Hof van Cassatie: Arrest van 2 April 2004 (België). RG C020609N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20040402-4
- Rolnummer :
- C020609N
Samenvatting :
De procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist nu het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering betreft (1). (1) Zie Cass., 14 jan. 1983, AR nr 3143, A.C., 1982-83, nr 288; Cass., 5 nov. 1990, AR nr 8727, A.C., 1990-91, nr 124.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. C.02.0609.N
HYDRAULIC & DIESEL SERVICE, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 37, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, nummer 47.076,
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
B.P.
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 juni 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
&§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ;
&§9472; de artikelen 1119, 1121, 1142, 1147, 1149, 1150, 1151, 1165, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ;
&§9472; artikel 22 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874 ;
&§9472; artikel 41 van de Landverzekeringsovereenkomstenwet van 25 juni 1992 ;
&§9472; artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Bij het bestreden arrest van 24 juni 2002 verklaarde het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond, bevestigde het bestreden vonnis daar waar de vordering uitgaande van de casco-verzekeraars als niet toelaatbaar werd afgewezen, hervormde het bestreden vonnis binnen de perken van het hoger beroep, verklaarde de hoofdvordering van verweerder tegen eiseres deels gegrond en veroordeelde haar tot het betalen aan verweerder van de helft van de som van de materiële schade ten bedrage van 54.363,72 euro (2.193.027 BEF) plus 4.976,2 euro (10.966,10 NLG), meer de vergoedende intresten sedert 8 november 1994, alsmede tot de helft van verletschade ten belope van 16.087,89 euro meer de vergoedende intresten sedert 8 november 1994 tot 7 oktober 1997 en van dan af de gerechtelijke intresten.
Deze beslissing berust onder meer op volgende overwegingen :
"Toelaatbaarheid
4. Bij gebreke aan bewijs van geldige kwijting op het ogenblik van de rechtsingang zijn de verzekeraars niet rechtmatig gesubrogeerd in de rechten van hun verzekerde, waardoor zij niet beschikken over het ter zake vereist subjectief recht waarvan de beschikkingsbevoegdheid is ontdaan in hoofde van X 5. Thans in hoger beroep brengen de verzekeraars een ongedateerde subrogatieakte bij waarin X verklaart van zijn casco-verzekeraars, volgens polis van 26 mei 1994, inzake het ms. X de sommen van 2.193.027 BEF en 10.966,10 NLG ontvangen te hebben. Terecht stellen geïntimeerden dat een dergelijke verklaring onvoldoende is om aan te tonen dat de verzekeraars op het ogenblik van het instellen van de vordering de nodige hoedanigheid hadden. De vordering in hoofde van de verzekeraars werd bijgevolg terecht als onontvankelijk afgewezen, trouwens dringen appelanten blijkbaar op dit punt niet meer aan.
6. Wel stellen appellanten dat, aangezien in zoverre de eis in hoofde van de verzekeraars niet zou kunnen worden toegelaten, deze aangelegenheid vreemd blijft aan derden ('res inter alios acta'), de (bijkomende) vordering ontvankelijk is en gebleven is in hoofde van de verzekerdeX . Zij betwisten bovendien dat deze bijkomende vordering een nieuwe eis zou zijn, aangezien zij gesteund is op een feit of een akte in de inleidende dagvaarding aangevoerd.
7. Daar waar in eerste aanleg steeds een onderscheid is gemaakt tussen de vordering tot vergoeding van de materiële schade uitgaande van de verzekeraars en de vordering tot vergoeding van de verletschade uitgaande van X , appellanten verkeerdelijk voorhouden reeds voor de eerste rechter deze bijkomende vordering gesteld te hebben.
10. De bijkomende eis bij conclusies in hoger beroep strekkende tot vergoeding van de materiële schade opgelopen ingevolge dezelfde schadevaring voldoet aan deze wettelijke vereisten. Als benadeelde partij heeft X het subjectief recht om een dergelijke vordering in persoonlijke naam in te stellen, de beschikkingsbevoegdheid over het aangevoerde recht behoort hem immers toe.
