Hof van Cassatie: Arrest van 19 Oktober 1992 (België). RG 7857

Datum :
19-10-1992
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19921019-1
Rolnummer :
7857

Samenvatting :

De burgerlijke rechter die uitspraak doet over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering verjaard is, moet vaststellen dat de feiten die aan de vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet vallen; hij moet de bestanddelen van het misdrijf evenwel maar opgeven in zoverre zij een gevolg hebben op de beoordeling van de verjaring.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 9 april 1991 op verwijzing gewezen door het Arbeidshof te Brussel;
Gelet op het arrest van het Hof van 17 april 1989 (Niet gepubliceerd);
Over het eerste middel, gesteld als volgt : "schending van de artikelen 65 en 66 van het Strafwetboek, 26, 27 en 28 zoals vervangen bij artikel 1 van de wet van 30 mei 1961, van de wet van 17 april 1978 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, 9, 42 zoals vervangen bij artikel 16 K.B. nr. 55 van 23 oktober 1978 daarna gewijzigd bij artikel 14 K.B. nr. 255 van 7 december 1983 en bij artikel 186 van de programmawet van 22 december 1989, 44 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, 54 en 58 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd bij koninklijk besluit van 28 juni 1971, 14, 23 en 26 van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen en van het algemeen aanvaard beginsel dat de rechtspersoon niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor een gepleegd misdrijf,
doordat het bestreden arrest het verweer van eiseres als zou de vordering tot betaling van de achterstallige loonindextekorten, de loonaanpassing, de verlofdagen, de feestdagenvergoeding en de eindejaarspremie zoniet geheel dan toch minstens gedeeltelijk verjaard zijn, verwerpt op grond o.m. van de overwegingen : "(...) dat het arbeidshof vaststelt dat het probleem van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon niet nieuw is; dat inderdaad de grondslag van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon als geheel zijn oorsprong vindt in het cassatiearrest van 16 december 1948, Pas., 1948, I, 724, waarbij gesteld werd dat : "de daad verricht in het kader van haar werkzaamheden door een orgaan van een rechtspersoon is een daad van de rechtspersoon zelf; de aard van de onwettige handeling, die een strafrechtelijke inbreuk uitmaakt wordt niet gewijzigd door het enkel feit dat de rechtspersoon geen voorwerp kan zijn van een strafrechtelijke sanctie en slechts tot civiele schadevergoeding gehouden is"; dat in de loop der jaren deze rechtsfiguur als zodanig werd aanvaard; dat H. Bosly, "Les sanctions en droit pénal", 1979, p. 30-31, naar de inhoud van het door onze rechtspraak gehanteerd begrip "daderschap van de rechtspersoon" verwijst; dat het immers niet meer betekent dan dat aanvaard wordt dat de door ons normenstelsel bepaalde verplichtingen evenzeer wegen op collectiviteiten; dat de inbreuk als zodanig kan bestaan in hoofde van de collectiviteit; dat aan de basis van het bestaan van deze inbreuk evenwel nog steeds uitsluitend geacht wordt een individueel fysiek handelen (of niet-handelen) te liggen (zie o.m. : J. Colaes, "De strafrechtelijke aansprakelijkheid van mandatarissen van rechtspersonen", in : Sociaal strafrecht, Reeks Sociaal Recht, Kluwer nr. 23; R. Legros, "La responsabilité pénale des dirigeants des sociétés et le droit pénal général", in : R.D.P.C., 1963-64, p. 23); dat hierbij kan opgemerkt worden dat de wetgever in de geciteerde wetgevingen expliciet verwijst naar de werkgever ook als rechtspersoon, aangezien hij de toepassing van de sanctie oplegt aan de werkgevers, hun aangestelden of mandatarissen; dat in casu (eiseres), de N.V. Pharmacie Centrale de Belgique (P.C.B.), strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de misdrijven die door haar uitvoeringsorganen werden gepleegd; (...) dat, voor zover de burgerrechtelijke vordering gesteund is op een misdrijf, ook al is deze vordering ex delicto voor de burgerlijke rechter ingesteld, de regels gelden van de verjaring zoals bepaald in de artikelen 26 tot 29 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvorde
