Hof van Cassatie: Arrest van 2 December 1991 (België). RG 7768

Datum :
02-12-1991
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19911202-1
Rolnummer :
7768

Samenvatting :

De moeilijk te plaatsen werklozen die met toepassing van art. 171bis Werkloosheidsbesluit tewerkgesteld zijn in een beschutte werkplaats, zijn gebonden door een arbeidsovereenkomst; zij moeten derhalve worden opgenomen op de kiezerslijsten voor de sociale verkiezingen. ( Art. 13 K.B. 18 oktober 1990. )

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden vonnis, op 9 april 1991 in laatste aanleg gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven;
Over het middel, gesteld als volgt : "schending van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 oktober 1990 betreffende de ondernemingsraden en de comité's voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, artikelen 126 en 171bis, alinéa 1, alinéa 2 en alinéa 4, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 1 december 1967, artikel 2, derde lid, 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon en artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten,
doordat de Arbeidsrechtbank te Leuven de vordering van verweerder toelaatbaar en gegrond verklaart, voor recht verklaart dat de in de exploitatiezetels van eiseres tewerkgestelde moeilijk te plaatsen werklozen, tewerkgesteld in toepassing van artikel 171bis van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid, dienen opgenomen op de definitieve kiezerslijsten met het oog op de in 1991 te houden sociale verkiezingen en eiseres veroordeelt tot de kosten op de gronden dat : "volgens artikel 13 van ditzelfde koninklijk besluit wordt aan de verkiezingen van de personeelsafgevaardigden in de raad of het comité deelgenomen door alle werknemers van de onderneming die verbonden zijn door een arbeids- of een leerovereenkomst, met uitzondering van de huisarbeiders en de werknemers die deel uitmaken van het leidinggevend personeel, die op de datum van de verkiezingen voldoen aan de volgende voorwaarden : 1. Belg zijn of onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Ekonomische Gemeenschap... (tekst hier verder zonder belang); 2. sedert ten minste drie maanden tewerkgesteld zijn in de juridische entiteit of in de technische bedrijfseenheid gevormd door meerdere juridische entiteiten. Van zijn kant bepaalt artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat de arbeidsovereenkomst voor werklieden de overeenkomst is waarbij een werknemer zich verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever in hoofdzaak handarbeid te verrichten. Zoals reeds aangestipt in het vonnis van 4 april 1991 van deze rechtbank, in een geding betreffende sociale verzekeringen (A.R. nr. 726/91), is de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten wel degelijk van toepassing op de in een beschermde werkplaats tewerkgestelde moeilijk te plaatsen werklozen. De moeilijk te plaatsen werklozen werken in de beschermde werkplaats immers in een band van ondergeschiktheid en dit tegen betaling van een loon. Dit loon wordt voor een deel gevormd door een vergoeding in het raam van de werkloosheidsreglementering (betaald aan de beschermde werkplaats in de vorm van loonsubsidie) en voor het andere deel door een uurloon. Weliswaar heeft men hier te maken met een specifieke toestand vermits, krachtens artikel 126 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, enkel de werknemer die werkloze zonder loon wordt wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil, aanspraak heeft op werkloosheidsuitkering. Anderzijds echter behoudt artikel 171bis, alinéa 1, van ditzelfde koninklijk besluit, het recht op werkloosheidsuitkering, tijdens de duur van zijn tewerkstelling, ten voordele van de uitkeringsgerechtigde werkloze die beschouwd wordt als zijnde moeilijk te plaatsen en die door toedoen van het gewestelijk bureau van de R.V.A. in een beschermde werkplaats wordt tewerkgesteld. Het feit dat de betrokkenen tijdens de duur van die tewerkstelling als werkzoekende blijven ingeschreven en tevens recht op werkloosheidsuitkering behouden, is ingegeven door de bekomm
ernis hen een zeker (alhoewel bescheiden) inkomen te verlenen en hen ook na hun tewerkstelling het recht op een vervangingsinkomen te waarborgen. Dit neemt niet weg dat zij zich ertoe hebben verbonden in de beschermde werkplaats in hoofdzaak handarbeid te verrichten tegen loon, onder het gezag van een werkgever. Zij beantwoorden dan ook aan de definitie, gegeven door het reeds aangehaald artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Voor zover zij ook de andere wettelijke voorwaarden vervullen, zijn de in een beschermde werkplaats tewerkgestelde moeilijk te plaatsen werklozen bijgevolg wel degelijk kiesgerechtigd", (bestreden vonnis p. 3 en 4),
terwijl overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 oktober 1990 betreffende de ondernemingsraden en de comité, voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen aan de verkiezingen van de personeelsafgevaardigden in de raad of het comité wordt deelgenomen door alle werknemers van de onderneming die verbonden zijn door een arbeids- of een leerovereenkomst, met uitzondering van de huisarbeiders en de werknemers die deel uitmaken van het leidinggevend personeel, die op de datum van de verkiezingen aan de in voormeld artikel 13 bepaalde voorwaarden voldoen, dat de moeilijk te plaatsen werklozen die overeenkomstig artikel 171bis, alinéa 1, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid worden tewerkgesteld in een beschutte werkplaats niet kunnen beschouwd worden als werknemers van de onderneming die verbonden zijn door een arbeids- of een leerovereenkomst zoals vereist door artikel 13 van voormeld koninklijk besluit van 18 oktober 1990; dat de moeilijk te plaatsen werklozen overeenkomstig artikel 171bis, alinéa 1 en alinéa 2, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 immers het statuut van werkzoekende werkloze behouden; dat krachtens artikel 171bis, alinéa 1, van ditzelfde koninklijk besluit de tewerkgestelde moeilijk te plaatsen werkloze immers het recht op werkloosheidsuitkering tijdens de duur van zijn tewerkstelling behoudt; dat anderzijds krachtens artikel 126 van ditzelfde koninklijk besluit van 20 december 1963 enkel de werknemer die werkloze zonder loon wordt wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil, aanspraak heeft de werkloosheidsuitkering; dat uit de samenlezing van de artikelen 126 en 171bis, alinéa 1, alinéa 2 en alinéa 4, voortvloeit dat de vergoeding die de tewerkgestelde werkloze ontvangt niet kan beschouwd worden als loon doch als werkloosheidsvergoeding dient beschouwd te worden; dat de bijkomende vergoeding die desgevallend door de beschutte werkplaatsen wordt uitgekeerd aan de tewerkgestelde werklozen, benevens de werkloosheidsvergoeding, overeenkomstig artikel 2, derde lid, 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon, dient beschouwd te worden als een aanvulling van de voordelen toegekend door de verschillende takken van de sociale zekerheid en dus evenmin kan beschouwd worden als loon; dat artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten waarin wordt bepaald dat de arbeidsovereenkomst voor werklieden de overeenkomst is waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder gezag van een werkgever in hoofdzaak handarbeid te verrichten, er niet aan in de weg staat dat personen, zoals te dezen, krachtens een ander statuut kunnen worden tewerkgesteld, de arbeidsrechtbank derhalve door te beslissen dat de in een beschutte werkplaats tewerkgestelde moeilijk te plaatsen werklozen zich ertoe verbonden hebben in hoofdzaak handarbeid te verrichten tegen loon, onder het gezag van een werkgever en zodoende beantwoorden aan de definitie gegeven in artikel 2 van de arbeidsovereenkomstenwet en derhalve voldoen aan de kiesvoorwaard
en bepaald in artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 oktober 1990 alle in het middel aangeduide wetsartikelen schendt";
Overwegende dat krachtens artikel 171bis van het Werkloosheidsbesluit, de uitkeringsgerechtigde werklozen die als moeilijk te plaatsen worden beschouwd, door toedoen van het gewestelijk bureau kunnen worden tewerkgesteld in een beschutte werkplaats "bedoeld in artikel 47 of 144 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen";
Dat, overeenkomstig artikel 23 van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen en voormeld artikel 47, tweede lid, 3°, van het koninklijk besluit van 5 juli 1963, de minder-validen in een beschutte werkplaats worden tewerkgesteld krachtens een leerovereenkomst of krachtens een arbeidsovereenkomst voor werklieden, bedienden of huisarbeiders;
Dat, ook al worden de in artikel 171bis bedoelde werklozen tewerkgesteld door toedoen van het gewestelijk bureau, al behouden zij hun recht op werkloosheidsuitkering en al blijven zij ingeschreven als werkzoekende, zij niettemin met de beschutte werkplaats verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst of door een leerovereenkomst zoals de overige er tewerkgestelde minder-validen;
Overwegende dat de arbeidsrechtbank zonder schending van de in het middel vermelde wettelijke bepalingen oordeelt dat de bedoelde moeilijk te plaatsen werklozen met de beschutte werkplaats door een arbeidsovereenkomst voor werklieden verbonden zijn, en dat zij wettig beslist dat die werklozen moeten worden opgenomen op de kiezerslijsten voor de sociale verkiezingen;
Dat het middel faalt naar recht;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiseres in de kosten.