Hof van Cassatie: Arrest van 19 Oktober 1999 (België). RG P981102N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19991019-1
- Rolnummer :
- P981102N
Samenvatting :
De curator van een faillissement die namens de boedel in rechte optreedt, oefent de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers uit, maar niet hun individuele rechten, zelfs wanneer die individuele rechten zouden zijn samengevoegd.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op de bestreden arresten, op 28 januari 1998 en op 24 juni 1998 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
B. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van verweerder tegen eiser:
2. Over het vijfde middel, gesteld als volgt: schending van artikelen 149, van de Grondwet, 444, 445, 448, 452, 463, 470, 496, van de wet van 18 april 1851, betreffende het faillissement vormend boek III van het Wetboek van Koophandel (voor de opheffing bij artikel 149 van de wet van 8 augustus 1997), 16, 17, 20, 24, 30, 40, 43, 49, 62, van de faillissementswet van 8 augustus 1997,
doordat het bestreden arrest van gedeeltelijke hervorming statuerend op burgerlijk gebied, eiser veroordeelt om aan verweerder q.q. als schadevergoeding de som van provisioneel 2.000.000 frank te betalen op volgende gronden: dat de curator de massa van de schuldeisers vertegenwoordigt;
dat die massa beslist schade heeft geleden ingevolge de lastens eiser aangehouden misdrijven omschreven onder de tenlasteleggingen AII en B, zoals oorspronkelijk omschreven en zoals geactualiseerd; dat eiser ten onrechte voorhoudt dat alleen de niet-betaalde leveranciers voor de leveringen in de verdachte periode de vorderingen zouden hebben kunnen instellen; dat immers de curator de leveranciers vertegenwoordigt als deel uitmakend van de massa; dat de burgerlijke partij haar vordering thans beperkt tot een provisie van 2.000.000 frank; dat die gevorderde provisie in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met de in hoofde van eiser aangehouden feiten, omschreven onder A2 en B, zoals oorspronkelijk omschreven en zoals thans geactualiseerd; dat die vordering gegrond voorkomt en toe te kennen is,
terwijl, eerste onderdeel, eiser in zijn eerste appelconclusie (stuk n° 12, blz. 20, lid 4) uitdrukkelijk staande hield dat de curator in gebreke bleef de juiste toelichting te verschaffen nopens de leveranciers die deel uitmaakten van de massa der schuldeisers, en hij derhalve in gebreke bleef de juiste toelichting te verschaffen nopens deze leveranciers en nopens de berekening van het verlies om aldus de juiste schade te kunnen bepalen; dat het bestreden arrest aan verweerder q.q. een belangrijke provisie op schadevergoeding heeft toegekend zonder op dit verweer te antwoorden, zodat het onregelmatig gemotiveerd is (schending van art. 149, van de Grondwet);
tweede onderdeel, verweerder q.q. optredend als curator voor de massa van de schuldeisers geen hoedanigheid heeft om schadevergoeding te vorderen namens de schuldeisers-leveranciers, die aan eiser tijdens de verdachte periode leveringen hebben gedaan die niet betaald zijn geworden; dat immers eiser daardoor geen schade aan de massa werd veroorzaakt maar alleen aan deze schuldeisers individueel (schending van art. 444, 445, 448, 452, 463, 466, 470, 496, van de wet van 18 april 1851);
derde onderdeel, verweerder q.q. optredend als curator voor de massa van de schuldeisers geen hoedanigheid heeft om schadevergoeding te vorderen namens de schuldeisers-leveranciers, die aan eiser tijdens de verdachte periode leveringen hebben gedaan die niet betaald zijn geworden; dat immers eiser daardoor geen schade aan de massa werd veroorzaakt maar alleen aan deze schuldeisers individueel (schending van art. 16, 17, 20, 24, 30, 40, 43, 49, 62, van de wet van 8 augustus 1997),
zodat het bestreden arrest de in het middel aangewezen bepalingen geschonden heeft:
Overwegende dat de appèlrechters door de telastlegging B bewezen te verklaren en hierbij te overwegen "dat (eisers) schuld derhalve gewild evolueerde van schuld aan de bankier, naar schuld aan de leveranciers, (cfr. stuk 3 b) en aan de BTW" eisers conclusie ten betoge dat de curator in gebreke bleef toelichting te verschaffen nopens de leveranciers die deel uitmaakten van de massa der schuldeisers en nopens de berekening van het verlies om aldus de juiste schade te kunnen bepalen, beantwoorden en zodoende de beslissing regelmatig met redenen omkleden;
Overwegende, voor het overige, dat de curator van een faillissement die namens de massa in rechte optreedt, de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers vermag uit te oefenen, maar niet hun individuele rechten, zelfs wanneer die individuele rechten zouden zijn samengevoegd;
Dat de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers de rechten zijn die voortvloeien uit de schade ten gevolge van de fout van wie dan ook, waardoor het passief van het faillissement vermeerderd of het actief ervan verminderd wordt;
Overwegende dat de omstandigheid dat de schade veroorzaakt werd door een van de schuldeisers niet belet dat zij ten nadele van alle schuldeisers het passief van het faillissement kan hebben vermeerderd of het actief ervan kan hebben verminderd;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gelet op de bestreden arresten, op 28 januari 1998 en op 24 juni 1998 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
B. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van verweerder tegen eiser:
2. Over het vijfde middel, gesteld als volgt: schending van artikelen 149, van de Grondwet, 444, 445, 448, 452, 463, 470, 496, van de wet van 18 april 1851, betreffende het faillissement vormend boek III van het Wetboek van Koophandel (voor de opheffing bij artikel 149 van de wet van 8 augustus 1997), 16, 17, 20, 24, 30, 40, 43, 49, 62, van de faillissementswet van 8 augustus 1997,
doordat het bestreden arrest van gedeeltelijke hervorming statuerend op burgerlijk gebied, eiser veroordeelt om aan verweerder q.q. als schadevergoeding de som van provisioneel 2.000.000 frank te betalen op volgende gronden: dat de curator de massa van de schuldeisers vertegenwoordigt;
dat die massa beslist schade heeft geleden ingevolge de lastens eiser aangehouden misdrijven omschreven onder de tenlasteleggingen AII en B, zoals oorspronkelijk omschreven en zoals geactualiseerd; dat eiser ten onrechte voorhoudt dat alleen de niet-betaalde leveranciers voor de leveringen in de verdachte periode de vorderingen zouden hebben kunnen instellen; dat immers de curator de leveranciers vertegenwoordigt als deel uitmakend van de massa; dat de burgerlijke partij haar vordering thans beperkt tot een provisie van 2.000.000 frank; dat die gevorderde provisie in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met de in hoofde van eiser aangehouden feiten, omschreven onder A2 en B, zoals oorspronkelijk omschreven en zoals thans geactualiseerd; dat die vordering gegrond voorkomt en toe te kennen is,
terwijl, eerste onderdeel, eiser in zijn eerste appelconclusie (stuk n° 12, blz. 20, lid 4) uitdrukkelijk staande hield dat de curator in gebreke bleef de juiste toelichting te verschaffen nopens de leveranciers die deel uitmaakten van de massa der schuldeisers, en hij derhalve in gebreke bleef de juiste toelichting te verschaffen nopens deze leveranciers en nopens de berekening van het verlies om aldus de juiste schade te kunnen bepalen; dat het bestreden arrest aan verweerder q.q. een belangrijke provisie op schadevergoeding heeft toegekend zonder op dit verweer te antwoorden, zodat het onregelmatig gemotiveerd is (schending van art. 149, van de Grondwet);
tweede onderdeel, verweerder q.q. optredend als curator voor de massa van de schuldeisers geen hoedanigheid heeft om schadevergoeding te vorderen namens de schuldeisers-leveranciers, die aan eiser tijdens de verdachte periode leveringen hebben gedaan die niet betaald zijn geworden; dat immers eiser daardoor geen schade aan de massa werd veroorzaakt maar alleen aan deze schuldeisers individueel (schending van art. 444, 445, 448, 452, 463, 466, 470, 496, van de wet van 18 april 1851);
derde onderdeel, verweerder q.q. optredend als curator voor de massa van de schuldeisers geen hoedanigheid heeft om schadevergoeding te vorderen namens de schuldeisers-leveranciers, die aan eiser tijdens de verdachte periode leveringen hebben gedaan die niet betaald zijn geworden; dat immers eiser daardoor geen schade aan de massa werd veroorzaakt maar alleen aan deze schuldeisers individueel (schending van art. 16, 17, 20, 24, 30, 40, 43, 49, 62, van de wet van 8 augustus 1997),
zodat het bestreden arrest de in het middel aangewezen bepalingen geschonden heeft:
Overwegende dat de appèlrechters door de telastlegging B bewezen te verklaren en hierbij te overwegen "dat (eisers) schuld derhalve gewild evolueerde van schuld aan de bankier, naar schuld aan de leveranciers, (cfr. stuk 3 b) en aan de BTW" eisers conclusie ten betoge dat de curator in gebreke bleef toelichting te verschaffen nopens de leveranciers die deel uitmaakten van de massa der schuldeisers en nopens de berekening van het verlies om aldus de juiste schade te kunnen bepalen, beantwoorden en zodoende de beslissing regelmatig met redenen omkleden;
Overwegende, voor het overige, dat de curator van een faillissement die namens de massa in rechte optreedt, de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers vermag uit te oefenen, maar niet hun individuele rechten, zelfs wanneer die individuele rechten zouden zijn samengevoegd;
Dat de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers de rechten zijn die voortvloeien uit de schade ten gevolge van de fout van wie dan ook, waardoor het passief van het faillissement vermeerderd of het actief ervan verminderd wordt;
Overwegende dat de omstandigheid dat de schade veroorzaakt werd door een van de schuldeisers niet belet dat zij ten nadele van alle schuldeisers het passief van het faillissement kan hebben vermeerderd of het actief ervan kan hebben verminderd;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.