11. De techniek van de naamlening is te dezer zake niet van doen. Trouwens te dezer zake verleent de verzekerde in de subrogatieakte (zie hoger onder 5) machtiging aan de casco-verzekeraars alle verhaal tegen derden uit te oefenen ook voor zoveel als nodig in zijn naam en niet omgekeerd.
12. Derhalve moet besloten worden dat de bijkomende vordering in hoger beroep van ter invordering van de geleden materiële schade toelaatbaar is en dat de overige middelen reeds tot de grond van de zaak behoren.
Ten gronde
13. Het louter feit dat X vergoed zou zijn geweest door zijn casco-verzekeraars belangt derden niet aan en belet niet dat hij als materiële procespartij zijn vordering behoudt tegen de schadeverwekker. Indien namelijk de regelmatigheid van de wettelijke subrogatie betwist wordt kunnen geïntimeerden zich evenmin beroepen op de wettelijke gevolgen van deze indeplaatsstelling. Het optreden door een formele procespartij kan immers enkel tot voorwerp hebben de uitoefening van de rechtsvordering zelf voor rekening van de houder ervan, die om een of andere reden deze vordering niet zelf meer kan uitoefenen'.
20. Hydraulic Diesel Service NV is niet alleen te kort geschoten in haar informatieplicht, doch heeft tevens een professionele fout begaan in de uitvoering van haar opdracht, zodat zij en de schipper samen ieder voor de helft aansprakelijk zijn voor de schadelijke gevolge van hun daden.
24. Bijgevolg komt aan X toe de helft van de materiële schade ten belope van 54.363,72 euro (2.193.027 BEF) plus 4.976,2 euro (10.966,10 NLG) meer de vergoedende interesten sedert 8 november 1994 alsmede tot de helft van de verletschade ten belope van 16.087,89 euro (648.984 BEF) meer de vergoedende interesten sedert 8 november 1994".
Grieven
1. Eerste onderdeel
De hoedanigheid waarover iedere partij, die een vordering in rechte instelt, dient te beschikken, wordt beoordeeld op het ogenblik waarop die vordering wordt ingesteld.
Bij toepassing van die regel zal de toelaatbaarheid van een uitgebreide of gewijzigde eis zodoende moeten worden beoordeeld op het ogenblik waarop een partij haar eis uitbreidt of wijzigt, met dien verstande dat de rechter hierbij rekening zal moeten houden met de wijzigingen die zich in de rechtstoestand van die partij zouden hebben voorgedaan sinds de inleiding van het oorspronkelijke geding.
Te dezen betwistten eiseres evenals haar medeverwerende partij, de nv Nieuwe Scheldewerven, in eerste instantie de toelaatbaarheid van de eis van de verzekeraars omdat niet was aangetoond dat zij op het tijdstip waarop zij hun vordering instelden, te weten 7 oktober 1997, ingevolge de uitbetaling van de verzekeringsvergoeding aan verweerder, reeds waren gesubrogeerd in de rechten van hun verzekerde, met name verweerder, zulks bij toepassing van artikel 22 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874 dan wel artikel 41 van de Landverzekeringsovereenkomstenwet van 25 juni 1992.
In reactie op dit middel van niet-ontvankelijkheid van de vordering der verzekeraars, waarop door de eerste rechter was ingegaan, verklaarde verweerder bij zijn beroepsakte, bij wijze van uitbreiding van de vordering die hij voor de eerste rechter gebracht had en welke aldaar enkel strekte tot het bekomen van een vergoeding voor verletschade, voor zoveel als nodig de vordering van de verzekeraars, strekkende tot vergoeding van de materiële schade aan het schip, zelf in te vorderen.
De vraag of verweerder over de vereiste hoedanigheid beschikte om deze vergoeding te vorderen diende dan ook door het hof van beroep te worden beoordeeld op het tijdstip waarop deze uitgebreide eis werd ingesteld, hetzij op datum van de betekening van de beroepsakte, met name 24 december 1999, dan wel, zoals door het hof van beroep aangenomen, die van de neerlegging van de beroepsconclusie van 26 september 2000.