ring; dat voor de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering gegrond op een misdrijf de minimumtermijn altijd vijf jaar is te rekenen vanaf de dag van het misdrijf; (...) dat (verweerder), Christian Landuyt, stelt dat aangezien er een opeenvolging van dezelfde feiten werd gepleegd door de werkgever sedert 1971 tot 31 januari 1982 er een voortdurend misdrijf werd gepleegd dat niet is verjaard; dat eiseres, de N.V. Pharmacie Centrale de Belgique, stelt dat indien er misdrijven zouden gepleegd zijn, het aflopende misdrijven betreffen, zonder continuïteit en die dus verjaard zijn; dat het begrip voortgezet misdrijf op een misdrijf duidt dat bestaat uit verschillende strafbare gedragingen, handelingen of onthoudingen van dezelfde aard, doch die geacht worden samen slechts één misdrijf uit te maken wegens de eenheid van misdadig opzet in hoofde van de dader; dat onder eenheid van misdadig opzet niet wordt bedoeld "opzet in contrast tot onachtzaamheid" maar wel het plan, de bedoeling of de ingesteldheid van de dader, waarvan de veelheid van strafbare gedragingen de uitdrukking is (zie hierover de exhaustieve studie van de rechtsleer en rechtspraak ter zake van Lieven Dupont : "Het begrip 'voortgezet misdrijf' en de problematiek van de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering ex delicto m.b.t. het arbeidsovereenkomstenrecht" in : Soc. Kron., 1988, 10, p. 361 en volg.); dat het bestaan van eenheid van opzet een feitenkwestie is die door de rechter ten gronde soeverein wordt beoordeeld; dat het juridisch gevolg van de voortgezette misdrijven is dat de verjaringstermijn voor de strafvordering slechts begint te lopen vanaf de laatste van de bewezen vastgestelde feiten; dat dit inhoudt dat de verjaringstermijn van vijf jaar voor de burgerlijke vordering die voortvloeit uit alle strafbare feiten die het voortgezet misdrijf uitmaken pas begint te lopen vanaf het laatste van die feiten; dat in casu het niet-betalen van loonindexeringen, vakantiegeld, vergoedingen voor feestdagen, het niet-betalen van achterstallig loon en eindejaarspremies, misdrijven zijn die door hun eenheid van opzet, als voortgezette misdrijven door het arbeidshof gekwalificeerd worden; dat in casu de eenheid van opzet zeer duidelijk is, namelijk het stelselmatig onthouden door (eiseres), P.C.B., van de wettelijk aan (verweerder), Christian Landuyt, toekomende bedragen ingevolge de uitvoering van de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst; dat de burgerlijke vordering, ex delicto, zoals gezegd door (verweerder), Christian Landuyt, niet verjaard is, volgens het bepaalde bij artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering; (...), dat aangezien de burgerlijke vordering derhalve niet kan verjaren voor vijf jaar na het misdrijf (art. 26, Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering) en dat de verjaringstermijn van een voortgezet misdrijf pas begint te lopen vanaf het laatste feit (is, in onderhavig geval, 4 februari 1982, de laatste betaaldatum na het einde van het contract van 31 januari 1982), er in casu zeker geen verjaring ingetreden is, vermits (verweerder) Christian Landuyt gedagvaard heeft op 27 juli 1982; dat Landuyt (verweerder), dan ook gemachtigd is, wegens het voortgezet misdrijf, terug te gaan tot de eerste tekorten die ontstaan zijn bij het begin van de kwestieuze arbeidsovereenkomst, te weten, vanaf einde 1971",
terwijl, krachtens een algemeen rechtsbeginsel de rechtspersoon in de regel niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld doch alleen een fysieke persoon als schuldbekwame dader van een misdrijf strafrechtelijk kan worden vervolgd en - desgevallend - gestraft; terwijl het niet of niet tijdig betalen van loon artikel 9 van de wet van 12 april 1965), hierin begrepen de eindejaarspremie, van het verschuldigde vakantiegeld en van het loon voor de feestdagen (artikel 14 van de wet van 4 januari 1974) door de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, respectievelijk door artikel 42 van de wet van 12 april 1965, door artikel 54 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 en door artikel 23 van de wet van 4 januari 1974 strafbaar worden gesteld; de strafrechtelijke toerekening van voornoemde misdrijven derhalve slechts kan gebeuren t.a.v. voornoemde categorieën van personen die in de wet limitatief worden opgesomd; de feitenrechter in de mate dat hij het misdrijf strafrechtelijk wenst toe te rekenen aan de werkgever-rechtspersoon, de natuurlijke perso(o)n(en) binnen de structuur van de rechtspersoon dient te identificeren waaraan het misdrijf feitelijk en moreel kan worden toegerekend;
