Hof van Cassatie: Arrest van 20 April 2004 (België). RG P030802N

Datum :
20-04-2004
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20040420-9
Rolnummer :
P030802N

Samenvatting :

Een accijnsgoed dat buiten een schorsingsregeling voorhanden wordt gehouden, is ooit, op welke wijze dan ook, uitgeslagen tot verbruik (1) (2). (1) Zie H.v.J. EG, 5 april 2001, Jur. 2001, I-2729 (van de Water, C-325/99). (2) De thans toepasselijke bepalingen zijn artt. 4, ,§ 1, sub 8° en 11°, 6, 12 en 15, ,§ 1, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Nr. P.03.0802.N
L. P.,
eiser, beklaagde,
met als raadsman Mr. Hubert Dubois, advocaat bij de balie te Antwerpen,
ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Kris Heyrman, advocaat bij de balie te Antwerpen,
tegen
MINISTER VAN FINANCIËN, met kabinet te Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en vordering van de directeur der douane en accijnzen te Antwer-pen, met kantoren te Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22,
verweerder, vervolgende partij,
vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 23 april 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt in een memorie drie middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Onderzoek van de middelen
1. Eerste middel
Overwegende dat krachtens artikel 26, ,§ 2, derde lid, Bijzondere Wet Arbitragehof, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003 die op 21 april 2003 in werking is getreden, het rechtscollege waarvan de beslissing vat-baar is voor, al naargelang van het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, niet gehouden is een opgeworpen prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen, wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 Grondwet bedoelde regel, een regel of een arti-kel van de Grondwet bedoeld in ,§ 1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeer-lijk is om uitspraak te doen;
Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat:
1° artikel 43 van de van wet 10 juni 1997 betreffende de algemene rege-ling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop,
2° artikel 32 van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken,
de artikelen 10 en 11 Grondwet klaarblijkelijk niet schenden en er derhalve geen grond is om de opgeworpen prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te stellen;
Dat de appèlrechters aldus hun beslissing naar recht verantwoorden;
Overwegende dat voor het overige de omstandigheid dat de rechter an-ders motiveert dan een partij vraagt, geen schending van de motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet oplevert;
Dat de beide onderdelen van het middel in zoverre niet kunnen worden aangenomen;
Overwegende dat eiser, in ondergeschikte orde, de aan het Arbitragehof te stellen prejudiciële vragen opwerpt of artikel 43 wet 10 juni 1997 en artikel 32 wet 7 januari 1998, het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, geformuleerd door de artikelen 10 en 11 Grondwet, schenden, doordat deze bepalingen met de retroactieve bekrachtiging van het koninklijk besluit van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden heb-ben en het verkeer daarvan en de controles daarop, de persoon die na de inwer-kingtreding van deze wet vervolgd wordt voor de strafrechter, de mogelijkheid ontneemt om de strijdigheid van voormeld koninklijk besluit van 29 december 1992 met de Grondwet en met artikel 11, ,§ 2, A.W.D.A. te laten vaststellen, terwijl diegenen die vóór de inwerkingtreding van deze bepaling vervolgd wer-den voor de strafrechter, wel in de mogelijkheid verkeerden om deze strijdig-heid te laten vaststellen;
Overwegende dat het krachtens artikel 159 Grondwet de rechter behoort de wettelijkheid, hierin begrepen de grondwettelijkheid, te toetsen van alge-mene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen;
dat het krachtens artikel 26, ,§ 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof het het Arbitragehof toekomt om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de schending door een wet, een decreet of een in artikel 26bis Grondwet bedoelde regel van artikel 10, 11 en 24 Grondwet;
Overwegende dat, enerzijds, een beklaagde er geen belang bij heeft de grondwettelijkheid te laten toetsen van algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen die op het ogenblik van de uitspraak van de rechter niet op zijn zaak toepasselijk zijn; dat, anderzijds, de beklaagde de grondwettelijkheid van de bekrachtigingswet en deze van het hierdoor bekrachtigde en daardoor wet geworden besluit kan laten toetsen;
Dat het middel dat uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, faalt naar recht; dat er derhalve geen grond bestaat aan het Arbitragehof opgeworpen pre-judiciële vragen te stellen;
2. Tweede middel
Overwegende dat de door eiser opgeworpen vraag al het voorwerp heeft uitgemaakt van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Eu-ropese Gemeenschappen en de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is dat geen ruimte voor twijfel kan bestaan;
Dat het Hof bijgevolg niet verplicht is een prejudiciële vraag te stellen krachtens artikel 234 (ex 177) van het EEG-Verdrag;
Overwegende dat de artikelen 4, sub b en c, 5, lid 1, 6, lid 1, 11, lid 2, 12 en 15 van de richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, in het nationale recht zijn omgezet door de artikelen 3, sub h en k, 4, 5, 12 en 15 van het koninklijk besluit van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de contro-les daarop;
Overwegende dat, zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeens-chappen heeft beslist in het arrest "van de Water" van 5 april 2001 (zaak C-325/99), uit de opzet van de richtlijn en uit de bepalingen daarvan betreffende de definitie en de werking van de belastingentrepots en de schorsingsregeling, zoals de artikelen 4, sub b en c, 11, lid 2, 12 en 15, lid 1, van de richtlijn, volgt dat een accijnsgoed dat buiten een schorsingsregeling voorhanden wordt ge-houden, noodzakelijkerwijs ooit, op welke wijze dan ook, is uitgeslagen tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1;
Dat de gemeenschapswetgever, door een onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling gelijk te stellen met uitslag tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn, duidelijk heeft gemaakt dat alle productie, verwerking, voorhanden hebben of verkeer buiten de schorsingsregeling leidt tot verschuldigdheid van de accijns;
Overwegende dat het middel aanvoert dat een accijnsproduct, zolang het wordt vergezeld van een in artikel 18 van de richtlijn bedoeld document, niet aan de schorsingsregeling is onttrokken, ook al wordt te dezen het accijn-sproduct voorhanden gehouden, door eiser die geen entrepothouder is;
Overwegende dat overeenkomstig artikel 18 van de richtlijn, in het na-tionale recht omgezet door artikel 18 van het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1992, elk accijnsproduct dat zich onder de schorsingsregeling in het verkeer tussen de Lid-Staten bevindt, vergezeld gaat van een door de af-zender opgesteld document;
Dat dit document alleen betrekking heeft op het verkeer van accijnspro-ducten onder de schorsingsregeling zoals bedoeld in artikel 15, lid 1, van de richtlijn;
Dat het feit dat de accijnsproducten vergezeld zijn van het in artikel 18 van de richtlijn bedoelde document, niet meebrengt dat de accijnsproducten die worden voorhanden gehouden, vallen onder de schorsingsregeling onder de voorwaarden zoals bepaald in artikel 11, lid 2, van de richtlijn;
Dat het middel in zoverre faalt naar recht;
Overwegende dat het middel, in zoverre het een motiveringsgebrek aanvoert, is afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde wettigheidsgrief;
Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is;
3. Derde middel
3.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat eiser voor de appèlrechters aanvoerde dat hij niet kon worden veroordeeld tot betaling van de ontdoken rechten krachtens het konin-klijk besluit van 12 juli 1978 houdende coördinatie van de wetsbepalingen be-treffende het accijnsregime van alcohol omdat de in het antwoord op het eerste middel vermelde koninklijke besluiten van 29 december 1992 ongrondwettig zouden zijn;
Dat het arrest het verweer in verband met de beweerde ongrondwettelijkheid van de voormelde koninklijke besluiten verwerpt en zodoende eisers verweer dat hij niet kon worden veroordeeld tot betaling van de ontdoken rechten krachtens het koninklijk besluit van 12 juli 1978, beantwoordt;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
Overwegende dat het arrest oordeelt dat de accijns en de bijzondere accijns verschuldigd zijn op grond van de artikelen 133 en 136 van het voormelde koninklijk besluit van 12 juli 1978; dat het aldus niet meer hoefde te antwoorden op de wegens deze beslissing doelloos geworden conclusie betreffende de toepasselijkheid van artikel 266, ,§ 1, A.W.D.A.;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
3.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat het arrest oordeelt "dat de accijns en de bijzondere accijns te dezen wel degelijk verschuldigd zijn op grond van de bepalingen van de artikelen 133 en 136 van de wet van 12 juli 1978 betreffende het accijnsre-gime van alcohol en van artikel 266, ,§ 1, A.W.D.A.";
Dat het onderdeel dat alleen schending van artikel 266, ,§ 1, A.W.D.A. aanvoert, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is;
B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorges-chreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van zevenennegentig euro zevenen-tachtig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van twintig april tweeduizend en vier, door afdeling-svoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.