In dat verband liet de medeverwerende partij, de nv Nieuwe Scheldewerven, wiens belang volkomen gelijklopend was met dat van eiseres, vermits haar veroordeling tot betaling van hetzelfde bedrag werd gevorderd, opmerken op pagina 3 van haar "synthese beroepsconclusie" dat "mogelijk appellante sub 2, indien zij op datum van de dagvaarding, nog geen betaling had ontvangen, een vordering had kunnen stellen voor de schade aan haar schip teneinde de belangen van de verzekeraars veilig te stellen, dat zij dit evenwel niet heeft gedaan en zij thans, nu de betaling een feit is, dienaangaande geen nieuwe eis kan uitbrengen of haar vordering uitbreiden ; dat de vordering van appellante sub 2 enkel maar toelaatbaar kan worden verklaard tot hetgeen in de inleidende dagvaarding werd gevorderd, namelijk verletschade ten bedrage van 679.888 BEF".
Inderdaad heeft de betaling van een vergoeding door de verzekeraar overeenkomstig de artikelen 22 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874 en 41 van de Landverzekeringsovereenkomstenwet van 25 juni 1992 tot gevolg dat de verzekeraar in de rechten treedt van de verzekerde die derhalve vanaf de betaling der vergoeding niet langer meer bij machte zal zijn om van de aansprakelijke derde vergoeding van de schade, waarvoor hij reeds door zijn verzekeraar werd vergoed, te eisen.
Het hof van beroep, dat oordeelt dat de uitgebreide eis van verweerder toelaatbaar is, zonder weliswaar na te gaan of verweerder op datum van de uitbreiding van zijn eis in graad van hoger beroep nog beschikte over de vereiste hoedanigheid daartoe, gelet op de inmiddels tussengekomen betaling der vergoeding, verantwoordt zijn beslissing dat de uitgebreide eis toelaatbaar was, niet naar recht (schending van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek). Bovendien kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat verweerder over het vereiste subjectieve recht beschikte met het oog op het instellen van de eis, zonder vooreerst vast te stellen dat de betaling van de verzekeringsvergoeding, welke de subrogatie van de verzekeraars in de rechten van de verzekeringnemer met zich bracht ten belope van het uitbetaalde bedrag, op dat ogenblik nog geen feit was (schending van de artikelen 22 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874 en 41 van de Landverzekeringsovereenkomstenwet van 25 juni 1992).
Het bestreden arrest, dat niet vaststelt op welk ogenblik de betaling plaatsvond, maakt in ieder geval het wettigheidstoezicht van het Hof onmogelijk en is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).
2. Tweede onderdeel
Naar luid van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen. Zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval voorzien bij artikel 1121 van dit wetboek.
Uit voornoemd artikel 1165 volgt niet dat een overeenkomst voor derden onbestaande zou zijn. De derde mag zich bijgevolg beroepen op het bestaan en op de gevolgen van een overeenkomst tussen de contracterende partijen in het kader van zijn eis of verweer tegen een van hen.
De uitbetaling door de verzekeraar aan zijn verzekerde van een vergoeding uit hoofde van de materiële schade, die werd toegebracht aan de verzekerde zaak, zulks in uitvoering van de tussen deze partijen bestaande overeenkomst, met de daarmee gepaard gaande subrogatie van de verzekeraar in de rechten van de verzekerde, zal dan ook door de derde kunnen worden ingeroepen als verweer tegen de vordering van de wederpartij, strekkende tot het bekomen van een veroordeling tot vergoeding van de volledige schade.
Met dit element zal a fortiori rekening moeten worden gehouden, nu de rechter, die uitspraak doet over een vordering in betaling van schadevergoeding, zich bij het begroten van de schade, veroorzaakt door een foutieve handeling, dient te plaatsen op het ogenblik van de uitspraak en hij daarbij rekening zal moeten houden met de gebeurtenissen van latere datum die, alhoewel vreemd aan de fout als dusdanig, de schade mede hebben beïnvloed in hoofde van de benadeelde.
Bij toepassing van voornoemde regel kon eiseres zich dan ook beroepen op het bestaan van de verzekeringsovereenkomst tot dekking van materiële schade, totstandgekomen tussen de wederpartij en de verzekeraars, die eveneens partij waren in het geding, evenals op de gevolgen van die overeenkomst tussen partijen teneinde de aanspraken die eerstgenoemde tegen haar liet gelden te doen afwijzen ten belope van het bedrag dat reeds aan hem door die verzekeraars werd uitgekeerd.
