Hof van Cassatie: Arrest van 17 November 1998 (België). RG P981360F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19981117-3
- Rolnummer :
- P981360F
Samenvatting :
Samenvatting 1
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 30 oktober 1998 gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel;
Over het eerste middel : schending van de artikelen 2 en 837 van het Gerechtelijk Wetboek:
doordat de kamer van inbeschuldigingstelling voornoemd artikel niet heeft toegepast, op grond dat het niet verenigbaar was met de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis,
terwijl artikel 837, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt : "te rekenen van de dag van de mededeling aan de rechter worden alle vonnissen en verrichtingen geschorst". De kamer van inbeschuldigingstelling heeft die bepalingen niet toegepast, op grond dat zij niet verenigbaar waren "in de zin van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek met de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis, die betrekking hebben op de akten en beslissingen die ertoe strekken de openbare veiligheid te waarborgen en die binnen een dwingende wettelijke termijn moeten worden genomen". De kamer van inbeschuldigingstelling heeft met andere woorden geoordeeld dat het wegens tijdsgebrek onmogelijk was om artikel 837, eerste lid, toe te passen en het dus onmogelijk was om de onderzoeksrechter die wegens een vordering tot wraking verhinderd was te vervangen overeenkomstig voornoemd artikel 837, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het openbaar ministerie dat belang zou hebben gehad bij de verlenging van de alternatieve maatregelen, had evenwel, gelet op de niettemin zeer relatieve dringende noodzakelijkheid (op 9 september 1998, d.i. de datum waarop de bestreden beschikking is gewezen, bleven er nog 13 dagen over voor de hernieuwing), overeenkomstig artikel 837, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek moeten vorderen dat die maatregelen zouden worden hernieuwd door een andere rechter die vooraf zou zijn aangewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, wat niet is gebeurd. In dat verband moet worden gewezen op het feit dat het parket, in onderhavige zaak, onderzoeksrechter Leys achteraf heeft doen vervangen bij een beschikking van 13 oktober 1998, waarbij de zaak aan onderzoeksrechter Leys werd onttrokken en de onderzoeksrechter Van Espen als zijn vervanger werd aangewezen met het oog op de terechtzitting van 14 oktober 1998 van de raadkamer, waarbij het verzoek van 9 oktober 1998 van eiser tot cassatie aanhangig was gemaakt. Aldus is, met andere woorden, gebleken dat een onderzoeksrechter wel degelijk binnen een korte termijn, namelijk 4 dagen na de neerlegging van het verzoekschrift van 9 oktober 1988, kon worden vervangen. Overigens is die motivering in strijd met de houding die de onderzoeksrechter Leys uit eigen beweging heeft aangenomen naar aanleiding van een door hem bevolen internationale ambtelijke opdracht in het Groothertogdom Luxemburg. In een brief van 8 september 1998 heeft onderzoeksrechter Leys op een brief van 3 september 1998 die de Luxemburgse rechter naar aanleiding van de hierboven vermelde ambtelijke opdracht geschreven had, geantwoord dat hij wegens de lopende wrakingsprocedure verhinderd was om er onmiddellijk gevolg aan te geven, wat bewijst dat de door de kamer van inbeschuldigingstelling aangevoerde onverenigbaarheid in concreto moet worden beoordeeld. Zodra artikel 837, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verenigbaar kan zijn met de bepalingen van de strafwet, meer bepaald met die van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis, moet voornoemd artikel bijgevolg toegepast worden, wat, te dezen, het weze herhaald, perfect mogelijk was, gelet op de termijn waarover het openbaar ministerie beschikte. Wat dat betreft wist het openbaar ministerie reeds op 29 juni 1998 dat eiser tot cassatie een akte van wraking had neergelegd
, zodat het tussen die datum en de einddatum van de termijn waarbinnen de beschikking tot verlenging van de alternatieve maatregelen moest worden gewezen, tijd genoeg had om de gewenste schikkingen te treffen teneinde de verhinderde onderzoeksrechter Leys te vervangen, hetgeen niet is gebeurd. Bijgevolg schendt het bestreden arrest de artikelen 2 en 837 van het Gerechtelijk Wetboek, nu het beslist dat artikel 837 onmogelijk kan worden toegepast omdat een dwingende wettelijke termijn moet worden nageleefd :
Overwegende dat de eigenschappen en de doelstellingen van de procedure inzake voorlopige hechtenis, met name de zeer korte en dwingende termijnen van de wet van 20 juli 1990, overeenkomstig artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, in de weg staan aan de toepassing van artikel 837 van voornoemd wetboek;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het tweede middel : schending van artikel 59 van het Wetboek van Strafvordering,
doordat de kamer van inbeschuldigingstelling beslist heeft dat onderzoeksrechter Van Espen wettelijk gemachtigd was om de alternatieve maatregelen in zijn beschikking van 9 september 1998 te verlengen in de plaats van onderzoeksrechter Leys, aan wie het betrokken onderzoek (op dat ogenblik) niet was onttrokken;
terwijl artikel 59 van het Wetboek van Strafvordering de wijze van aanhangigmaking van de zaak bij de onderzoeksrechter bepaalt, waar het preciseert dat hij niet uit eigen beweging kan handelen, wat betekent dat een vordering van de procureur des Konings vereist is; in onderhavige zaak is gebleken dat onderzoeksrechter Leys, ofschoon hij verhinderd was wegens de door eiser tot cassatie op 29 juni 1998 tegen hem ingestelde wrakingsprocedure, zich minstens tot tweemaal toe en in ieder geval voor de beschikking van 9 september 1998 tot verlenging van de alternatieve maatregelen heeft doen vervangen door onderzoeksrechter Van Espen, opdat laatstgenoemde teneinde in zijn naam en in zijn plaats de door hem daarover gewezen beschikking zou verlengen; het woord "loco" dat in voornoemde beschikking tweemaal is gebruikt, betekent dat onderzoeksrechter Leys is vervangen door onderzoeksrechter Van Espen en wel op initiatief van rechter Leys zelf. Artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt evenwel zeer uitdrukkelijk dat, wanneer een wrakingsprocedure wordt ingeleid, de rechter tegen wie die procedure is ingeleid, niet alleen geen vonnissen meer mag wijzen, maar tevens geen enkele verrichting meer mag uitvoeren. Te dezen is de beschikking van 9 september 1998 ontegenzeglijk een verrichting, ja zelfs een vonnis. In werkelijkheid werd die beschikking gewezen namens onderzoeksrechter Leys en niet door onderzoeksrechter Van Espen. Toch blijkt uit het strafdossier niet dat onderzoeksrechter Leys, wegens de wrakingsprocedure, vervangen is door onderzoeksrechter Van Espen , ofschoon die vervanging mogelijk was geweest krachtens artikel 837, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft bijgevolg artikel 59 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, nu zij, zonder trouwens de gronden van haar beslissing op te geven, beslist dat onderzoeksrechter Van Espen gemachtigd was om rechtsgeldig de beslissing van 9 september 1998 te nemen :
Overwegende dat luidens artikel 322 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechters van een rechtbank van eerste aanleg elkaar kunnen vervangen in geval van verhindering, zonder dat daartoe een bijzondere beschikking van de voorzitter vereist is; dat die regeling tevens van toepassing is op de onderzoeksrechters onder elkaar in de rechtbanken waar er twee of meer zijn;
Overwegende dat rechter Van Espen bijgevolg, nu hij door de Koning is aangewezen als onderzoeksrechter, bij de beslissing over eisers verzoek tot opheffing van de voorwaarden voor zijn invrijheidsstelling zijn ambtsgenoot Leys, die wettig verhinderd was wegens de door eiser tegen hem ingeleide wrakingsprocedure, wettig vervangen heeft;
Dat het middel faalt naar recht;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gelet op het bestreden arrest, op 30 oktober 1998 gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel;
Over het eerste middel : schending van de artikelen 2 en 837 van het Gerechtelijk Wetboek:
doordat de kamer van inbeschuldigingstelling voornoemd artikel niet heeft toegepast, op grond dat het niet verenigbaar was met de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis,
terwijl artikel 837, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt : "te rekenen van de dag van de mededeling aan de rechter worden alle vonnissen en verrichtingen geschorst". De kamer van inbeschuldigingstelling heeft die bepalingen niet toegepast, op grond dat zij niet verenigbaar waren "in de zin van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek met de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis, die betrekking hebben op de akten en beslissingen die ertoe strekken de openbare veiligheid te waarborgen en die binnen een dwingende wettelijke termijn moeten worden genomen". De kamer van inbeschuldigingstelling heeft met andere woorden geoordeeld dat het wegens tijdsgebrek onmogelijk was om artikel 837, eerste lid, toe te passen en het dus onmogelijk was om de onderzoeksrechter die wegens een vordering tot wraking verhinderd was te vervangen overeenkomstig voornoemd artikel 837, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het openbaar ministerie dat belang zou hebben gehad bij de verlenging van de alternatieve maatregelen, had evenwel, gelet op de niettemin zeer relatieve dringende noodzakelijkheid (op 9 september 1998, d.i. de datum waarop de bestreden beschikking is gewezen, bleven er nog 13 dagen over voor de hernieuwing), overeenkomstig artikel 837, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek moeten vorderen dat die maatregelen zouden worden hernieuwd door een andere rechter die vooraf zou zijn aangewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, wat niet is gebeurd. In dat verband moet worden gewezen op het feit dat het parket, in onderhavige zaak, onderzoeksrechter Leys achteraf heeft doen vervangen bij een beschikking van 13 oktober 1998, waarbij de zaak aan onderzoeksrechter Leys werd onttrokken en de onderzoeksrechter Van Espen als zijn vervanger werd aangewezen met het oog op de terechtzitting van 14 oktober 1998 van de raadkamer, waarbij het verzoek van 9 oktober 1998 van eiser tot cassatie aanhangig was gemaakt. Aldus is, met andere woorden, gebleken dat een onderzoeksrechter wel degelijk binnen een korte termijn, namelijk 4 dagen na de neerlegging van het verzoekschrift van 9 oktober 1988, kon worden vervangen. Overigens is die motivering in strijd met de houding die de onderzoeksrechter Leys uit eigen beweging heeft aangenomen naar aanleiding van een door hem bevolen internationale ambtelijke opdracht in het Groothertogdom Luxemburg. In een brief van 8 september 1998 heeft onderzoeksrechter Leys op een brief van 3 september 1998 die de Luxemburgse rechter naar aanleiding van de hierboven vermelde ambtelijke opdracht geschreven had, geantwoord dat hij wegens de lopende wrakingsprocedure verhinderd was om er onmiddellijk gevolg aan te geven, wat bewijst dat de door de kamer van inbeschuldigingstelling aangevoerde onverenigbaarheid in concreto moet worden beoordeeld. Zodra artikel 837, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verenigbaar kan zijn met de bepalingen van de strafwet, meer bepaald met die van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis, moet voornoemd artikel bijgevolg toegepast worden, wat, te dezen, het weze herhaald, perfect mogelijk was, gelet op de termijn waarover het openbaar ministerie beschikte. Wat dat betreft wist het openbaar ministerie reeds op 29 juni 1998 dat eiser tot cassatie een akte van wraking had neergelegd
