Hof van Cassatie: Arrest van 16 Juni 2004 (België). RG P040671F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20040616-2
- Rolnummer :
- P040671F
Samenvatting :
De appèlrechters miskennen het recht van verdediging niet, wanneer ze, om de strafmaat te bepalen van de straf die opgelegd wordt aan de beklaagde die wordt veroordeeld wegens verkrachting, verwijzen naar gegevens die eigen zijn aan zijn persoonlijkheid, door erop te wijzen dat hij zich geenszins in vraag stelt (1). (1) Zie Cass., 5 april 2000, AR P.00.0250.F, nr 228.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. P.04.0671.F.-
P. D., beklaagde,
Mr. Olivier Bastyns, advocaat bij de balie te Brussel,
tegen
1. P. J.,
2. W. Y.,
burgerlijke partijen.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser voert twee middelen aan in een memorie, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen eiser ingestelde strafvordering :
Over het eerste middel :
Overwegende dat, in tegenstelling tot wat het middel aanvoert, noch artikel 149 van de Grondwet noch artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering de strafrechter verplichten de wettelijke bepalingen met betrekking tot de procedure te vermelden ;
Dat het middel faalt naar recht ;
Over het tweede middel :
Overwegende dat er geen enkel algemeen beginsel van het recht op stilzwijgen bestaat dat verschilt van het algemeen beginsel van het recht van verdediging ;
Dat het middel in zoverre faalt naar recht ;
Overwegende dat de appèlrechters, voor het overige, om de aan eiser opgelegde straf te motiveren, oordelen "dat er ten slotte grond bestaat vast te stellen dat de beklaagde zich helemaal niet in vraag stelt, wat verontrustend is", de strafmaat niet hebben bepaald door acht te slaan op een verweer dat gevoerd werd om een beschuldiging te weerleggen, maar door te verwijzen naar een gegeven eigen aan de persoonlijkheid van degene die zij dienden te berechten ;
Dat het middel, dat berust op een onjuiste interpretatie van het arrest, feitelijke grondslag mist ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen over de door de verweersters tegen eiser ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen ;
Overwegende dat eiser geen bijzonder middel aanvoert ;
C. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het bevel tot onmiddellijke aanhouding :
Overwegende dat de veroordelende beslissing, wegens verwerping van het daartegen gerichte cassatieberoep, gezag van gewijsde verkrijgt ; dat het tegen de onmiddellijke aanhouding ingestelde cassatieberoep bijgevolg geen bestaansreden meer heeft ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, de raadsheren Jean de Codt, Frédéric Close, Paul Mathieu en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van zestien juni tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal Xavier De Riemaecker, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jean-Pierre Frère en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,
P. D., beklaagde,
Mr. Olivier Bastyns, advocaat bij de balie te Brussel,
tegen
1. P. J.,
2. W. Y.,
burgerlijke partijen.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser voert twee middelen aan in een memorie, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen eiser ingestelde strafvordering :
Over het eerste middel :
Overwegende dat, in tegenstelling tot wat het middel aanvoert, noch artikel 149 van de Grondwet noch artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering de strafrechter verplichten de wettelijke bepalingen met betrekking tot de procedure te vermelden ;
Dat het middel faalt naar recht ;
Over het tweede middel :
Overwegende dat er geen enkel algemeen beginsel van het recht op stilzwijgen bestaat dat verschilt van het algemeen beginsel van het recht van verdediging ;
Dat het middel in zoverre faalt naar recht ;
Overwegende dat de appèlrechters, voor het overige, om de aan eiser opgelegde straf te motiveren, oordelen "dat er ten slotte grond bestaat vast te stellen dat de beklaagde zich helemaal niet in vraag stelt, wat verontrustend is", de strafmaat niet hebben bepaald door acht te slaan op een verweer dat gevoerd werd om een beschuldiging te weerleggen, maar door te verwijzen naar een gegeven eigen aan de persoonlijkheid van degene die zij dienden te berechten ;
Dat het middel, dat berust op een onjuiste interpretatie van het arrest, feitelijke grondslag mist ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen over de door de verweersters tegen eiser ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen ;
Overwegende dat eiser geen bijzonder middel aanvoert ;
C. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het bevel tot onmiddellijke aanhouding :
Overwegende dat de veroordelende beslissing, wegens verwerping van het daartegen gerichte cassatieberoep, gezag van gewijsde verkrijgt ; dat het tegen de onmiddellijke aanhouding ingestelde cassatieberoep bijgevolg geen bestaansreden meer heeft ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, de raadsheren Jean de Codt, Frédéric Close, Paul Mathieu en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van zestien juni tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal Xavier De Riemaecker, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jean-Pierre Frère en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,