Hof van Cassatie: Arrest van 16 Juni 1999 (België). RG P981528F

Datum :
16-06-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990616-5
Rolnummer :
P981528F

Samenvatting :

Het cassatieberoep van de burgerlijke partij tegen de beklaagde die jegens haar bij verstek tot schadevergoeding is veroordeeld, is niet ontvankelijk indien het is ingesteld tijdens de gewone verzettermijn van de beklaagde.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 27 oktober 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Luik;
I. Op de voorzieningen van de eisers Philippe Malemprée en Isabelle Perwez, burgerlijke partijen:
A. In zoverre de voorzieningen gericht zijn tegen de beslissingen op de tegen de verweerder Yves Paquet, beklaagde, ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen:
Overwegende dat het arrest ten aanzien van die verweerder bij verstek is gewezen; dat de eisers op 9 november 1998, dat is vóór het verstrijken van de gewone verzettermijn, cassatieberoep hebben ingesteld;
Dat de voorzieningen niet ontvankelijk zijn;
B. In zoverre de voorzieningen gericht zijn tegen de beslissingen op de tegen de overige verweerders ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen:
Over het eerste middel:
Overwegende dat de verweerders, bij een beschikking van 28 april 1997 van de raadkamer, naar de correctionele rechtbank zijn verwezen;
Overwegende dat, krachtens artikel 137 van het Wetboek van Strafvordering, de politierechtbank kennisneemt van de overtredingen; dat krachtens artikel 138 van voornoemd wetboek, zij bovendien, en onverminderd het recht van de procureur des Konings om een opsporingsonderzoek in te stellen of een gerechtelijk onderzoek te vorderen inzake wanbedrijven, kennisneemt van de in dat artikel opgesomde wanbedrijven;
Overwegende dat het huidige artikel 138, 6° bis, van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij artikel 5, 2°, van de wet van 11 juli 1994, bepaalt dat de politierechtbank kennisneemt "van de wanbedrijven omschreven in de artikelen 418 tot 420 van het Strafwetboek, wanneer de doding, de slagen of verwondingen het gevolg zijn van een verkeersongeval"; dat het geen samenhang of onsplitsbaarheid meer vereist met een overtreding van de wetten of reglementen op de politie van het wegverkeer;
Dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juli 1994 blijkt dat het begrip "verkeersongeval" in de brede zin van het woord moet worden opgevat; dat het betrekking heeft zowel op een wegverkeersongeval waarbij voetgangers en dieren of middelen van vervoer te land betrokken zijn, die de openbare weg gebruiken, als op een dergelijk ongeval dat zich heeft voorgedaan op terreinen die openstaan voor het publiek en niet openbare terreinen die evenwel openstaan voor een bepaald aantal personen;
Overwegende dat daaruit volgt dat een ongeval waarbij middelen van vervoer te land, inzonderheid auto's, betrokken zijn en dat zich heeft voorgedaan op een niet openbaar terrein, dat evenwel openstaat voor een bepaald aantal personen, zoals een gesloten omloop voor automobielwedstrijden die evenwel toegankelijk is voor het publiek, een verkeersongeval is in de zin van artikel 138, 6° bis, van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij de wet van 11 juli 1994;
Dat, bijgevolg, de correctionele rechtbank en het hof van beroep niet bevoegd waren om kennis te nemen van de aan de verweerders ten laste gelegde misdrijven onopzettelijk doden en onopzettelijke slagen of verwondingen;
Dat het middel gegrond is;
II. Op de voorziening van de eiser Securex Ziekenfonds, burgerlijke partij:
Overwegende dat eiser op 17 november 1998 tegen het bestreden arrest cassatieberoep heeft ingesteld:
Overwegende dat, behoudens het bij artikel 40, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalde geval en het geval van overmacht, het cassatieberoep dat na het verstrijken van de in artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn is ingesteld, laattijdig en derhalve niet ontvankelijk is;
III. Op de voorzieningen van de overige eisers:
Overwegende dat de eiser Vincent Lahaye, burgerlijke partij, afstand doet van zijn voorziening;
Dat het Hof geen acht slaat op de afstand van de voorziening van een burgerlijke partij, wanneer die afstand is gedaan door een advocaat die geen advocaat is bij het Hof van Cassatie, en evenmin houder is van een bijzondere volmacht;
Overwegende dat uit de processtukken niet blijkt dat de eisers hun voorziening hebben doen betekenen aan de partijen waartegen zij ze hebben ingesteld;
Dat de voorzieningen niet ontvankelijk zijn;
Overwegende, evenwel, dat de vernietiging op de voorzieningen van de eisers Philippe Malemprée en Isabelle Perwez, burgerlijke partijen, van de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van laatstgenoemden, de vernietiging meebrengt van de niet-definitieve beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers Vincent Lahaye, Landsbond der christelijke mutualiteiten en Jean-Marc Humblet, die door dezelfde onwettigheid zijn aangetast;
OM DIE REDENEN,
zonder dat er grond bestaat tot onderzoek van het tweede middel van de eisers Philippe Malemprée en Isabelle Perwez, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het uitspraak doet over de strafvordering en over de vordering van de burgerlijke partij Securex Ziekenfonds;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Veroordeelt Philippe Malemprée en Isabelle Perwez, ieder van hen, in een vierde van de kosten van hun voorziening;
Veroordeelt de verweerders sub. I. 1 tot 6 in een twaalfde van het overige van die kosten;
Veroordeelt Yves Dodement, Yves Paquet, Marcel Cambron en Serge Van Ass, ieder van hen, in een vierde van de kosten van de voorzieningen van Vincent Lahaye, Landsbond der christelijke mutualiteiten en Jean-Marc Humblet;
Veroordeelt het Securex Ziekenfonds in de kosten van zijn voorziening.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Politierechtbank te Luik.