Hof van Cassatie: Arrest van 19 Mei 1994 (België). RG C930311F

Datum :
19-05-1994
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19940519-2
Rolnummer :
C930311F

Samenvatting :

In art. 1338, derde lid, B.W. krachtens hetwelk uit de bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige uitvoering van een verbintenis de afstand volgt van de middelen en excepties die men tegen die akten kon inroepen, onverminderd nochtans de rechten van derden, wordt onder het woord "derden" verstaan de personen die over de zaak waarop de verbintenis betrekking heeft, een eigen en rechtstreeks recht hebben verkregen waardoor zij een nietigheidsvordering kunnen instellen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 9 april 1993 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het middel: schending van de artikelen 920, 921, 922, 923,931, 932, 1338, 1339 en 1340 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het arrest, ter verwerping van het regelmatig in conclusie door eiseres opgeworpen middel, volgens hetwelk verschillende schenkingen die verweerster wilde verrekenen op het beschikbaar gedeelte voor de litigieuze schenking nietig waren wat de vorm betreft en bijgevolg niet dienden te worden verrekend, en volgens hetwelk de bevestiging van die schenkingen, na het overlijden, door de erfgenamen van de schenker, die overigens de begunstigden van die schenkingen waren,geen terugwerkende kracht kon hebben op de datum van de genoemde schenkingen, ten nadele van de rechten verworven door eiseres, die ten aanzien van die schenkingen een derde was, beslist: -"dat, nu artikel 1338, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarop de stelling van de Franse Gemeenschap steunt, onderstelt dat de derden houder zijn van een recht op het tijdstip van de bevestiging, vooreerst moet worden vastgesteld of de Belgische Staat, op dat tijdstip, een recht heeft om zich te beroepen op die nietigheid wegens vormgebrek van schenkingen die vroeger aan andere personen zijn gedaan; -dat het hof (van beroep) te dezen moet vaststellen dat de Belgische Staat, tijdens het leven van de schenker, ongeacht of hij op dat tijdstip een derde is in de zin van artikel 1338, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, en houder is van het in de voormelde bepaling aangewezen recht -en dat in voorkomend geval kan aanvoeren-, hoe dan ook de nietigverklaring van de thans betwiste schenkingen niet heeft gevraagd; - dat de Belgische Staat, na het overlijden van de schenker, ingevolge artikel 1340 van het Burgerlijk Wetboek, door de werking van die bepaling, het recht verliest om die nietigheid aan te voeren, die voortaan enkel nog door de erfgenamen van de erflater kan worden aangevoerd; dat de Belgische Staat bijgevolg, op het tijdstip dat die erfgenamen de litigieuze schenkingen hebben bevestigd, niet het recht had zich te beroepen op de nietigheid van schenkingen die aan de zijne voorafgingen; dat de Franse Gemeenschap het voordeel van artikel 1338, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek dus niet kan aanvoeren",
terwijl, volgens artikel 1338, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, uit de bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige uitvoering van een akte de afstand volgt van de middelen en excepties die men tegen die akte kon inroepen, onverminderd de rechten van derden; de begunstigde van een schenking, die vatbaar is voor inkorting ten gevolge van de verrekening op het beschikbaar gedeelte van vroegere schenkingen die onregelmatig zijn wat de vorm betreft, maar die bevestigd zijn, een derde is in de zin van die bepaling; die begunstigde houder is van het, zij het eventuele, recht om reeds voor het overlijden van de schenker de geldigheid van die vroegere schenkingen te betwisten, ook al kan hij dat recht niet voor dat overlijden door een vordering in rechte aanwenden; de mogelijkheid om de bescherming van artikel 1338, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek aan te voeren, niet afhankelijk is gesteld van het aanwenden, door het uitoefenen van een rechtsvordering, van de nietigheid waarop de bevestiging betrekking heeft; het bijzonder stelsel van de nietigheid van de schenkingen wegens vormgebrek, als bepaald in de artikelen 1339 en 1340 van het Burgerlijk Wetboek ongetwijfeld tot gevolg heeft dat de oorspronkelijke volstrekte nietigheid na het overlijden van de schenker door een betrekkelijke nietigheid wordt vervangen, maar niet dat de in artikel 1338, derde lid, ten voordele van derden vervatte regel geen uitwerking meer heeft :
Overwegende dat, enerzijds, naar luid van artikel 1338, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, "uit de bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige uitvoering in de vorm en op het tijdstip door de wet bepaald, de afstand volgt van de middelen en excepties die men tegen die akte kon inroepen, onverminderd nochtans de rechten van derden";
Dat, in die bepaling, onder het woord "derden" de personen worden verstaan die over de zaak waarop de verbintenis betrekking heeft, een eigen en rechtstreeks recht hebben verkregen waardoor zij een nietigheidsvordering kunnen instellen;
Dat eiseres, begunstigde van een schenking die vatbaar is voor inkorting ten gevolge van het verrekenen, op het beschikbaar gedeelte, van vroegere naar de vorm onregelmatige schenkingen, in tegenstelling tot hetgeen het middel betoogt, voor het overlijden van de schenker, geen houder was van het recht om de geldigheid ervan te betwisten; dat zij dienaangaande, tot het overlijden van de schenker, alleen een louter eventueel recht had, bij ontstentenis van het doen blijken, voor het overlijden, van een reeds verkregen en duidelijk belang bij het instellen van een dergelijke rechtsvordering; dat bovendien het recht dat zij op de haar geschonken zaak kon hebben, niets uitstaande had met het voorwerp van die vroegere schenkingen;
Overwegende dat, anderzijds, artikel 1340 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "uit de bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige uitvoering van een schenking door de erfgenamen of rechtverkrijgenden van de schenker, na zijn overlijden, de afstand hunnerzijds volgt van het recht om zich te beroepen hetzij op gebreken in de vorm, hetzij op enige andere exceptie";
Dat uit dat artikel volgt dat de daarin bedoelde nietigheid betrekkelijk is en dat zij alleen door de erfgenamen of rechtverkrijgenden van de schenker kan worden aangevoerd, wat eiseres,die deze hoedanigheid niet bezit, uitsluit;
Overwegende dat eiseres derhalve, die noch voor noch na het overlijden van de schenker het recht heeft gehad om zich te beroepen op de nietigheid naar de vorm van de schenkingen die aan de hare voorafgaan, in geval van bevestiging van die vroegere schenkingen, geen derde is in de zin van artikel 1338, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek;
Dat het arrest, dat beslist dat eiseres geen aanspraak kan maken op de toepassing van artikel 1338, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, die wetsbepaling bijgevolg juist toepast;
Dat het middel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.