Hof van Cassatie: Arrest van 16 Juni 1999 (België). RG P980738F

Datum :
16-06-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990616-7
Rolnummer :
P980738F

Samenvatting :

Wanneer een raadsheer, die bij beschikking van de voorzitter is aangewezen om een andere raadsheer te vervangen die wettig verhinderd is om de uitspraak bij te wonen van het arrest van het hof van beroep waarover hij mede heeft beraadslaagd, deel heeft uitgemaakt van de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak heeft gedaan over het hoger beroep van de beklaagde tegen de beschikking van de raadkamer, die hem naar de correctionele rechtbank heeft verwezen, kan de loutere aanwezigheid van die magistraat ter zitting op het ogenblik van de uitspraak geen gewettigde verdenking wekken aangaande de geschiktheid van het hof van beroep om op onpartijdige wijze uitspraak te doen, aangezien hij niet heeft deelgenomen aan het beraad van het arrest; uit die omstandigheid alleen kan niet worden afgeleid dat de beklaagde geen recht heeft gehad op een eerlijk proces in de zin van art. 6.1. EVRM.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 27 april 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel;
Over het eerste middel: schending van de substantiële dan wel op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen, alsook van de artikelen 780, 5°, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens welke de vonnissen op straffe van nietigheid gedagtekend moeten zijn,
doordat het dictum van het bestreden arrest zegt: "Aldus berecht door: raadsheer Hauzeur, waarnemend voorzitter, raadsheren Menestret en Laffineur, magistraten van de 11de Kamer van het Hof van Beroep te Brussel, die aan het beraad hebben deelgenomen, en, gelet op de wettige verhindering van raadsheer Menestret, op 27 april 1998 gewezen tijdens de openbare terechtzitting van voornoemde kamer, overeenkomstig de beschikking van 27 april 1998 van mevrouw de voorzitter en met toepassing van artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek",
terwijl voornoemd dictum geen melding maakt van de datum waarop het arrest zelf is gewezen, maar alleen van de datum waarop in de openbare terechtzitting van 27 april 1998 kennis is gegeven van de wettige verhindering van raadsheer Menestret; uit die vermelding zelf niet kan worden afgeleid dat het bestreden arrest tevens op voormelde datum is gewezen door de 11de Kamer van het Hof van Beroep; het bestreden arrest bijgevolg de substantiële, dan wel op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen, alsook de artikelen 780, 5° en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek schendt, in zoverre de arresten van de hoven en rechtbanken krachtens voornoemde bepalingen op straffe van nietigheid gedagtekend moeten zijn:
Overwegende dat het bestreden arrest vermeldt dat het op 27 april 1998 in openbare terechtzitting is gewezen door de 11e kamer van het Hof van Beroep te Brussel, zitting houdende in correctionele zaken;
Dat diezelfde datum eveneens wordt vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting waarop het arrest is gewezen;
Dat het middel feitelijke grondslag mist;
Over het tweede middel: schending van de substantiële dan wel op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen en van de artikelen 779, 782, 785, 786 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 149 van de Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, en schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
doordat het bestreden arrest is gewezen door raadsheer van der Eecken, waarnemend voorzitter, ofschoon hij, enerzijds, in strijd met artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, niet alle terechtzittingen heeft bijgewoond, en, anderzijds, in de kamer van inbeschuldigingstelling als raadsheer zitting heeft gehouden tijdens de onderzoeksprocedure, die betrekking had op dezelfde zaak als die waarvan de 11de kamer van het hof heeft kennisgenomen,
