Hof van Cassatie: Arrest van 16 Maart 2004 (België). RG P031518N

Datum :
16-03-2004
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20040316-1
Rolnummer :
P031518N

Samenvatting :

De volgens het gemene recht toegekende vergoedingen van de materiële schade die de getroffene lijdt ten gevolge van de tijdelijke en blijvende vermindering van zijn arbeidsgeschiktheid hebben betrekking op dezelfde materiële beroepsschade als die welke wordt gedekt door de vergoedingen die op grond van de Arbeidsongevallenwet worden toegekend (1). (1) Zie Cass., 21 oktober 1992, AR nr 9793, nr 678 en 21 maart 1984, AR nr 3364, nr 416.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Nr. P.03.1518.N
1. K. J., eiser, beklaagde,
2. KETELSLEGERS, b. v. b. a.,
eiseres, civielrechtelijk aansprakelijke partij,
vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
R. J., verweerder, burgerlijke partij.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis, op 16 oktober 2003 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Tongeren.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
De eisers stellen in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Afstand van de cassatieberoepen
Overwegende dat de eisers zonder berusting afstand doen van hun cassatieberoepen omdat ze voorbarig zijn, daar geen eindbeslissing werd gewezen in de zin van artikel 416 Wetboek van Strafvordering;
Overwegende dat het bestreden vonnis beslist over de burgerlijke rechtsvordering van verweerder tegen de eisers; dat het de eisers veroordeelt tot betaling van bepaalde bedragen en intrest aan verweerder en verder beschikt: "Verleent aan (verweerder) voorbehoud voor het verwijderen van het osteo-synthetisch materiaal en de chirurgische ingrepen ter behandeling van mogelijke complicaties zoals voorzien in het (deskundigenverslag). Houdt daartoe de afhandeling dezer burgerlijke belangen aan";
Overwegende dat het toegekende voorbehoud geenszins betrekking heeft op een reeds voor de strafrechter ingestelde vordering maar enkel op de civielrechtelijke vordering die eventueel achteraf voor de bevoegde rechter zal worden ingesteld; dat het bestreden vonnis voorts uitspraak doet over alle punten van de vordering van verweerder en over de kosten zodat de appèlrechters hun rechtsmacht volledig hebben uitgeoefend en het bestreden vonnis een eindbeslissing is, in de zin van artikel 416, Wetboek van Strafvordering, waartegen onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld;
Dat er geen grond bestaat om de gevraagde afstand te verlenen;
B. Onderzoek van de middelen
1. Eerste middel
Overwegende dat de materiële schade die de getroffene lijdt ten gevolge van de tijdelijke en blijvende vermindering van zijn arbeidsongeschiktheid bestaat in een vermindering van zijn waarde op de arbeidsmarkt en, eventueel, ook in de noodzaak van de getroffene zich harder in te spannen bij het volbrengen van zijn normale beroepswerkzaamheden; dat de volgens het gemene recht toegekende vergoedingen van zodanige schade betrekking hebben op dezelfde materiële beroepsschade als die welke wordt gedekt door de vergoedingen die op grond van de Arbeidsongevallenwet worden toegekend;
Overwegende dat de rechters oordelen dat de uitkeringen van de arbeidsongevallenverzekeraar de meerinspanningen om het inkomen te handhaven niet dekken en op grond hiervan de eisers veroordelen tot betaling aan verweerder van 3.101,92 euro in hoofdsom met intrest als vergoeding wegens meerinspanningen tijdens de tijdelijke arbeidsongeschiktheid en van 25.000 euro in hoofdsom met intrest wegens materiële schade, uitsluitend bestaande uit meerinspanningen, en morele schade vermengd, tijdens de blijvende arbeidsongeschiktheid;
dat zij aldus artikel 46, ,§2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet schenden;
Dat het middel gegrond is;
2. Tweede middel
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers en verweerder erover akkoord gingen dat nog een zevende voorschot aan verweerder, te weten het voorschot betaald op 23 november 1995 ten bedrage van &§1028; 1.983,15 (of 80.000 F) werd betaald, terwijl het bestreden vonnis met dit voorschot geen rekening houdt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het verweerder schadevergoeding toekent wegens "7. Tijdelijke (arbeidsongeschiktheid): meerinspanningen" en "10. Blijvende (arbeidsongeschiktheid): morele en materiële schade" en in zoverre het geen rekening houdt met het aan verweerder op 23 november 1995 betaalde voorschot van &§1028; 1.983,15;
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis;
Veroordeelt verweerder in negen tiende van de kosten en de eisers in één tiende daarvan;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Hasselt, zitting houdende in hoger beroep.
Gezegde kosten begroot op de som van tweehonderd en acht euro een cent, waarvan zesenzestig euro drieënvijftig cent verschuldigd en honderd eenenveertig euro achtenveertig cent door de eisers betaald.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zestien maart tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.