Hof van Cassatie: Arrest van 17 Mei 1993 (België). RG 8309

Datum :
17-05-1993
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19930517-1
Rolnummer :
8309

Samenvatting :

Voor de vaststelling van het recht op bestaansminimum wordt ook rekening gehouden met de in aanmerking te nemen inkomsten waarop beslag is gelegd wegens onderhoudsverplichtingen als bedoeld in art. 1412 Ger. W. (Art. 5 Bestaansminimumwet; artt. 12 e.v. K.B. 30 okt. 1974).

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 8 mei 1992 door het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : "schending van artikelen 1, alinéa 1, eerste lid en 5, alinéa alinéa 1 en 2 (gewijzigd bij wet van 5 januari 1976 en koninklijk besluit van 19 november 1988), van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, en 12 van het koninklijk besluit van 30 oktober 1974 houdende algemeen reglement betreffende het bestaansminimum (gewijzigd bij koninklijke besluiten van 8 juli 1988 en 14 augustus 1989),
doordat het arbeidshof in de bestreden beslissing, na te hebben vastgesteld dat de betwisting betrekking had op "de bij de berekening der bestaansmiddelen met het oog op de toekenning van het bestaansminimum, al dan niet mede in te calculeren werkloosheidsuitkeringen waarop beslag is gelegd tot gedwongen uitvoering van onderhoudsverplichtingen", oordeelt dat verweerder niet over voldoende bestaansmiddelen beschikte en derhalve gerechtigd was op het bestaansminimum, op grond van de motieven" dat betrokkene over de betreffende uitkeringen inderdaad niet effectief kon beschikken gezien daarop sinds 26.6.1990 integraal beslag was gelegd. Bij nader toezien houden de vigerende voorschriften van de bestaansminimumwet derhalve in dat bij de nodige bestaansmiddelenbegroting geen rekening meer is te houden met de door de verzoeker voordien verkregen doch op datum van zijn aanvraag tot toekenning van het bestaansminimum reeds verbruikte of mogelijk verkwiste inkomsten. Naast de overige toekenningsvoorwaarden waaraan elke aanvrager uiteraard moet voldoen, geldt alleen zijn actuele vermogenstoestand als doorslaggevend criterium teneinde uit te maken of zijn bestaansmiddelen degelijk ontoereikend zijn en bijgevolg geen aanspraak op het bestaansminimum verantwoorden. (...) Waar de wet d.d. 7.8.1974 het recht op een bestaansminimum waarborgt ten behoeve van belanghebbenden wiens bestaansmiddelen niet toereikend zijn, ongeacht de oorzaak van deze vast te stellen realiteit, en bij een objectieve appreciatie dienaangaande daarom enkel rekening is te houden met de bestaansmiddelen waarover hij de vrije beschikking heeft om te voorzien in zijn levensbehoeften, moet in hoofde van (verweerder) onmiskenbaar worden in acht genomen dat hij te dien einde eigenlijk niet beschikt over werkloosheidsuitkeringen gezien deze volledig in beslag zijn genomen (...)" (arrest blz. 5),
terwijl overeenkomstig artikel 1, alinéa 1 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum eenieder (...) die geen toereikende bestaansmiddelen heeft, noch in staat is deze hetzij door eigen inspanningen hetzij op een andere manier te verwerven, recht heeft op een bestaansminimum; overeenkomstig artikel 5, alinéa 1 van dezelfde wet alle bestaansmiddelen in aanmerking komen van welke aard en oorsprong ook, waarover de belanghebbende (...) beschikt, met inbegrip van alle uitkeringen krachtens een Belgische of buitenlandse sociale wetgeving; te dezen niet betwist werd dat verweerder gerechtigd was op werkloosheidsuitkeringen ten belope van 29 770 frank; deze werkloosheidsuitkeringen als bestaansmiddelen, in de zin van bovengenoemde wetsbepalingen, dienen te worden in acht genomen; artikel 5, alinéa 2 van genoemde wet bestaansmiddelen opsomt waarmee geen rekening dient te worden gehouden ter bepaling van het recht op bestaansminimum; ook in artikel 12 van het ter uitvoering van genoemde wet uitgevaardigd koninklijk besluit van 30 oktober 1974 houdende algemeen reglement betreffende het bestaansminimum, bepaalde bestaanmiddelen worden opgesomd die niet in acht moeten worden genomen ter bepaling van het recht op een bestaansminimum, zoals onderhoudsgelden die de aanvrager van het bestaansminimum ontvangt voor ongehuwde minderjarige kinderen die te zijnen laste zijn (artikel 12, enig lid, C); aldus op limitatieve wijze de bestaansmiddelen worden opgesomd die niet in aanmerking dienen te worden genomen; tot deze uitzonderingsregels niet behoren, noch de als onderhoudsgelden door de aanvrager te betalen vergoedingen, noch de sommen waarop door derden geheel of gedeeltelijk beslag werd gelegd; de wet op het bestaansminimum evenmin als voorwaarde voor het als bestaansmiddelen in acht nemen van bepaalde sommen stelt dat de betrokkene "de vrije beschikking" dient te hebben over deze sommen om in zijn levensbehoeften te voorzien,
zodat het arbeidshof in de bestreden beslissing, door de uitkeringen die verweerder wegens werkloosheid ontving, doch die het voorwerp uitmaakten van een beslagmaatregel, niet als bestaansmiddelen op te vatten in de zin van de wet op het bestaansminimum niet alleen het wettelijk begrip "bestaansmiddelen" miskent, minstens het door de wet bedoelde "beschikken over bestaansmiddelen" (schending van artikelen 1, alinéa 1 en 5, alinéa 1 van de wet van 7 augustus 1974), doch tevens op onwettige wijze de uitzonderingsregels voorzien in de wet en in het uitvoeringsbesluit uitbreidt tot niet voorziene gevallen (schending van artikelen 5, alinéa 2 van genoemde wet en 12 van het koninklijk besluit van 30 oktober 1974)" :
Overwegende dat, naar luid van artikel 5, alinéa 1, van de Bestaansminimumwet van 7 augustus 1974, voor het berekenen van de bestaansmiddelen "alle bestaansmiddelen in aanmerking (komen) van welke aard en oorsprong ook, waarover de belanghebbende echtgenoten, de samenwonende persoon of de alleenstaande persoon beschikken, met inbegrip van alle uitkeringen krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving. Kunnen eveneens in aanmerking worden genomen binnen de perken bepaald door de Koning, de bestaansmiddelen van de persoon met wie de aanvrager samenwoont";
Overwegende dat artikel 5, alinéa 2, van de Bestaansminimumwet inkomsten vermeldt waarmee bij het berekenen van de bestaansmiddelen geen rekening mag worden gehouden; dat de artikelen 12 en volgende van het koninklijk besluit van 30 oktober 1974 houdende algemeen reglement betreffende het bestaansminimum, nog andere inkomsten aanwijzen die, hetzij voor het geheel, hetzij gedeeltelijk, niet in aanmerking komen; dat in deze uitzonderingsbepalingen niet zijn begrepen de verworven inkomsten die in beslag worden genomen wegens schulden, zij het verschuldigd onderhoudsgeld of achterstallen;
Overwegende dat derhalve voor de berekening van de in acht te nemen bestaansmiddelen al de inkomsten van de aanvrager in rekening dienen te worden gebracht, ongeacht hun aard of oorsprong en vóór elk beslag verricht wegens onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek;
Overwegende dat de appelrechters, door de werkloosheidsuitkeringen waarop verweerder gerechtigd is, niet in aanmerking te nemen voor het berekenen van de bestaansmiddelen van verweerder omdat "in hoofde van (verweerder) onmiskenbaar in acht (moet worden) genomen dat hij te dien einde eigenlijk niet beschikt over werkloosheidsuitkeringen gezien deze volledig in beslag zijn genomen", een uitzondering toevoegen aan de in het middel vermelde wettelijke bepalingen welke in de wet niet is bepaald, mitsdien deze wettelijke bepalingen schenden;
Dat het middel gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het over de ontvankelijkheid van het hoger beroep uitspraak doet; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt eiser in de kosten; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen.