Hof van Cassatie: Arrest van 2 April 2004 (België). RG C020030F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20040402-5
- Rolnummer :
- C020030F
Samenvatting :
De verzekeraar die beweert van dekking bevrijd te zijn, moet bewijzen dat de verzekerde de opzettelijke daad heeft begaan waardoor hij het voordeel van de verzekering heeft verloren (1). (1) Zie concl. O.M. in Bull. en Pas., I, 2004, nr ...
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. C.02.0030.F.-
1. LE MONSEU, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
2. M. L.,
Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
1. FORTIS AG, naamloze vennootschap,
2. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap,
Mr. François T' Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,
3. BRASSERIE DEMARCHE, naamloze vennootschap.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 13 maart 2001 gewezen is door het Hof van Beroep te Luik.
II. Rechtspleging voor het Hof
Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.
III. Middel
IV. Beslissing van het Hof
Eerste onderdeel
Overwegende dat artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat degene die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen, en dat het tweede lid bepaalt dat, daarentegen, degene die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft veroorzaakt ; dat artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek slechts de veralgemening is van de in voornoemd artikel 1315 neergelegde regel ;
Overwegende dat de verzekeraar, ingevolge artikel 8 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, niettegenstaande enig andersluidend beding, niet verplicht kan worden dekking te geven aan degene die het schadegeval opzettelijk veroorzaakt ;
Overwegende dat de verzekeraar die beweert van dekking bevrijd te zijn, met toepassing van artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, moet bewijzen dat de verzekerde een opzettelijke daad heeft begaan die hem het voordeel van de verzekering ontzegt ;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat een brand het gebouw van de eerste eiseres heeft verwoest en de inboedel van de tweede eiseres heeft vernietigd, dat zij hun respectieve risico's hadden laten verzekeren bij de eerste twee verweersters en dat die brand opzettelijk was aangestoken ;
Dat het arrest oordeelt dat de eiseressen moeten bewijzen dat de brand "het feit van een derde (was) die zonder hun medeweten en zonder instructies van hunnentwege heeft gehandeld" ;
Dat het arrest aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
De overige grieven
Overwegende dat er geen grond bestaat tot onderzoek van de overige onderdelen die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ;
OM DIE REDENEN
HET HOF,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het tegen de derde verweerster ingestelde principaal hoger beroep niet&§64979;ontvankelijk verklaart ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Christian Storck, Didier Batselé, Albert Fettweis en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van twee april tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Xavier De Riemaecker, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De afdelingsvoorzitter,
1. LE MONSEU, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
2. M. L.,
Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
1. FORTIS AG, naamloze vennootschap,
2. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap,
Mr. François T' Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,
3. BRASSERIE DEMARCHE, naamloze vennootschap.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 13 maart 2001 gewezen is door het Hof van Beroep te Luik.
II. Rechtspleging voor het Hof
Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.
III. Middel
IV. Beslissing van het Hof
Eerste onderdeel
Overwegende dat artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat degene die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen, en dat het tweede lid bepaalt dat, daarentegen, degene die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft veroorzaakt ; dat artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek slechts de veralgemening is van de in voornoemd artikel 1315 neergelegde regel ;
Overwegende dat de verzekeraar, ingevolge artikel 8 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, niettegenstaande enig andersluidend beding, niet verplicht kan worden dekking te geven aan degene die het schadegeval opzettelijk veroorzaakt ;
Overwegende dat de verzekeraar die beweert van dekking bevrijd te zijn, met toepassing van artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, moet bewijzen dat de verzekerde een opzettelijke daad heeft begaan die hem het voordeel van de verzekering ontzegt ;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat een brand het gebouw van de eerste eiseres heeft verwoest en de inboedel van de tweede eiseres heeft vernietigd, dat zij hun respectieve risico's hadden laten verzekeren bij de eerste twee verweersters en dat die brand opzettelijk was aangestoken ;
Dat het arrest oordeelt dat de eiseressen moeten bewijzen dat de brand "het feit van een derde (was) die zonder hun medeweten en zonder instructies van hunnentwege heeft gehandeld" ;
Dat het arrest aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
De overige grieven
Overwegende dat er geen grond bestaat tot onderzoek van de overige onderdelen die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ;
OM DIE REDENEN
HET HOF,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het tegen de derde verweerster ingestelde principaal hoger beroep niet&§64979;ontvankelijk verklaart ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Christian Storck, Didier Batselé, Albert Fettweis en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van twee april tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Xavier De Riemaecker, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De afdelingsvoorzitter,