terwijl artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis, op straffe van nietigheid, alleen kan worden gewezen door de rechters die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond, behalve in het geval dat een rechter wegens een gewettigde verhindering is vervangen; uit het bestreden arrest noch uit enig stuk van het dossier kan worden afgeleid waarom raadsheer Menestret gewettigd is verhinderd; het bestreden arrest, wat dat betreft, immers alleen zegt dat raadsheer Menestret wettig verhinderd is en daartoe verwijst naar de - niet ondertekende - beschikking die mevrouw de voorzitter van het hof van beroep, met toepassing van artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, op 27 april 1998 heeft genomen; uit voornoemde beschikking niet blijkt dat raadsheer Menestret wettig was verhinderd, aangezien die beschikking de reden van de verhindering niet vermeldt, maar alleen het volgende zegt: "Overwegende dat raadsheer M. Menestret wettig is verhinderd om de uitspraak bij te wonen van het vonnis, aan het beraad waarvan hij heeft deelgenomen overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek"; het bestreden arrest daarenboven voornoemde verhindering niet kon vaststellen door te verwijzen naar een niet ondertekende beschikking, zonder artikel 782 van het Gerechtelijk Wetboek te schenden, het bestreden arrest bijgevolg de substantiële dan wel op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen, alsook de artikelen 779, 782, 785, 776 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 149 van de Grondwet en artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt; het recht van verdediging en inzonderheid het recht van eiseres op een eerlijk proces voor een onafhankelijke rechterlijke instantie beletten dat een magistraat die als onderzoeksmagistraat van een zaak heeft kennisgenomen, in welke hoedanigheid dan ook zitting houdt in een vonnisgerecht; dat beginsel door zowel de hoven en rechtbanken van de Belgische rechterlijke orde als door de Commissie voor de rechten van de mens en het Europees Hof van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ruimschoots is vastgelegd; artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek de voorzitter van het hof van beroep weliswaar de mogelijkheid biedt om een wettig verhinderde magistraat te vervangen, maar de voorzitter van dat rechtscollege niet machtigt om een vervangend magistraat aan te wijzen, die reeds in een onderzoeksgerecht zitting heeft gehouden; het bestreden arrest dat gewezen is door een magistraat die reeds als onderzoeksmagistraat van de zaak kennis heeft genomen, bijgevolg de bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voorgeschreven onafhankelijkheid en onpartijdigheid miskent, de artikelen 779 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek schendt, het algemeen rechtsbeginsel van
het recht van verdediging miskent en voornoemd artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt:
Overwegende dat, enerzijds, de beschikking van de voorzitter, die niet van valsheid wordt beticht, vaststelt dat "de raadsheer Menestret wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van het arrest aan het beraad waarvan hij heeft deelgenomen overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek" en dat de raadsheer van der Eecken wordt aangewezen om de raadsheer Ménestret te vervangen bij de uitspraak van het arrest; dat de minuut van die beschikking is ondertekend door mevrouw Closset-Coppin, eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Brussel; dat het bestreden arrest bevestigt dat de raadsheer van der Eecken het arrest op 27 april 1998 heeft uitgesproken in openbare terechtzitting "gelet op het feit dat de raadsheer Ménestret wettig verhinderd is (... ) overeenkomstig de beschikking van mevrouw de Eerste Voorzitter";
Dat aldus is voldaan aan de vereisten van artikel 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; dat bovendien niet wordt vereist dat voornoemde beschikking van de voorzitter de reden aangeeft waarom de raadsheer Ménestret wettig verhinderd was;
Overwegende dat, anderzijds, uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat raadsheer van der Eecken op 12 september 1996 deel uitmaakte van de kamer van inbeschuldigingstelling, die uitspraak gedaan heeft over het hoger beroep van eiseres tegen de beschikking van de raadkamer van 2 mei 1996 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel, waarbij zij naar de correctionele rechtbank werd verwezen;
