirografaire schuldeisers, algemeen bevoorrechte schuldeisers, evenals aan schuldeisers die een bijzonder voorrecht of een hypotheek op de aangehouden schepen kunnen doen gelden,
en terwijl, het bestreden arrest vaststelt dat eiseres vier schepen van de NV Antwerpen Maritiem, waarop door verweerster een hypotheek was genomen ingevolge verstrekte kredieten, door de waterschout overeenkomstig artikel 1, 10° van de Wet van 27 september 1842 op de zeevaartpolitie, zoals gewijzigd door de Wet van 5 mei 1936, had laten aanhouden wegens achterstallige sociale zekerheidsbijdragen ten belope van 7.500.000 fr;
het bestreden arrest bepaalt dat de voorwaarden voor de uitoefening van een retentierecht, meer bepaald de voorwaarden van juridische of feitelijke macht over de schepen en de juridische of objectieve samenhang tussen de aangehouden schepen en de schuldvordering, in hoofde van eiseres niet waren vervuld;
de aanhouding van de schepen door de waterschout volgens het bestreden arrest de juridische of feitelijke macht over de schepen niet in handen van eiseres had overgedragen, "doch integendeel dat de verantwoordelijkheden, zoals bewaking, bewaring en feitelijk bezit, in handen (waren) gebleven van de vereffenaars van de NV Antwerpen Maritiem";
eiseres volgens het arrest daarenboven evenmin kon "bezitten" via de Staat, wiens orgaan, nl. de waterschout, de schepen had aangehouden, nu eiseres "een door de Staat opgerichte instelling is met eigen rechtspersoonlijkheid die zich van de Staat onderscheidt";
het bestreden arrest ook stelt dat er geen juridische of objectieve samenhang is tussen de schuldvordering van eiseres wegens achterstallige sociale zekerheidsbijdragen;
het bestreden arrest echter niet kon beslissen dat eiseres de aangehouden schepen niet onder haar "macht" had zonder bovenvermeld artikel 1, 10° van de Wet op de zeevaartpolitie te schenden;
deze wetsbepaling immers de aanhouding van de schepen toelaat op verzoek van de schuldeiser, die op de waterschout beroep moet doen om dat "verzoek" uit te voeren; de waterschout aldus niet enkel optreedt krachtens een eigen politionele bevoegdheid;
krachtens dezelfde wetsbepaling de schuldeiser de waterschout kan verhinderen de aangehouden schepen vrij te geven zolang de schuldvordering niet is betaald of geen voldoende waarborg is gegeven;
door aan de schuldeiser aldus beslissingsmacht te geven over de aanhouding en de vrijgave van de schepen, aan de schuldeiser de "macht" over de schepen wordt gegeven waarbij de praktische uitvoering wordt overgelaten aan de waterschout;
eiseres die aldus de vier schepen had laten aanhouden (en weigerde vrij te geven) het "bezit" over de schepen zelf, via de tussenkomst van de waterschout die voor de concrete uitvoering van de beslissingen van eiseres instond, had verworven;
het bestreden arrest evenmin kon beslissen dat er geen samenhang bestond tussen de aangehouden schepen en de schuldvordering van eiseres wegens achterstallige sociale bijdragen,
zonder artikel 1, 10° van de Wet van de Zeevaartpolitie te schenden, nu deze wetsbepaling zelf de voor het retentierecht vereiste samenhang creëert;
het bestreden arrest aldus door de besluiten dat de voorwaarden voor de uitoefening van een retentierecht in hoofde van eiseres niet vervuld waren artikel 1, 10° van de Wet van 27 september 1842, zoals gewijzigd door de wet van 5 mei 1936, schendt;
het bestreden arrest dat op grond van bovenstaande onwettige vaststelling dat de voorwaarden van bezit en samenhang, vereist voor een effectief retentierecht, in hoofde van eiseres niet waren vervuld, besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep van eiseres en tot bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, met als gevolg dat de geblokkeerde 7.500.000 fr aan verweerster worden toegewezen, het principe van de tegenwerpelijkheid aan alle schuldeisers van het retentierecht in het algemeen, en van het retentierecht zoals neergelegd in artikel 1, 10° van de Wet op de zeevaartpolitie in het bijzonder, miskent en dus schending inhoudt van de artikelen 1, 10 van bovenvermelde Wet van 27 september 1842, zoals gewijzigd door de Wet van 5 mei 1936, en, voor zoveel als nodig van de wetsbepalingen waarop de tegenstelbaarheid van het retentierecht aan derden steunt, nl. de artikelen 1184 van het Burgerlijk Wetboek, 447, 570, 571 van de Faillissementswet van 18 april 1851, 8, 9, 12, 19 en 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 :
Overwegende dat uit het arrest blijkt dat : 1. verweerster kredieten heeft toegestaan aan een NV Antwerpen Maritiem en tot zekerheid een hypotheek heeft genomen op vier schepen van deze vennootschap; 2. eiseres een vordering heeft op die vennootschap voor sociale zekerheidsbijdragen van ongeveer 7.500.000 frank; 3. eiseres overeenkomstig artikel 1.10 van de wet van 2.7 september 1842 op de zeevaartpolitie de vier schepen, waarop verweerster een hypotheek had, liet aanhouden door de waterschout; 4. eiseres op grond van dit aanhouden voorhield een retentierecht op de bedoelde schepen te kunnen uitoefenen, waarna verweerster, na een procedure in kort geding, een bedrag van 7.500.000 frank in consignatie gaf om de verkoop van de schepen mogelijk te maken; 5. de schepen verkocht werden door de vereffenaars van de NV Antwerp Maritiem;
Overwegende dat in de regel de retentie van een schip aan degene die het recht uitoefent geen voorrang verleent op de hypotheekhouder op dat schip;
Dat uit de door de appelrechters gedane vaststellingen noodzakelijk volgt dat, ook al zou de aanhouding door de waterschout van de schepen van de rederij op verzoek van eiseres kunnen worden beschouwd als een door haar uitgeoefende retentie, eiseres hierdoor geen voorrang verkreeg op verweerster die op die schepen een hypotheek had;
Dat het middel, ook al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.