Het hof van beroep, dat oordeelt dat eiseres zich niet kon beroepen op de bestaande verzekeringsovereenkomst en de door de verzekeraars aan verweerder uitbetaalde vergoeding in uitvoering van die overeenkomst en de daarmee gepaard gaande subrogatie van de verzekeraars in de rechten van de verzekerde ten belope van hetgeen door hen werd uitbetaald, doet uitspraak met miskenning van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, nu dit artikel de derde geenszins het recht ontzegt om zich in het kader van zijn verweer te beroepen op het bestaan van een overeenkomst en op de gevolgen die deze overeenkomst tussen partijen heeft (schending van de artikelen 1119, 1121 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek). Het hof van beroep miskent daarbij bovendien de regel volgens dewelke de benadeelde slechts aanspraak kan maken op vergoeding van de reëel geleden schade, zoals zij vaststaat op het tijdstip van de uitspraak (schending van de artikelen 1142, 1147, 1149, 1150, 1151, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).
IV. Beslissing van het Hof
1. Eerste onderdeel
Overwegende dat, overeenkomstig artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen ;
Dat de procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, hoedanigheid en belang heeft om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist ;
Dat het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering betreft ;
Overwegende de appèlrechters oordelen dat verweerder als benadeelde partij het subjectief recht heeft om de vordering tot vergoeding van de materiële schade aan zijn schip in persoonlijke naam in te stellen ;
Dat zij vervolgens oordelen dat de bijkomende vordering tot vergoeding van de materiële schade aan zijn vaartuig door verweerder ingesteld in hoger beroep, toelaatbaar is en dat de overige middelen tot de grond van de zaak behoren ;
Dat de appèlrechters aldus oordelen dat verweerder de vereiste hoedanigheid en belang heeft om de vordering tot vergoeding van de door hem geleden materiële schade in te stellen en dat de vraag of zijn schuldvordering jegens eiseres ingevolge de betaling met subrogatie al dan niet is uitgedoofd, niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering betreft ;
Dat zij door aldus te oordelen hun beslissing naar recht verantwoorden en artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, noch artikel 22 Landverzekeringsovereenkomstenwet schenden ;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ;
Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de redenen van het arrest het Hof toelaten de wettigheid van de beslissing te toetsen ;
Dat het onderdeel, in zoverre het artikel 149 van de Grondwet als geschonden aanwijst, feitelijke grondslag mist ;
2. Tweede onderdeel
Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de verzekeraars van verweerder een ongedateerde subrogatieakte voorleggen waarin verweerder verklaart van zijn cascoverzekeraars, volgens polis van 26 mei 1994, in zake het ms. "X " de sommen van 2.193.027 BEF en 10.966,10 NLG ontvangen te hebben en op grond hiervan oordelen dat "(eiseres en de NV Nieuwe Scheldewerken) terecht stellen dat een dergelijke verklaring onvoldoende is om aan te tonen dat de verzekeraars op het ogenblik van het instellen van de vordering de nodige hoedanigheid hadden" ;
Dat de appèlrechters vervolgens niet alleen oordelen dat "het louter feit dat (verweerder) vergoed zou zijn geweest door zijn cascoverzekeraars derden niet (aanbelangt)" maar ook dat "indien namelijk de regelmatigheid van de wettelijke subrogatie betwist wordt, kunnen (eiseres en de NV Nieuwe Scheldewerken) zich evenmin beroepen op de wettelijke gevolgen van de indeplaatsstelling" ;
Dat de appèlrechters door aldus te oordelen, anders dan in het onderdeel wordt aangevoerd, niet beslissen dat de subrogatie van de verzekeraars in de rechten van verweerder niet tegenwerpelijk is aan eiseres, maar dat eiseres niet vermag tegelijkertijd ten aanzien van de verzekeraars het bestaan van de subrogatie te betwisten en ten aanzien van verweerder de wettelijke gevolgen van die subrogatie, te weten het uitdoven van zijn schuldvordering, in te roepen ;
Dat het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, feitelijke grondslag mist ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
eenparig beslissend,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van zeshonderd zesendertig euro achtentwintig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van twee april tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins.
HYDRAULIC & DIESEL SERVICE, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 37, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, nummer 47.076,
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
B.P.
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 juni 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
&§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ;
&§9472; de artikelen 1119, 1121, 1142, 1147, 1149, 1150, 1151, 1165, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ;
&§9472; artikel 22 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874 ;
&§9472; artikel 41 van de Landverzekeringsovereenkomstenwet van 25 juni 1992 ;
&§9472; artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Bij het bestreden arrest van 24 juni 2002 verklaarde het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond, bevestigde het bestreden vonnis daar waar de vordering uitgaande van de casco-verzekeraars als niet toelaatbaar werd afgewezen, hervormde het bestreden vonnis binnen de perken van het hoger beroep, verklaarde de hoofdvordering van verweerder tegen eiseres deels gegrond en veroordeelde haar tot het betalen aan verweerder van de helft van de som van de materiële schade ten bedrage van 54.363,72 euro (2.193.027 BEF) plus 4.976,2 euro (10.966,10 NLG), meer de vergoedende intresten sedert 8 november 1994, alsmede tot de helft van verletschade ten belope van 16.087,89 euro meer de vergoedende intresten sedert 8 november 1994 tot 7 oktober 1997 en van dan af de gerechtelijke intresten.
Deze beslissing berust onder meer op volgende overwegingen :
"Toelaatbaarheid
4. Bij gebreke aan bewijs van geldige kwijting op het ogenblik van de rechtsingang zijn de verzekeraars niet rechtmatig gesubrogeerd in de rechten van hun verzekerde, waardoor zij niet beschikken over het ter zake vereist subjectief recht waarvan de beschikkingsbevoegdheid is ontdaan in hoofde van X 5. Thans in hoger beroep brengen de verzekeraars een ongedateerde subrogatieakte bij waarin X verklaart van zijn casco-verzekeraars, volgens polis van 26 mei 1994, inzake het ms. X de sommen van 2.193.027 BEF en 10.966,10 NLG ontvangen te hebben. Terecht stellen geïntimeerden dat een dergelijke verklaring onvoldoende is om aan te tonen dat de verzekeraars op het ogenblik van het instellen van de vordering de nodige hoedanigheid hadden. De vordering in hoofde van de verzekeraars werd bijgevolg terecht als onontvankelijk afgewezen, trouwens dringen appelanten blijkbaar op dit punt niet meer aan.
6. Wel stellen appellanten dat, aangezien in zoverre de eis in hoofde van de verzekeraars niet zou kunnen worden toegelaten, deze aangelegenheid vreemd blijft aan derden ('res inter alios acta'), de (bijkomende) vordering ontvankelijk is en gebleven is in hoofde van de verzekerdeX . Zij betwisten bovendien dat deze bijkomende vordering een nieuwe eis zou zijn, aangezien zij gesteund is op een feit of een akte in de inleidende dagvaarding aangevoerd.
7. Daar waar in eerste aanleg steeds een onderscheid is gemaakt tussen de vordering tot vergoeding van de materiële schade uitgaande van de verzekeraars en de vordering tot vergoeding van de verletschade uitgaande van X , appellanten verkeerdelijk voorhouden reeds voor de eerste rechter deze bijkomende vordering gesteld te hebben.
10. De bijkomende eis bij conclusies in hoger beroep strekkende tot vergoeding van de materiële schade opgelopen ingevolge dezelfde schadevaring voldoet aan deze wettelijke vereisten. Als benadeelde partij heeft X het subjectief recht om een dergelijke vordering in persoonlijke naam in te stellen, de beschikkingsbevoegdheid over het aangevoerde recht behoort hem immers toe.
11. De techniek van de naamlening is te dezer zake niet van doen. Trouwens te dezer zake verleent de verzekerde in de subrogatieakte (zie hoger onder 5) machtiging aan de casco-verzekeraars alle verhaal tegen derden uit te oefenen ook voor zoveel als nodig in zijn naam en niet omgekeerd.