Overwegende dat voornoemde magistraat niet heeft deelgenomen aan het beraad van het bestreden arrest, zodat zijn loutere aanwezigheid ter zitting op het ogenblik van de uitspraak, overeenkomstig artikel 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geen gewettigde twijfel kon wekken aangaande de geschiktheid van het hof van beroep om op onpartijdige wijze uitspraak te doen; dat uit die omstandigheid alleen niet valt af te leiden dat de zaak van eiseres niet eerlijk is behandeld in de zin van artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of dat haar recht van verdediging is geschonden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het derde middel: schending van de substantiële dan wel op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen, alsook van de artikelen 757, 783 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
doordat het arrest vermeldt dat er in openbare terechtzitting is vastgesteld dat raadsheer Menestret wettig was verhinderd, ofschoon uit het zittingblad van 27 april 1998 niet blijkt dat er op de terechtzitting van 27 april 1998 van de elfde Kamer van het Hof van Beroep te Brussel effectief is vastgesteld dat voornoemde raadsheer was verhinderd; de vermelding in openbare terechtzitting van de wettige verhindering van een raadsheer een proceshandeling is in de zin van artikel 783, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; het bestreden arrest bijgevolg de substantiële dan wel op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen alsook artikel 783 van het Gerechtelijk Wetboek schendt, in zoverre voornoemd artikel bepaalt dat het zittingsblad de verrichte proceshandelingen moet vermelden; het tevens artikel 757 van voornoemd wetboek schendt, in zoverre dat artikel bepaalt dat de vonnissen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, in openbare terechtzitting moeten worden gewezen; het daarenboven artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt, in zoverre de uitspraak van de vonnissen in openbare terechtzitting deel uitmaakt van de in het begrip eerlijk proces vervatte waarborgen;
Overwegende dat het arrest vermeldt dat het in openbare terechtzitting is gewezen door de 11de kamer van het Hof van Beroep te Brussel, zitting houdende in correctionele zaken; dat het niet vaststelt dat de raadsheer Ménestret verhinderd was om die terechtzitting bij te wonen;
Dat het middel feitelijke grondslag mist;
Over het vierde middel: schending van de substantiële dan wel op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen, van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 780, 3° en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, alsook schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
doordat het bestreden arrest niet antwoordt op de door eiseres regelmatig voor het hof neergelegde conclusie,
terwijl: - eiseres op de bladzijden 13 en 14 van de samenvattende conclusie die zij op de terechtzitting van de 11de Kamer van het Hof van Beroep te Brussel had neergelegd, betoogde dat de vaststelling door het hof dat de koopakte van het pand, gelegen te 1410 Waterloo, rue du Ménil 24, een bij de artikelen 196 en 197 van het Strafwetboek strafbaar gesteld vals stuk was, artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt, op grond dat het bestreden arrest een dergelijke conclusie diende te gronden op het beginsel van de autonomie van het strafrecht ten aanzien van het burgerlijk recht en voornoemd beginsel diende toe te passen; de toepassing van dat beginsel, waarvan niet werd betwist dat het gegrond was, te dezen artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt; het bestreden arrest - dat het beginsel van de autonomie van het strafrecht ten aanzien van het burgerlijk recht toepast - noch impliciet noch rechtstreeks antwoordt op die verdediging; het bestreden arrest bijgevolg de substantiële dan wel op nietigheid voorgeschreven rechtsvormen en de artikelen 149 van de Grondwet en 780, 3° en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek schendt, het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging miskent en artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt, eiseres betoogde dat het litigieuze stuk de vermelding "betaald per cheque. Kwijting, behoudens inning" bevatte; die vermelding verschilt van de uitdrukking "betaald per cheque"; de vermelding "betaald per cheque. Kwijting, behoudens inning" impliceert dat de litigieuze koopakte van 23 september 1987 geen enkele vermelding bevat die niet waarachtig is; de bewoordingen van het stuk van essentieel belang zijn om te oordelen of er in de telastlegging wegens valsheid en gebruik van valse stukken sprake is van verdraaiing van de waarheid; het bestreden arrest, waarin de verdraaiing van de waarheid wordt vastgesteld, bijgevolg niet de volledige litigieuze tekst van 23 september 1987, maar alleen de onvolledige vermelding "betaald per cheque" in aanmerking heeft genomen, zodat voornoemd arrest de substantiële dan wel op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen en de artikelen 149 van de Grondwet, 780, 3° en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek schendt, het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging miskent alsook artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt:
Overwegende dat het middel, in zoverre het kritiek oefent op de feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak, niet ontvankelijk is;
Overwegende, voor het overige, dat eiseres in haar conclusie betoogde dat het hof van beroep de beslissing dat de litigieuze koopakte een bij de artikelen 196 en 197 van het Strafwetboek strafbaar gestelde valsheid opleverde, diende te gronden op het beginsel van de autonomie van het strafrecht ten aanzien van het burgerlijk recht, wat, volgens haar, te dezen een schending van artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden tot gevolg had; dat de appèlrechters, met bevestiging van de motivering van de eerste rechter, op die conclusie hebben geantwoord dat eiseres "vraagt dat onderhavige zaak op grond van de artikelen 16, 17 en 18 van het Wetboek van Strafvordering naar de burgerlijke rechter zou worden verwezen met het oog op de bepaling van de juridische aard van de litigieuze akte van 23 september 1987; (...) dat een dergelijk middel berust op een verkeerde opvatting omtrent de opdracht en de bevoegdheid van de strafgerechten; dat de artikelen 17, 18 en 19 van de wet van 17 april 1878 een prejudiciële exceptie invoeren, indien de beklaagde zich beroept op een recht van eigendom of een ander onroerend zakelijk recht dat elk karakter van misdrijf ontneemt aan de hem verweten akte; dat de rechtbank slechts verplicht is de uitspraak uit te stellen, als, enerzijds, de prejudiciële exceptie gegrond is op een deugdelijk schijnende titel of op welbepaalde feiten van bezit (artikel 17, tweede lid, Sv.) en als, anderzijds, de gestelde feiten elk karakter van misdrijf blijken te ontnemen aan het feit waarop de vervolging berust (artikel 17, derde lid, Sv.) (...); dat het aan (eiseres) ten laste gelegde misdrijf te dezen geen verband houdt met de uitvoering van de litigieuze overeenkomst, maar bestaat in het sluiten zelf van die overeenkomst, zodat de bovengenoemde bepalingen niet van toepassing zijn; dat bijgevolg de opgeworpen prejudiciële exceptie moet worden verworpen"; dat zij in hun eigen motivering daaraan hebben toegevoegd "dat, luidens artikel 17, derde lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, de overgelegde titels of de gestelde feiten elk karakter van misdrijf moeten ontnemen aan het feit waarop de vervolging berust (dat is te dezen de vermelding 'de verkoper erkent thans een bedrag van een miljoen vijfhonderdduizend frank per cheque te hebben ontvangen' in de koopakte); dat de vraag wordt gesteld of die vermelding een valsheid in geschrifte oplevert; dat de juridische aard van de litigieuze akte, wat dat betreft, niet terzake doet";
Dat de appèlrechters aldus hun beslissing regelmatig met redenen hebben omkleed; dat zij niet verder hoefden te antwoorden op de conclusie van eiseres betreffende de schending van bovengenoemd artikel 6, daar zij ten gevolge van hun beslissing niet langer relevant was;
Overwegende ten slotte dat eiseres, nu zij, zoals te dezen, ongehinderd tegenspraak heeft kunnen voeren over de door het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen tegen haar ingebrachte gegevens, niet kan aanvoeren dat haar zaak niet eerlijk is behandeld in de zin van bovengenoemd artikel 6.1 en evenmin dat haar recht van verdediging is geschonden;
Dat, in zoverre, het middel niet kan worden aangenomen;
Over het vijfde middel: schending van de artikelen 149 van de Grondwet, 780, 3° en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, 193, 195, 196 en 197 van het Strafwetboek, miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de wettigheid van de misdrijven en de straffen, alsook schending van de artikelen 6.1 en 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
doordat het bestreden arrest, na het bestaan te hebben vastgesteld van een gift, te dezen van een verborgen of "verdoken" schenking, de argumentatie van eiseres, volgens welke de omschrijving van de litigieuze akte van 23 september 1987 van dien aard was dat zij aan het feit het karakter van misdrijf ontnam, in zijn geheel verwerpt; het bestreden arrest daarentegen oordeelt "dat de juridische omschrijving van de verrichting in de zin van het Burgerlijk Wetboek, te dezen, van geen belang is"; dat de vaststelling van de verdraaiing van de waarheid door het bestreden arrest echter steunt op de voorafgaande bewering dat eiseres een verborgen of verdoken schenking aan eiseres heeft gekregen,
terwijl, eerste onderdeel: - het begrip gift een juridisch begrip is, waarvoor de burgerlijke rechtspraak sedert jaren strikte criteria heeft vastgelegd; het bestreden arrest niet tegelijkertijd het bestaan van een gift kon vaststellen en de toepassing kon verwerpen van burgerrechtelijke rechtsregels waarop het begrip gift is gegrond, des te meer daar het arrest het bestaan van de vermeende gift niet vaststelt na het bestaan van de bestanddelen ervan te hebben vastgesteld; eiseres, om in haar conclusie uitvoerig gemotiveerde redenen, het bestaan zelf van de zogenaamde gift heeft betwist en daarentegen betoogde dat de litigieuze verrichting op zijn minst onder bezwarende titel is geschied, met name gelet op de wankele gezondheidstoestand van wijlen de h. Bouvier die zich het vruchtgebruik van het pand had voorbehouden, en dus als tegenprestatie voor de overdracht van de naakte eigendom aan eiseres kon verwachten dat deze hem na de verkoop verder zou verzorgen; het bestreden arrest bijgevolg, nu het beweert rechtsregels uit het burgerlijk recht niet te willen toepassen, op grond dat "in tegenstelling tot wat de beklaagde in haar conclusie betoogt, de juridische omschrijving die aan de verrichting kan worden gegeven in de zin van het Burgerlijk Wetboek, te dezen, van geen belang is", na het bestaan te hebben vastgesteld van een gift die onder het mom van een verdoken schenking, en na hieruit te hebben afgeleid dat er sprake was van een door het Strafwetboek strafbaar gestelde verdraaiing van de waarheid, tegenstrijdige redenen opgeeft en zijn beslissing bijgevolg niet regelmatig verantwoordt,
tweede onderdeel, eiseres in haar conclusie betoogde dat de vaststelling door de burgerlijke rechter van een verborgen schenking, in de eerste plaats tot gevolg heeft dat de koopakte geldt als een schenking, ook al wordt die schenking betwist op grond dat zij het voorbehouden erfdeel van de wettelijke erfgenamen aantast; de gift in laatstgenoemde, door het bestreden arrest in aanmerking genomen onderstelling, kan worden ingekort maar niet nietig is (de Belgische rechtspraak verschilt wat dat betreft van de Franse rechtspraak, die een dergelijke gift als nietig aanmerkt), maar alleen wat het gedeelte betreft dat het beschikbaar gedeelte te boven gaat; de specifieke burgerrechtelijke sancties die het wegmaken van de goederen van een nalatenschap - met inbegrip van een verborgen schenking - bestraffen, totaal verschillend zijn van de gevolgen van een strafrechtelijke veroordeling wegens valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken; die veroordeling ertoe strekt de koopakte, die op voornoemde gift betrekking heeft of ze bevat, gewoonweg