terwijl, krachtens artikel 65 van het Strafwetboek alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken wanneer een zelfde feit verscheidene misdrijven oplevert; de regel van artikel 65 ook van toepassing is op voortgezette misdrijven; onder een voortgezet misdrijf een geheel van gedragingen wordt verstaan van dezelfde aard of van verschillende aard die elk afzonderlijk beschouwd strafbaar zijn maar die geacht worden slechts één misdrijf uit te maken wegens de eenheid van opzet van de dader; verschillende aan een beklaagde tenlastegelegde misdrijven voortkomen uit eenzelfde opzet wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking, en in die zin door één feit, te weten een complexe gedraging zijn opgeleverd; de feitenrechter in principe soeverein apprecieert of in feite de bedoelde eenheid van opzet voorhanden is; terwijl, krachtens de artikelen 26, 27 en 28 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering de verjaring in geval van voortgezet misdrijf pas begint te lopen vanaf het laatste strafbaar feit, op voorwaarde dat de tijd tussen twee feiten niet meer bedraagt dan de duur van de wettelijke verjaringstermijn, zodat, eerste onderdeel, het arrest niet zonder schending van de hierna gepreciseerde en in het middel aangehaalde wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel kon overwegen dat "de wetgever in de geciteerde wetgevingen expliciet verwijst naar de werkgever ook als rechtspersoon, aangezien hij de toepassing van de sanctie oplegt aan de werkgevers, hun aangestelden of mandatarissen; dat in casu (eiseres), strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de misdrijven die door haar uitvoeringsorganen werden gepleegd" nu krachtens het ingeroepen algemeen rechtsbeginsel en artikel 66 Strafwetboek een rechtspersoon wel een misdrijf kan plegen doch hiervoor niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld aangezien een misdrijf slechts kan worden toegerekend aan een schuldbekwame dader; deze schuldbekwaamheid een wilsgesteldheid impliceert die enkel in hoofde van een fysische persoon kan aanwezig zijn (schending van artikel 66 van het Strafwetboek en van het ingeroepen algemeen rechtsbeginsel overeenkomstig hetwelk de rechtspersoon niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld); het bestreden arrest in de mate dat het oordeelt dat eiseres strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de misdrijven gepleegd door haar uitvoeringsorganen tegens de artikelen 9, 42 en 44 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming v
an het loon der werknemers, 54 en 58 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers, gecoördineerd bij K.B. van 28 juni 1971 en van 14, 23 en 26 van de wet van 4 januari 1974, betreffende de feestdagen schendt nu krachtens voornoemde artikelen de werkgever in casu een rechtspersoon enkel burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de betaling van de geldboete waartoe zijn aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld; zodat, tweede onderdeel, het arrest in de mate dat het enerzijds vaststelt dat eiseres als rechtspersoon "strafrechtelijk verantwoordelijk is voor misdrijven die door haar uitvoeringsorganen werden gepleegd" en anderzijds overweegt dat "het niet-betalen van loonindexeringen, vakantiegeld, vergoedingen voor feestdagen, het niet-betalen van achterstallig loon en eindejaarspremies, misdrijven zijn die door hun eenheid van opzet, als voortgezette misdrijven (...) gekwalificeerd worden; dat in casu de eenheid van opzet zeer duidelijk is, namelijk