Hof van Cassatie: Arrest van 18 Maart 1994 (België). RG F2004N

Datum :
18-03-1994
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19940318-1
Rolnummer :
F2004N

Samenvatting :

Geen interest wordt toegekend bij de terugbetaling van overbelastingen als bedoeld bij art. 277, alinéa 1, W.I.B. die na het verstrijken van de termijn van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt (Art. 309, eerste lid, 3°, W.I.B.; art. 419, eerste lid, 3°, W.I.B./92).

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 28 april 1992 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 308 en 309, 3° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen,
doordat het arrest - na te hebben gesteld dat de betwisting betrekking heeft op roerende voorheffing geheven op royalties vervallen op 7 december 1981 en door toekomstig verweerster uitgekeerd aan G.A.F. Corporation (U.S.A.), dat de aanslag in de roerende voorheffing werd ingekohierd op 28 december 1984 en het aanslagbiljet werd verzonden op 4 januari 1985, dat de directeur terecht heeft beslist dat het bezwaarschrift ingediend op 10 december 1985 niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid, en dat beide partijen, na de tijdige neerlegging door toekomstig verweerster van een reeks nieuwe stukken waaruit blijkt dat G.A.F. Corporation (U.S.A.) de royalties heeft aangegeven in de U.S.A., thans in hun conclusies voor het Hof aanvaarden dat op grond van artikel 12 van het Dubbelbelastingverdrag met de U.S.A. en artikel 277 alinéa 1 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen ontheffing dient te worden verleend voor een belastbare grondslag van 4.547.883 Fr., zijnde de tegenwaarde in Belgische Frank van de bedoelde royalties aan de gemiddelde wisselkoers van 37,93 BEF, - beslist dat het eventueel reeds teveel betaalde dient terugbetaald vermeerderd met de moratoriuminteresten,
terwijl, ...
tweede onderdeel, het hof van beroep, rechtsprekende over een voorziening gericht tegen een beslissing van de directeur der directe belastingen waarbij het bezwaarschrift wegens laattijdigheid niet-ontvankelijk werd verklaard - beschikking die door het bestreden arrest wordt bevestigd - en waarbij geen ontheffing werd verleend op grond van artikel 277, alinéa 1 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, gebonden is door de wetsbepaling die de directeur zelf moest in acht nemen voor wat betreft het al dan niet toekennen van moratoriuminteresten op de terug te betalen bedragen en derhalve, zonder een schending van artikel 309, eerste lid, 3° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, geen moratoriuminteresten kon toekennen die de directeur krachtens voormeld artikel 309, eerste lid, 3° niet mocht toekennen in het kader van de administratieve fase van het geschil :
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat het arrest vaststelt dat : 1. de betwisting betrekking heeft op de roerende voorheffing geheven op royalties vervallen op 7 december 1981; 2. de aanslag in de roerende voorheffing werd ingekohierd op 28 december 1984; 3. het aanslagbiljet werd verzonden op 4 januari 1985; 4. verweerster bezwaar indiende op 10 december 1985;
Dat het oordeelt dat het bezwaar laattijdig was maar beslist dat, gelet op de nieuwe en regelmatig neergelegde stukken en op artikel 12 van de Overeenkomst van 9 juli 1970 tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van America tot het vermijden van dubbele belasting en van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, het bestuur toepassing had moeten maken van artikel 277, alinéa 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964);
Dat het de herberekening beveelt van de bestreden aanslag en de terugbetaling beveelt "van het eventueel reeds teveel betaalde meer de moratoriumintresten";
Overwegende dat het arrest wordt bestreden in zoverre het de toekenning van moratoriuminterest beveelt;
Overwegende dat, krachtens artikel 309, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), geen interest wordt toegekend bij terugbetaling van de overbelastingen als bedoeld bij artikel 277, alinéa 1, van dat wetboek, die na het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt;
Dat die bepaling ook geldt als de terugbetaling wordt bevolen door een hof van beroep dat uitspraak doet nopens de weigering van het bestuur ambtshalve ontlasting te verlenen;
Overwegende dat het arrest de in het onderdeel aangewezen wetsbepaling schendt door moratoriuminterest toe te kennen op het teveel betaalde;
Dat het onderdeel gegrond is;
Overwegende dat het eerste onderdeel niet tot ruimere cassatie kan leiden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest enkel in zoverre het moratoriuminterest toekent op het teveel betaalde;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen.