Hof van Cassatie: Arrest van 19 Februari 2009 (België). RG C.07.0304.F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20090219-14
- Rolnummer :
- C.07.0304.F
Samenvatting :
Wanneer machtiging wordt verleend om de activa te gelde te maken die onderhevig zijn aan spoedig bederf, snelle waardevermindering, of wanneer de kosten voor het bewaren van de goederen, de activa van het faillissement in acht genomen, te hoog zijn, moet de rechter-commissaris nagaan of de litigieuze overdracht de rechten van derden kan aantasten.
Arrest :
Nr. C.07.0304.F
UNIBOX GAMES,
Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
1. G. D.,
2. H. J.-P.,
3. GAPAS.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 5 maart 2007 in laatste aanleg gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Luik.
Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 37 en 49 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997;
- artikel 10 van de Handelshuurwet van 30 april 1951;
- de artikelen 1134, 1165 et 1717, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 149 van de Grondwet.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden vonnis verklaart het derdenverzet van de eiseres ontvankelijk maar wijst het af en weigert, bijgevolg, de beschikking van 10 januari 2007 teniet te doen, zulks op grond van al de redenen ervan die geacht worden hieronder volledig te zijn weergegeven, en inzonderheid om de volgende redenen:
"De (eiseres) voert de volgende middelen aan:
- In haar hoedanigheid van eigenaar van de handelszaak en hoofdhuurder van het gebouw is zij niet op de hoogte gebracht van de betwiste verrichting;
- Zowel de overgedragen huur als de overeenkomst voor de huur van de handelszaak verbieden de overdracht zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van de verhuurder;
- Door aldus te handelen hebben de curatoren zich niet bekommerd om de belangen van de verhuurder noch om hetgeen verder moest gebeuren met sommige procedures waarin zowel de verhuurder als de failliete vennootschap betrokken zijn (...);
- De argumenten van de (eiseres) kunnen niet gevolgd worden;
De rechter-commissaris heeft artikel 49 van de Faillissementswet correct toegepast door enkel het feit in aanmerking te nemen dat de handelszaak niet aan de failliete vennootschap toebehoorde (zodat een voortzetting van de activiteit uitgesloten was doordat zij slechts de huurder ervan was);
Tevens heeft de magistraat er op gewezen dat de overdrager uitdrukkelijk had verklaard dat hij de instemming van de verhuurder met de betwiste overeenkomst had verkregen alsook de vrijstelling van kennisgeving bedoeld in artikel 10 van de handelshuurwet;
(De eiseres) vergeet blijkbaar dat de toestemming om het recht op het cliënteel en het uithangbord over te dragen, die deel uitmaken van de handelszaak, haar werd geweigerd. Enkel het gebruik ervan was immers toegestaan, aangezien het een bestanddeel was dat de huurovereenkomst van die handelszaak betrof;
(De eiseres) is uiteraard een derde in de overeenkomst die de curatoren hebben gesloten en waarmee zij naar eigen zeggen niet heeft ingestemd: het staat haar vrij haar rechten aan te voeren in een ander gerechtelijk debat dan het huidige".
Grieven
Eerste onderdeel
Artikel 49 van de Faillissementswet van 8 augustus 1977 bepaalt, net zoals het oud artikel 477 van het Wetboek van Koophandel, dat de curatoren met machtiging van de rechter-commissaris dadelijk overgaan tot de verkoop van de activa die onderhevig zijn aan spoedig bederf of snelle waardevermindering.
Artikel 37 van die wet bepaalt dat tegen de beschikking van de rechter-commissaris die een dergelijke verkoop toestaat, net als tegen elk vonnis in faillissementszaken, beroep openstaat overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek, met inbegrip van derdenverzet van een partij wier belangen aldus benadeeld zijn. Op gevaar af elk belang van dat rechtsmiddel te ontnemen, dient daarom te worden nagegaan of de rechten van de verzetdoende derde door de bedoelde verrichting aangetast kunnen worden.
Ook al kunnen de huurovereenkomst van een handelspand en de huurovereenkomst van een handelszaak, in se, beschouwd worden als activa van de failliete vennootschap die te gelde kunnen worden gemaakt, toch moeten die activa, luidens voornoemd artikel 49, worden verhandeld in de staat waarin ze zich in het vermogen van die vennootschap bevinden, zijnde, als het om huurovereenkomsten gaat, met de clausules tot verbod van overdracht en onderhuur zonder toestemming van de verhuurder; het bestaan van die clausules wordt in deze zaak trouwens door het bestreden vonnis niet betwist.
Dergelijke clausules zijn geoorloofd, zowel in handelshuurovereenkomsten als in huurovereenkomsten volgens gemeen recht, zulks krachtens de artikelen 10 van de handelshuurwet van 30 april 1951 en 1717, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, en strekken dus op grond van artikel 1134 van dat wetboek, de partijen tot wet. De omstandigheid dat de huurder failliet verklaard wordt, belet zulks niet en geen enkele bepaling van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 zegt dat dergelijke clausules uitgesloten mogen worden.
Het bestreden vonnis, dat weigert de weerslag te onderzoeken van de clausules tot verbod van overdracht en van onderverhuring van de huurovereenkomsten op de verkoop van die contracten door de curatoren, schendt bijgevolg de artikelen 10 van de Handelshuurwet van 30 april 1951 en 1134 en 1717, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, alsook artikel 49 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, aangezien het niet alle juridische kenmerken nagaat van de activa waarvan het, met toepassing van die bepaling, de overdracht toestaat. Aldus ontneemt het elke betekenis aan het derdenverzet dat de eiseres kan instellen op grond van artikel 37 van die wet de eiseres en schendt het, bijgevolg, die bepaling.
Tweede onderdeel
Een van de clausules van de overeenkomst van overdracht van 29 december 2006 die het bestreden vonnis weergeeft, bepaalt met name dat "de overdrager verklaart de instemming van de verhuurder Unibox te hebben verkregen voor de overdracht en de overnemers vrij te stellen van de in artikel 10 van de handelshuurwet bedoelde kennisgeving". Tevens stelt het vast dat de eiseres "uiteraard een derde (is) in de overeenkomst die de curatoren hebben gesloten en waarmee zij naar eigen zeggen niet heeft ingestemd".
Aangezien de eiseres een derde bij die overeenkomst is, heeft deze geen enkele uitwerking jegens haar en kan zij haar, krachtens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek en krachtens het daarin vervatte beginsel de overeenkomsten enkel tussen partijen gelden, geen nadeel toebrengen.
Indien het bestreden vonnis in die zin moet worden gelezen dat het zijn weigering om de rechten van de eiseres te onderzoeken grondt op de overweging dat de overdrager heeft "verklaard te hebben ingestemd" met de overdracht, hoewel in het licht van de voornoemde bepaling, de rechten van een derde bij een overeenkomst beslist niet worden beschermd door het feit alleen dat een van de partijen verklaart de instemming van die derde te hebben verkregen voor de verrichting die door de overeenkomst tot stand wordt gebracht, schendt het artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek en miskent dit het het daarin vervatte beginsel de overeenkomsten enkel tussen partijen gelden.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
Artikel 49 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt dat de curatoren, zelfs indien het faillietverklarend vonnis wordt bestreden, met machtiging van de rechter-commissaris dadelijk kunnen overgaan tot de verkoop van de activa die onderhevig zijn aan spoedig bederf, snelle waardevermindering, of wanneer de kosten voor het bewaren van de goederen, de activa van het faillissement in acht genomen, te hoog zijn.
Wanneer de rechter de tegeldemaking van dergelijke activa toestaat, moet hij echter nagaan of de rechten van de verzetdoende derde door de litigieuze overdracht aangetast kunnen worden.
Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiseres, die eigenaar is van de handelszaak die aan de failliete vennootschap is verhuurd én de hoofdhuurder van het gebouw dat eveneens aan de vennootschap is verhuurd, zich hierop beroept dat "zowel de overgedragen huur als de overeenkomst voor de huur van de handelszaak de overdracht verbieden zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van de verhuurder" en dat "de toestemming om het recht op het cliënteel en het uithangbord over te dragen, die deel uitmaken van de handelszaak, haar werd geweigerd. Enkel het gebruik ervan was immers toegestaan, aangezien het een bestanddeel was dat de huurovereenkomst van die handelszaak betrof".
Het overweegt dat "de handelszaak niet aan de failliete vennootschap toebehoorde, zodat een voortzetting van de activiteit uitgesloten was doordat zij slechts de huurder ervan was", dat "de overdrager uitdrukkelijk had verklaard dat hij de instemming van de verhuurder (...)had verkregen", dat de eiseres "uiteraard een derde (is) in de overeenkomst die de curatoren hebben gesloten en waarmee zij naar eigen zeggen niet heeft ingestemd" en dat het "haar vrij (staat) haar rechten aan te voeren in een ander gerechtelijk debat dan het huidige".
Noch met die overwegingen noch met enige andere gaat het bestreden vonnis de weerslag na van de clausules tot verbod van overdracht en van onderverhuring van de huurovereenkomsten op de verkoop van die overeenkomsten.
Het verantwoordt bijgevolg niet naar recht zijn beslissing dat het derdenverzet niet gegrond is.
In dat opzicht is het onderdeel gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Hoei.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Daniel Plas, Christine Matray en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 19 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De raadsheer,