te doen verdwijnen, onverminderd de gevolgen die een strafrechtelijke veroordeling voor de betrokken personen zelf kan inhouden; eiseres, uitgaande van de vaststelling dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen de burgerrechtelijke en strafrechtelijke gevolgen van de vaststelling van een verborgen schenking die het voorbehouden erfdeel kan aantasten, betoogde dat haar veroordeling, die alleen gestoeld was op strafrechtelijke criteria, ofschoon de burgerlijke rechtspraak de geldigheid van verborgen giften erkent en ze inkort ingeval zij het voorbehouden erfdeel aantasten, artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt; voornoemd artikel immers het recht van verdediging waarborgt en aldus het beginsel van de wettigheid van de misdrijven en de straffen bevat; het bestreden arrest dat beginsel heeft miskend, in zoverre het aan de verborgen gift gevolgen heeft gehecht die totaal verschillend waren van de burgerrechtelijke gevolgen ervan, door de grondregels van giften terzijde te laten, en eiseres wegens valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken in de zin van het Strafwetboek veroordeeld heeft:
Overwegende dat voor het bestaan van valsheid in geschrifte en het gebruik ervan is vereist, enerzijds, dat het geschrift enigermate tot bewijs strekt van datgene wat erin is opgenomen of vastgesteld, dat wil zeggen dat het zich aan de openbare trouw opdringt, zodat de overheid of particulieren die er kennis van nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd worden van de waarachtigheid van de akte of het juridisch feit, dat in het geschrift is vastgelegd, of gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten, anderzijds, dat door het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden verdraaien van de waarheid, op een bij de wet bepaalde wijze een nadeel kan worden berokkend, hetzij door onjuiste vermeldingen, hetzij door het opzettelijk verzwijgen van bepaalde gegevens in het geschrift;
Dat veinzing in een overeenkomst als een strafbare valsheid kan worden aangemerkt, wanneer dat met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gepleegde feit, op het ogenblik dat de akte werd opgemaakt, aan openbare of privébelangen schade kon berokkenen door het eventuele gebruik dat van de akte zou worden gemaakt;
Overwegende dat het arrest beslist "dat de eerste rechter, wat de telastlegging B betreft (valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken), terecht erop heeft gewezen dat uit de feiten van de zaak kan worden afgeleid dat wijlen de hr. Bouvier en (eiseres) klaarblijkelijk waren overeengekomen dat laatstgenoemde het bedrag van 1.500.000 frank nooit zou betalen aan de hr. Bouvier; dat bijgevolg de in de koopakte vervatte vermelding betreffende de betaling van dat bedrag de waarheid verdraait in de zin van artikel 196 van het Strafwetboek; (...) dat thans de vraag wordt gesteld of de medecontractanten met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden handelden, toen op hun verzoek in de koopakte de bewust valse vermelding werd opgenomen betreffende de betaling van 1.500.000 frank; dat dient te worden opgemerkt dat de litigieuze notariële akte is opgemaakt op 23 september 1987; dat wijlen de hr. Bouvier, in een eigenhandig testament, dat hij nauwelijks twee maanden later, namelijk op 18 november 1987, had opgemaakt, (eiseres) aanwees tot algemene legataris van zijn goederen en de wil te kennen gaf zijn zoon Jean-Loup binnen de bij de wet toegestane grenzen te onterven (waarbij hij, eigenaardig genoeg, zijn dochter Claude over het hoofd zag); dat hij zich hiertoe onder meer beriep op de vriendschap en de hulp die hij van (eiseres) gekregen had; dat de hr. Bouvier, na vanaf februari 1985 zware gezondheidsproblemen te hebben ondervonden, overleed op 11 maart 1988; dat uit de aldus beschreven context volgt dat de in de litigieuze akte van 23 september 1987 verborgen gift klaarblijkelijk bedoeld was om (eiseres) buiten weten van de erfgenamen te bevoordelen en aldus het voorbehouden erfdeel van de twee kinderen van de overledene op bedrieglijke wijze aan te tasten; (eiseres) immers hierdoor in staat was de bij de artikelen 843 en volgende van het Burgerlijk Wetboek opgelegde verplichtingen tot inbreng te omzeilen; dat die verdraaiing van de waarheid door veinzing wel degelijk een strafbare valsheid in geschrifte is, daar die akte wel degelijk derden schade kon berokkenen door bewijs tegen hen op te leveren, en wel degelijk is opgemaakt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden; dat bijgevolg (...) de telastlegging B bewezen is";
