Hof van Cassatie: Arrest van 16 Maart 2015 (België). RG S.13.0055.F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20150316-3
- Rolnummer :
- S.13.0055.F
Samenvatting :
Artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 verruimt de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders tot de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer: de voorwaarden van die bepaling zijn slechts vervuld wanneer het goederenvervoer is opgedragen aan de personen die ze verrichten, door de onderneming tot wiens ondernemer de toepassing van de wet verruimd is (1). (1) Zie concl. OM in Pas 2015, nr.
Arrest :
Nr. S.13.0055.F
MB-TRANS nv,
Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling,
Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 1 april 2010.
Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 30 januari 2015 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Afdelingsvoorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
- artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Aangevochten beslissingen
Het arrest verklaart "het hoger beroep ontvankelijk en gegrond".
Het arrest steunt zijn beslissing op de volgende redenen:
"De voorwaarden die vervuld moeten worden om het vermoeden toe te kunnen passen kunnen als volgt worden samengevat:
- de uitgeoefende activiteit moet betrekking hebben op goederenvervoer,
- het vervoer moet zijn opgedragen door een onderneming,
- het vervoer moet worden verricht door middel van voertuigen waarvan de vervoerder geen eigenaar is of waarvan de aankoop gefinancierd wordt of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer;
Wat de eerste voorwaarde betreft, wordt niet betwist of kan niet betwist worden dat de verrichte activiteit wel degelijk betrekking heeft op goederenvervoer;
Wat de tweede voorwaarde betreft, duidt het onbepaald lidwoord 'een' een persoon of een zaak op onbepaalde wijze aan, waarbij het essentieel is dat het een 'onderneming' betreft, wat betekent, in de gebruikelijke zin van het woord, een economische productie-eenheid in de meest ruime betekenis van het woord, ongeacht haar juridische vorm (zie in dat verband de definitie in de gebruikelijke woordenboeken). Het volstaat dus dat een onderneming opdracht heeft gegeven tot het vervoer. Dat kan dus de eiseres of een andere onderneming zijn. Het is dus onbelangrijk dat de vervoerders nooit individueel een bestelorder van de eiseres zouden hebben ontvangen maar steeds en rechtstreeks van een andere on-derneming. De tweede voorwaarde is dus eveneens vervuld;
De derde voorwaarde kent een alternatief en slechts één ervan moet vervuld zijn. Het vervoer moet verricht zijn door middel van voertuigen waarvan de vervoerder geen eigenaar is (voornaamste alternatief) of waarvan de aankoop gefinancierd wordt of de financiering gewaarborgd is door de ondernemer (wat dit aanvullende alternatief betreft, merkt men terloops en ten overvloede op dat de onderneming in kwestie, de opdrachtgever van het vervoer blijkt te zijn);
Uit het voorafgaande blijkt dat aan het voornaamste alternatief van de derde voorwaarde eveneens voldaan is [...], met dien verstande bovendien dat het niet is omdat de vervoerders aandeelhouder zijn of mede de onderhoudskosten van de trekkers dragen, dat concreet aangetoond is dat zij als natuurlijke personen eigenaar van de vrachtwagens zijn".
Het arrest leidt daaruit af dat "de te vervullen voorwaarden om het vermoeden van artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 26 november 1969 te kunnen toepassen te dezen verenigd zijn ".
Grieven
Krachtens artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst; alsdan wijst de Koning de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd.
Volgens artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de toepassing van de wet verruimd tot de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer.
Die bepaling maakt dus het verschil tussen, enerzijds, de personen die vervoer van goederen verrichten en, anderzijds, de ondernemer die het vervoer van goederen opdraagt, die de Koning aanwijst als de persoon die als werkgever wordt beschouwd in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969. Artikel 2, § 1, 1° in fine, van de wet van 27 juni 1969 bepaalt immers dat "de Koning de persoon aanwijst die als werkgever wordt beschouwd".
Bovendien oordeelt het Hof van Cassatie dat het voor de verruiming en de onderwerping volstaat dat alle door de wet bepaalde feitelijke elementen verenigd zijn zonder enige andere voorwaarde te moeten vervullen of het bestaan van enige band van ondergeschiktheid te moeten aantonen.
Als die elementen verenigd zijn, stelt artikel 3, 5°, een onweerlegbaar vermoeden in waarbij de betrokken werknemers arbeidsprestaties tegen loon verrichten onder het gezag van een andere persoon of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst zonder juridisch onder het gezag van een andere persoon te staan.
Ook moeten de bij wet bepaalde feitelijke elementen wel degelijk en duidelijk verenigd zijn om het wettelijk vermoeden te kunnen toepassen.
Te dezen oordeelt het arrest met de in het middel overgenomen redenen dat "wat de tweede voorwaarde betreft", "het gebruik van het onbepaald lidwoord 'een' dient om een persoon of een zaak op onbepaalde wijze aan te wijzen, het essentieel is dat het een 'onderneming' betreft" en dat " het aldus de eiseres of om het even welke andere onderneming kan zijn; dat zo het feit dat de vervoerders nooit individueel een bestelorder van de eiseres zouden hebben ontvangen maar steeds en rechtstreeks van een andere onderneming, geen weerslag heeft".
Zodoende erkent het arrest inzake de toepassing van het voornoemde wettelijk vermoeden dat de bestellingen die de vervoerders krijgen kunnen uitgaan van een derde onderneming, en niet enkel van de onderneming van de exploitant.
Het arrest dat op grond van de voorafgaande overwegingen beslist dat in dit geval de toepassingsvoorwaarden van het vermoeden van artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 en 2, § 1, van de wet van 27 juni 1969 verenigd zijn, miskent bijgevolg de wettelijke draagwijdte van dat vermoeden (schending van de in het middel aangevoerde bepalingen).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Luidens artikel 2, 1 [lees §1], 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties on-der het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in ge-lijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst; alsdan wijst de Koning de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd.
Tot uitvoering van die bepaling verruimt artikel 3, 5°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, de toepassing van die wet tot de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financie-ring gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer.
De voorwaarden van die bepaling zijn slechts vervuld wanneer het goederenver-voer is opgedragen aan de personen die ze verrichten door de onderneming waar-van de exploitatie bij uitbreiding onder toepassing van de wet valt.
Als het arrest vaststelt dat het goederenvervoer verricht werd door middel van voertuigen waarvan de vervoerders geen eigenaar waren, schendt het de voor-noemde wettelijke bepalingen wanneer het oordeelt dat de voorwaarden van arti-kel 3, 5°, vervuld waren op grond dat "het volstaat dat een onderneming opdracht heeft gegeven tot het vervoer, dat het aldus de eiseres of een andere onderneming kan [...] zijn" en dat "het dus onbelangrijk is dat de vervoerders nooit individueel een bestelorder van de eiseres zouden hebben ontvangen maar steeds en recht-streeks van een andere onderneming".
Het middel is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 16 maart 2015 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Vanessa Van de Sijpe.
De griffier, De afdelingsvoorzitter,