Hof van Cassatie: Arrest van 17 Februari 1995 (België). RG C930137N

Datum :
17-02-1995
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19950217-1
Rolnummer :
C930137N

Samenvatting :

Wanneer bij de overeenkomst bedongen is dat hij die in gebreke blijft deze uit te voeren als schadevergoeding een bepaalde som zal betalen, vermag de rechter niet te beslissen, op de enkele grond dat de gevorderde schadevergoeding buitensporig is, dat het beding geen strafbeding is en dat het gepast is een kleinere som toe te kennen dan was bedongen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 16 december 1991 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen;
Over het tweede onderdeel van het middel, gesteld als volgt : schending van artikelen 1134, 1252 (lees : 1152), 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, en voor zover als nodig van artikelen 6, 1108, 1131, 1133, 1226, 1229 en 1231 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het aangevochten arrest, na de tussen partijen gesloten overeenkomsten ontbonden te hebben ten laste van eiseres, en geoordeeld te hebben dat zij wegens niet betaling van facturen en een daaraan gekoppeld boetebeding 64.344 BEF aan verweerster verschuldigd is, overweegt dat "de schadevergoeding die (verweerster) vordert op grond van art. 14 van de overeenkomsten buitensporig is; dat (verweerster) de betreffende kleding immers elders kan gebruiken; dat het daarom gepast lijkt om die reden de gevorderde vergoeding op 20% te brengen; dat voor deze post (eiseres) 113.620 fr. verschuldigd is aan (verweerster)" (p. 5-6), en eiseres op die grond veroordeelt tot betaling van een hoofdsom van 178.164 fr. te vermeerderen met gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding en een deel der gerechtskosten,
terwijl, in bedoeld artikel 14 van deze overeenkomsten voor zover dit als een strafbeding wegens wanprestatie van eiseres moet worden beschouwd - een forfaitaire en onverminderbare schadevergoeding bedongen werd van 50% van de bedragen welke gefactureerd zouden worden tot het einde van het contract;
Het hof van beroep niet vastgesteld heeft dat het als strafbeding overeengekomen bedrag geen forfaitaire vergoeding kan zijn van de schade die verweerster ten gevolge van de wanprestatie van eiseres zou hebben kunnen leiden, en aldus nietig is,
De feitenrechter de bij wijze van een schadebeding bedongen sommen niet vermag te verhogen, of te herleiden,
Het hof van beroep evenmin de gedeeltelijke uitvoering door eiseres van haar verbintenissen vaststelt,
zodat het hof van beroep niet vermocht de tussen partijen overeengekomen vergoedingen te herleiden (schending van artikel 1252 (lees : 1152), en voor zover als nodig van artikelen 6, 1108, 1131, 1133, 1226, 1229 en 1231 van het Burgerlijk Wetboek) :
Overwegende dat, krachtens artikel 1152 van het Burgerlijk Wetboek, wanneer bij de overeenkomst bedongen is dat hij die in gebreke blijft deze uit te voeren, als schadevergoeding een bepaalde som zal betalen, aan de andere partij geen grotere noch kleinere som kan worden toegekend;
Dat de appelrechters oordelen dat de door eiseres op grond van artikel 14 van de tussen partijen gesloten overeenkomsten gevorderde schadevergoeding bij verbreking van het contract "buitensporig" is en dat het daarom gepast is de gevorderde vergoeding op 20 pct. te brengen;
Dat zij op die enkele grond niet vermochten te beslissen dat het beding geen strafbeding was, en zij derhalve geen kleinere som mochten toekennen dan bedongen was;
Dat het onderdeel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de op grond van artikel 14 van de overeenkomst gevorderde vergoeding en over de kosten;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.