Overwegende dat de appèlrechters aldus hun beslissing waarbij eiseres veroordeeld wordt wegens valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken (telastlegging B), regelmatig met redenen hebben omkleed en naar recht hebben verantwoord; dat bijgevolg de in het middel bekritiseerde vermeldingen van het arrest betreffende het bestaan van een verborgen of verkapte gift geen weerslag hebben op de wettigheid van die beslissing;
Overwegende dat eiseres niet is veroordeeld wegens een handeling of verzuim die op het ogenblik waarop die handeling of dat verzuim plaatsvond, geen misdrijf was volgens het nationale of internationale recht en dat haar evenmin een zwaardere straf is opgelegd dan die welke van toepassing was op het ogenblik van het misdrijf;
Overwegende, ten slotte, dat uit het antwoord op het vierde middel volgt dat eiseres, nu zij, zoals te dezen, ongehinderd tegenspraak heeft kunnen voeren over alle, door het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen tegen haar ingebrachte gegevens en zij door de dagvaarding op de hoogte was van de haar ten laste gelegde feiten, niet kan staande houden dat de in het middel aangevoerde bepalingen zijn geschonden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het zesde middel: schending van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering,
doordat het bestreden arrest de door eiseres opgeworpen prejudiciële exceptie verwerpt, waarin eiseres zich beriep op een eigendomstitel van een pand in de zin van artikel 17 van de wet van 17 april 1878 en hiertoe voornamelijk steunde op de redenen van de eerste rechter;
terwijl de eerste rechter, na de litigieuze akte te hebben omschreven als een akte van verkoop tegen verminderde prijs, vaststelt dat de burgerlijke partijen niet preciseren hoe de vaststelling van een hogere prijs dan de werkelijk betaalde prijs hun nadeel heeft kunnen berokkenen en eiseres vrijspreekt; eiseres vaststelt dat de omschrijving door de eerste rechter van de litigieuze akte als een verkoop tegen verminderde prijs van dien aard is dat het aan het feit elk karakter van misdrijf ontneemt; het bestreden arrest zijn beslissing bijgevolg niet met redenen omkleedt en recht had moeten doen op de door eiseres opgeworpen prejudiciële exceptie, waarin zij betoogde dat de omschrijving van de litigieuze akte van 23 september 1987 precies van dien aard was dat het aan het feit elk karakter van misdrijf ontnam; het bestreden arrest bijgevolg artikel 149 van de Grondwet alsook de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering schendt:
Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet geen verband houdt met de relevantie van het op de conclusies gegeven antwoord, dat het enige is wat bekritiseerd wordt; dat het middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van voornoemde bepaling, faalt naar recht;
Overwegende, voor het overige, dat krachtens artikel 17, derde lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, de rechtbank waarbij een prejudiciële exceptie aanhangig is gemaakt, welke gegrond is op een deugdelijk schijnende titel, de prejudiciële verwijzing alleen kan bevelen als die titel van dien aard is dat hij elk karakter van misdrijf ontneemt aan het feit waarop de vervolging berust;
Dat uit de bewoordingen zelf van de wet blijkt de prejudiciële exceptie niet kan worden aangenomen, wanneer, zoals te dezen, de aangevoerde titel zelf het ten laste gelegde feit oplevert, op grond waarvan de vervolgingen zijn ingesteld;
Dat, bijgevolg, de appèlrechters wettig beslist hebben dat de door eiseres gestelde vraag de bij voornoemd artikel 17 vereiste voorwaarden niet vervulde;
Dat het middel, wat dat betreft, niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.