12. Derhalve moet besloten worden dat de bijkomende vordering in hoger beroep van ter invordering van de geleden materiële schade toelaatbaar is en dat de overige middelen reeds tot de grond van de zaak behoren.
Ten gronde
13. Het louter feit dat X vergoed zou zijn geweest door zijn casco-verzekeraars belangt derden niet aan en belet niet dat hij als materiële procespartij zijn vordering behoudt tegen de schadeverwekker. Indien namelijk de regelmatigheid van de wettelijke subrogatie betwist wordt kunnen geïntimeerden zich evenmin beroepen op de wettelijke gevolgen van deze indeplaatsstelling. Het optreden door een formele procespartij kan immers enkel tot voorwerp hebben de uitoefening van de rechtsvordering zelf voor rekening van de houder ervan, die om een of andere reden deze vordering niet zelf meer kan uitoefenen'.
20. Hydraulic Diesel Service NV is niet alleen te kort geschoten in haar informatieplicht, doch heeft tevens een professionele fout begaan in de uitvoering van haar opdracht, zodat zij en de schipper samen ieder voor de helft aansprakelijk zijn voor de schadelijke gevolge van hun daden.
24. Bijgevolg komt aan X toe de helft van de materiële schade ten belope van 54.363,72 euro (2.193.027 BEF) plus 4.976,2 euro (10.966,10 NLG) meer de vergoedende interesten sedert 8 november 1994 alsmede tot de helft van de verletschade ten belope van 16.087,89 euro (648.984 BEF) meer de vergoedende interesten sedert 8 november 1994".
Grieven
1. Eerste onderdeel
De hoedanigheid waarover iedere partij, die een vordering in rechte instelt, dient te beschikken, wordt beoordeeld op het ogenblik waarop die vordering wordt ingesteld.
Bij toepassing van die regel zal de toelaatbaarheid van een uitgebreide of gewijzigde eis zodoende moeten worden beoordeeld op het ogenblik waarop een partij haar eis uitbreidt of wijzigt, met dien verstande dat de rechter hierbij rekening zal moeten houden met de wijzigingen die zich in de rechtstoestand van die partij zouden hebben voorgedaan sinds de inleiding van het oorspronkelijke geding.
Te dezen betwistten eiseres evenals haar medeverwerende partij, de nv Nieuwe Scheldewerven, in eerste instantie de toelaatbaarheid van de eis van de verzekeraars omdat niet was aangetoond dat zij op het tijdstip waarop zij hun vordering instelden, te weten 7 oktober 1997, ingevolge de uitbetaling van de verzekeringsvergoeding aan verweerder, reeds waren gesubrogeerd in de rechten van hun verzekerde, met name verweerder, zulks bij toepassing van artikel 22 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874 dan wel artikel 41 van de Landverzekeringsovereenkomstenwet van 25 juni 1992.
In reactie op dit middel van niet-ontvankelijkheid van de vordering der verzekeraars, waarop door de eerste rechter was ingegaan, verklaarde verweerder bij zijn beroepsakte, bij wijze van uitbreiding van de vordering die hij voor de eerste rechter gebracht had en welke aldaar enkel strekte tot het bekomen van een vergoeding voor verletschade, voor zoveel als nodig de vordering van de verzekeraars, strekkende tot vergoeding van de materiële schade aan het schip, zelf in te vorderen.
De vraag of verweerder over de vereiste hoedanigheid beschikte om deze vergoeding te vorderen diende dan ook door het hof van beroep te worden beoordeeld op het tijdstip waarop deze uitgebreide eis werd ingesteld, hetzij op datum van de betekening van de beroepsakte, met name 24 december 1999, dan wel, zoals door het hof van beroep aangenomen, die van de neerlegging van de beroepsconclusie van 26 september 2000.