, zodat het tussen die datum en de einddatum van de termijn waarbinnen de beschikking tot verlenging van de alternatieve maatregelen moest worden gewezen, tijd genoeg had om de gewenste schikkingen te treffen teneinde de verhinderde onderzoeksrechter Leys te vervangen, hetgeen niet is gebeurd. Bijgevolg schendt het bestreden arrest de artikelen 2 en 837 van het Gerechtelijk Wetboek, nu het beslist dat artikel 837 onmogelijk kan worden toegepast omdat een dwingende wettelijke termijn moet worden nageleefd :
Overwegende dat de eigenschappen en de doelstellingen van de procedure inzake voorlopige hechtenis, met name de zeer korte en dwingende termijnen van de wet van 20 juli 1990, overeenkomstig artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, in de weg staan aan de toepassing van artikel 837 van voornoemd wetboek;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het tweede middel : schending van artikel 59 van het Wetboek van Strafvordering,
doordat de kamer van inbeschuldigingstelling beslist heeft dat onderzoeksrechter Van Espen wettelijk gemachtigd was om de alternatieve maatregelen in zijn beschikking van 9 september 1998 te verlengen in de plaats van onderzoeksrechter Leys, aan wie het betrokken onderzoek (op dat ogenblik) niet was onttrokken;
terwijl artikel 59 van het Wetboek van Strafvordering de wijze van aanhangigmaking van de zaak bij de onderzoeksrechter bepaalt, waar het preciseert dat hij niet uit eigen beweging kan handelen, wat betekent dat een vordering van de procureur des Konings vereist is; in onderhavige zaak is gebleken dat onderzoeksrechter Leys, ofschoon hij verhinderd was wegens de door eiser tot cassatie op 29 juni 1998 tegen hem ingestelde wrakingsprocedure, zich minstens tot tweemaal toe en in ieder geval voor de beschikking van 9 september 1998 tot verlenging van de alternatieve maatregelen heeft doen vervangen door onderzoeksrechter Van Espen, opdat laatstgenoemde teneinde in zijn naam en in zijn plaats de door hem daarover gewezen beschikking zou verlengen; het woord "loco" dat in voornoemde beschikking tweemaal is gebruikt, betekent dat onderzoeksrechter Leys is vervangen door onderzoeksrechter Van Espen en wel op initiatief van rechter Leys zelf. Artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt evenwel zeer uitdrukkelijk dat, wanneer een wrakingsprocedure wordt ingeleid, de rechter tegen wie die procedure is ingeleid, niet alleen geen vonnissen meer mag wijzen, maar tevens geen enkele verrichting meer mag uitvoeren. Te dezen is de beschikking van 9 september 1998 ontegenzeglijk een verrichting, ja zelfs een vonnis. In werkelijkheid werd die beschikking gewezen namens onderzoeksrechter Leys en niet door onderzoeksrechter Van Espen. Toch blijkt uit het strafdossier niet dat onderzoeksrechter Leys, wegens de wrakingsprocedure, vervangen is door onderzoeksrechter Van Espen , ofschoon die vervanging mogelijk was geweest krachtens artikel 837, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft bijgevolg artikel 59 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, nu zij, zonder trouwens de gronden van haar beslissing op te geven, beslist dat onderzoeksrechter Van Espen gemachtigd was om rechtsgeldig de beslissing van 9 september 1998 te nemen :
Overwegende dat luidens artikel 322 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechters van een rechtbank van eerste aanleg elkaar kunnen vervangen in geval van verhindering, zonder dat daartoe een bijzondere beschikking van de voorzitter vereist is; dat die regeling tevens van toepassing is op de onderzoeksrechters onder elkaar in de rechtbanken waar er twee of meer zijn;
Overwegende dat rechter Van Espen bijgevolg, nu hij door de Koning is aangewezen als onderzoeksrechter, bij de beslissing over eisers verzoek tot opheffing van de voorwaarden voor zijn invrijheidsstelling zijn ambtsgenoot Leys, die wettig verhinderd was wegens de door eiser tegen hem ingeleide wrakingsprocedure, wettig vervangen heeft;
Dat het middel faalt naar recht;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.