Hof van Cassatie: Arrest van 2 November 2004 (België). RG P040857N

Datum :
02-11-2004
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20041102-1
Rolnummer :
P040857N

Samenvatting :

Samenvatting 1

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Nr. P.04.0857.N
I + II
V. B. D. M. M.,
eiser, beklaagde, burgerlijke partij,
met als raadsman Mr. Claude Van Marcke, advocaat bij de balie te Kortrijk,
tegen
D. F. C. A.,
verweerder, burgerlijke partij, beklaagde,
met als raadsman Mr. Marc Doutreluingne, advocaat bij de balie te Kortrijk.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis, op 30 april 2004 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Kortrijk.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Onderzoek van de middelen
1. Eerste middel
Overwegende dat, naar luid van artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd;
Dat, krachtens artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf wordt toegepast;
Overwegende dat, in tegenstelling tot wat het middel betoogt, het eerste lid van de voormelde wetsbepaling de terugwerkende kracht van de voor de beklaagde gunstige strafwet niet onderwerpt aan de voorwaarde dat de mildere straf die zij oplegt, moet hebben bestaan ten tijde van het misdrijf;
Overwegende dat naar luid van artikel 40, eerste lid, Strafwetboek, bij gebreke van betaling binnen twee maanden te rekenen van het arrest of van het vonnis, indien het op tegenspraak, of te rekenen van de betekening, indien het bij verstek is gewezen, de geldboete kan worden vervangen door gevange-nisstraf waarvan de duur bij het vonnis of het arrest van veroordeling wordt bepaald en die drie maanden niet zal te bovengaan voor hen die wegens wanbedrijf zijn veroordeeld;
Dat krachtens artikel 69bis Wegverkeerswet, ingevoegd bij artikel 33 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, in werking getreden op 1 maart 2004 krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 houdende vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, voor de toepassing van de Wegverkeerswet en, in afwijking van artikel 40 Strafwetboek, de boete bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee maanden na het arrest of het vonnis, indien het op tegenspraak, of te rekenen van de betekening, indien het bij verstek is gewezen, kan worden vervangen door een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig waarvan de duur zal worden bepaald door het vonnis of het arrest van veroordeling, en die niet langer dan een maand en niet korter dan acht dagen zal zijn;
Overwegende dat een vervangende gevangenisstraf een zwaardere straf is dan een vervangend verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig aangezien de weerslag op de individuele vrijheid groter is;
Overwegende dat het bestreden vonnis, door de door de eerste rechter uitgesproken vervangende gevangenisstraffen wegens inbreuken op de Wegverkeerswet te vervangen door een vervangend verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig, aan eiser de minst zware straf oplegt;
Dat de appèlrechters aldus artikel 2 Strafwetboek niet schenden;
Overwegende dat eiser de schending van de overige grondwets- en verdragsbepalingen alleen afleidt uit de vergeefs aangevoerde miskenning van het in het voormelde artikel 2 vastgelegde beginsel;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
2. Tweede middel
Overwegende dat de rechter niet hoeft te antwoorden op argumenten die aangevoerd worden ter ondersteuning van een middel maar die afzonderlijk genomen geen middel uitmaken;
Dat het in het middel vermelde argument door eiser enkel werd aangevoerd ter ondersteuning van zijn verweer dat verweerder met een onaangepaste snelheid reed;
Overwegende dat het bestreden vonnis met de erin vermelde redenen dit verweer verwerpt en beantwoordt;
Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist;
Overwegende dat het middel voor het overige opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de appèlrechters, mitsdien niet ontvankelijk is;
B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorge-schreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de cassatieberoepen;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van driehonderd vierentachtig euro vijfentachtig cent, waarvan I. op het cassatieberoep van V.B.D., beklaagde: zestig euro drieënzeventig cent verschuldigd en II. op het cassatieberoep van V.B.D., burgerlijke partij: zevenentwintig euro vierenzeventig cent verschuldigd en tweehonderd zesennegentig euro achtendertig cent door eiser betaald.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van twee november tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.