In dat verband liet de medeverwerende partij, de nv Nieuwe Scheldewerven, wiens belang volkomen gelijklopend was met dat van eiseres, vermits haar veroordeling tot betaling van hetzelfde bedrag werd gevorderd, opmerken op pagina 3 van haar "synthese beroepsconclusie" dat "mogelijk appellante sub 2, indien zij op datum van de dagvaarding, nog geen betaling had ontvangen, een vordering had kunnen stellen voor de schade aan haar schip teneinde de belangen van de verzekeraars veilig te stellen, dat zij dit evenwel niet heeft gedaan en zij thans, nu de betaling een feit is, dienaangaande geen nieuwe eis kan uitbrengen of haar vordering uitbreiden ; dat de vordering van appellante sub 2 enkel maar toelaatbaar kan worden verklaard tot hetgeen in de inleidende dagvaarding werd gevorderd, namelijk verletschade ten bedrage van 679.888 BEF".
Inderdaad heeft de betaling van een vergoeding door de verzekeraar overeenkomstig de artikelen 22 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874 en 41 van de Landverzekeringsovereenkomstenwet van 25 juni 1992 tot gevolg dat de verzekeraar in de rechten treedt van de verzekerde die derhalve vanaf de betaling der vergoeding niet langer meer bij machte zal zijn om van de aansprakelijke derde vergoeding van de schade, waarvoor hij reeds door zijn verzekeraar werd vergoed, te eisen.
Het hof van beroep, dat oordeelt dat de uitgebreide eis van verweerder toelaatbaar is, zonder weliswaar na te gaan of verweerder op datum van de uitbreiding van zijn eis in graad van hoger beroep nog beschikte over de vereiste hoedanigheid daartoe, gelet op de inmiddels tussengekomen betaling der vergoeding, verantwoordt zijn beslissing dat de uitgebreide eis toelaatbaar was, niet naar recht (schending van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek). Bovendien kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat verweerder over het vereiste subjectieve recht beschikte met het oog op het instellen van de eis, zonder vooreerst vast te stellen dat de betaling van de verzekeringsvergoeding, welke de subrogatie van de verzekeraars in de rechten van de verzekeringnemer met zich bracht ten belope van het uitbetaalde bedrag, op dat ogenblik nog geen feit was (schending van de artikelen 22 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874 en 41 van de Landverzekeringsovereenkomstenwet van 25 juni 1992).
Het bestreden arrest, dat niet vaststelt op welk ogenblik de betaling plaatsvond, maakt in ieder geval het wettigheidstoezicht van het Hof onmogelijk en is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).
2. Tweede onderdeel
Naar luid van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen. Zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval voorzien bij artikel 1121 van dit wetboek.
Uit voornoemd artikel 1165 volgt niet dat een overeenkomst voor derden onbestaande zou zijn. De derde mag zich bijgevolg beroepen op het bestaan en op de gevolgen van een overeenkomst tussen de contracterende partijen in het kader van zijn eis of verweer tegen een van hen.
De uitbetaling door de verzekeraar aan zijn verzekerde van een vergoeding uit hoofde van de materiële schade, die werd toegebracht aan de verzekerde zaak, zulks in uitvoering van de tussen deze partijen bestaande overeenkomst, met de daarmee gepaard gaande subrogatie van de verzekeraar in de rechten van de verzekerde, zal dan ook door de derde kunnen worden ingeroepen als verweer tegen de vordering van de wederpartij, strekkende tot het bekomen van een veroordeling tot vergoeding van de volledige schade.
Met dit element zal a fortiori rekening moeten worden gehouden, nu de rechter, die uitspraak doet over een vordering in betaling van schadevergoeding, zich bij het begroten van de schade, veroorzaakt door een foutieve handeling, dient te plaatsen op het ogenblik van de uitspraak en hij daarbij rekening zal moeten houden met de gebeurtenissen van latere datum die, alhoewel vreemd aan de fout als dusdanig, de schade mede hebben beïnvloed in hoofde van de benadeelde.
Bij toepassing van voornoemde regel kon eiseres zich dan ook beroepen op het bestaan van de verzekeringsovereenkomst tot dekking van materiële schade, totstandgekomen tussen de wederpartij en de verzekeraars, die eveneens partij waren in het geding, evenals op de gevolgen van die overeenkomst tussen partijen teneinde de aanspraken die eerstgenoemde tegen haar liet gelden te doen afwijzen ten belope van het bedrag dat reeds aan hem door die verzekeraars werd uitgekeerd.