het stelselmatig onthouden door (eiseres) van de wettelijk aan (verweerder) toekomende bedragen ingevolge de uitvoering van de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst; dat de burgerlijke vordering, ex delicto, zoals gesteld door (verweerder) niet verjaard is (...)" niet zonder miskenning van de in het middel genoemde en hierna gepreciseerde wetsbepalingen en rechtsbeginsel kon besluiten tot het bestaan van een voortgezet misdrijf in hoofde van eiseres, de rechtspersoon P.C.B. nu voor de verwezenlijking van elk misdrijf naast een wettelijk en materieel element een moreel (opzet, onachtzaamheid) element vereist is en laatstgenoemd element een wilsgesteldheid in hoofde van een - noodzakelijkerwijze fysische in tegenstelling tot de rechtspersoon - schuldbekwame persoon veronderstelt waaraan het misdrijf wordt toegerekend; het arrest in casu verzuimt deze persoon aan te duiden (schending van artikel 66 en van het algemeen beginsel dat de rechtspersoon niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor een gepleegd misdrijf (societas delinquere non potest); het arrest in zoverre het verzuimt binnen de structuur van de rechtspersoon de schuldbekwame fysische persoon aan te duiden waaraan het voortgezet misdrijf kan worden toegerekend niet wettig kon besluiten tot het bestaan van een voortgezet misdrijf nu dit misdrijf een eenheid van misdadig opzet, nl. verschillende strafbare gedragingen die door hun eenheid van doel en verwezenlijking verbonden zijn en door één feit, te weten een complexe gedraging, worden opgeleverd, veronderstelt in hoofde van een beklaagde (dader). (Schending van de artikelen 65 en 66 van het Strafwetboek en van het algemeen beginsel dat de rechtspersoon niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor een gepleegd misdrijf (societas delinquere non potest); het arrest in de mate het verzuimt binnen de structuur van de rechtspersoon de schuldbekwame fysische persoon aan te duiden het Hof van Cassatie verhindert na te gaan of de rechter op grond van de vaststellingen in het arrest wettig kon besluiten tot het bestaan van een voortgezet misdrijf en derhalve tot één strafbaar feit in hoofde van de dader (schending van artikel 65 en 66 van het strafwetboek); zodat, derde onderdeel, het arrest in de mate het niet wettig kon besluiten tot het bestaan van een voortgezet misdrijf evenmin rechtsgeldig kon beslissen dat de vordering van (verweerder) minstens in zoverre ze betrekking heeft op de periode voor 27 juli 1977 verjaard was, nu de verjaring enkel begint te lopen vanaf het laatste bewezen feit in zoverre rechtsgeldig kon worden besloten tot het bestaan van een voortgezet misdrijf (schending van de artikelen 26, 27 en 28 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Stra
fvordering)" :
Overwegende dat de burgerlijke rechter die uitspraak moet doen over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering al dan niet verjaard is, uitdrukkelijk moet vaststellen dat de feiten die aan de vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet vallen; dat hij evenwel de bestanddelen van het misdrijf slechts dient op te geven voor zover ze een gevolg hebben op de beoordeling van de verjaring van de vordering;
Overwegende dat een rechtspersoon een misdrijf kan plegen; dat een rechtspersoon kan handelen met het ene opzet waaruit verschillende strafbare feiten voortkomen die een voortgezet misdrijf vormen;
Dat de burgerlijke rechter, in een geval als hiervoren bedoeld, het ene opzet van het door een rechtspersoon gepleegde voortgezet misdrijf kan vaststellen, zonder de natuurlijke personen, organen of aangestelden aan te wijzen door wier toedoen de rechtspersoon is opgetreden en op wie de strafrechtelijke verantwoordelijkheid rust;
Dat het arrest, om te beslissen dat de verschillende strafbare feiten waarop de vordering steunt, een voortgezet misdrijf opleveren, volstaat met de vaststelling dat er eenheid van opzet is, nu eiseres, vennootschap, die feiten stelselmatig heeft gepleegd;
Dat het middel faalt naar recht;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiseres in de kosten.
(4) Niet gepubliceerd.