Het hof van beroep, dat oordeelt dat eiseres zich niet kon beroepen op de bestaande verzekeringsovereenkomst en de door de verzekeraars aan verweerder uitbetaalde vergoeding in uitvoering van die overeenkomst en de daarmee gepaard gaande subrogatie van de verzekeraars in de rechten van de verzekerde ten belope van hetgeen door hen werd uitbetaald, doet uitspraak met miskenning van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, nu dit artikel de derde geenszins het recht ontzegt om zich in het kader van zijn verweer te beroepen op het bestaan van een overeenkomst en op de gevolgen die deze overeenkomst tussen partijen heeft (schending van de artikelen 1119, 1121 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek). Het hof van beroep miskent daarbij bovendien de regel volgens dewelke de benadeelde slechts aanspraak kan maken op vergoeding van de reëel geleden schade, zoals zij vaststaat op het tijdstip van de uitspraak (schending van de artikelen 1142, 1147, 1149, 1150, 1151, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).
IV. Beslissing van het Hof
1. Eerste onderdeel
Overwegende dat, overeenkomstig artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen ;
Dat de procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, hoedanigheid en belang heeft om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist ;
Dat het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering betreft ;
Overwegende de appèlrechters oordelen dat verweerder als benadeelde partij het subjectief recht heeft om de vordering tot vergoeding van de materiële schade aan zijn schip in persoonlijke naam in te stellen ;
Dat zij vervolgens oordelen dat de bijkomende vordering tot vergoeding van de materiële schade aan zijn vaartuig door verweerder ingesteld in hoger beroep, toelaatbaar is en dat de overige middelen tot de grond van de zaak behoren ;
Dat de appèlrechters aldus oordelen dat verweerder de vereiste hoedanigheid en belang heeft om de vordering tot vergoeding van de door hem geleden materiële schade in te stellen en dat de vraag of zijn schuldvordering jegens eiseres ingevolge de betaling met subrogatie al dan niet is uitgedoofd, niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering betreft ;
Dat zij door aldus te oordelen hun beslissing naar recht verantwoorden en artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, noch artikel 22 Landverzekeringsovereenkomstenwet schenden ;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ;
Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de redenen van het arrest het Hof toelaten de wettigheid van de beslissing te toetsen ;
Dat het onderdeel, in zoverre het artikel 149 van de Grondwet als geschonden aanwijst, feitelijke grondslag mist ;
2. Tweede onderdeel
Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de verzekeraars van verweerder een ongedateerde subrogatieakte voorleggen waarin verweerder verklaart van zijn cascoverzekeraars, volgens polis van 26 mei 1994, in zake het ms. "X " de sommen van 2.193.027 BEF en 10.966,10 NLG ontvangen te hebben en op grond hiervan oordelen dat "(eiseres en de NV Nieuwe Scheldewerken) terecht stellen dat een dergelijke verklaring onvoldoende is om aan te tonen dat de verzekeraars op het ogenblik van het instellen van de vordering de nodige hoedanigheid hadden" ;
Dat de appèlrechters vervolgens niet alleen oordelen dat "het louter feit dat (verweerder) vergoed zou zijn geweest door zijn cascoverzekeraars derden niet (aanbelangt)" maar ook dat "indien namelijk de regelmatigheid van de wettelijke subrogatie betwist wordt, kunnen (eiseres en de NV Nieuwe Scheldewerken) zich evenmin beroepen op de wettelijke gevolgen van de indeplaatsstelling" ;
Dat de appèlrechters door aldus te oordelen, anders dan in het onderdeel wordt aangevoerd, niet beslissen dat de subrogatie van de verzekeraars in de rechten van verweerder niet tegenwerpelijk is aan eiseres, maar dat eiseres niet vermag tegelijkertijd ten aanzien van de verzekeraars het bestaan van de subrogatie te betwisten en ten aanzien van verweerder de wettelijke gevolgen van die subrogatie, te weten het uitdoven van zijn schuldvordering, in te roepen ;
Dat het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, feitelijke grondslag mist ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
eenparig beslissend,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van zeshonderd zesendertig euro achtentwintig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van twee april tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins.