Hof van Cassatie: Arrest van 21 Juni 1999 (België). RG F990006F

Datum :
21-06-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990621-8
Rolnummer :
F990006F

Samenvatting :

De wettelijke bewijswaarde van een akte is de mate waarin een akte volgens de wet bewijs oplevert en waardoor de rechter gebonden is. (Impliciet).

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 24 september 1998 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het middel: schending van de artikelen 31, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), zoals dat van toepassing was voor het belastingjaar 1989, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het hof van beroep heeft vastgesteld: "dat (verweerder) tot einde 1987 het beroep van advocaat heeft uitgeoefend in een burgerlijke advocatenvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid"; dat (verweerder) en zijn associés op 4 januari 1988, met ingang op 1 januari 1988, een burgerlijke vennootschap onder de vorm van een coöperatieve vennootschap hebben opgericht; dat "de oprichtingsakte ( ... ) bepaalt dat de associés niet langer activiteiten als advocaat en de aanverwante activiteiten ten persoonlijke titel uitvoeren, maar die activiteiten voortaan uitsluitend als actieve vennoten van de vennootschap verrichten en dat de cliënten de honoraria aan de rechtspersoon zullen betalen, die aan de vennoten bezoldigingen als aktief vennoot zal uitbetalen in de zin artikel 20, 2°, c, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964); dat "(verweerder) uit fiscaal oogpunt de uitoefening van zijn vrij beroep heeft stopgezet de dag waarop de coöperatieve vennootschap is opgericht"; dat de vennoten inzonderheid "het netto-uitstaand bedrag" hebben ingebracht dat wordt omschreven "als het bedrag van nog niet gefactureerde honoraria voor reeds geleverde prestaties (op het ogenblik van de oprichting van de vennootschap), met aftrek van de provisies voor die prestaties en voor de nog niet verrichte prestaties"; dat "het netto-uitstaand bedrag" een "recht op honoraria vertegenwoordigde, wat een schuldvordering is die de advocaat Jegens zijn cliënt heeft, en die volgt uit zijn beroepswerkzaamheid" en waarvan de waarde door verweerder en de coöperatieve vennootschap op forfaitaire wijze is geraamd; dat verweerder, als advocaat die een vrij beroep uitoefent, "de waarde van de prestaties waarvoor geen ereloonstaten waren opgemaakt niet hoefde te boeken"; dat (evenwel) "uit de notariële akte van 4 januari 1988 volgt dat de tegenwaarde van de inbreng van het netto-uitstaand bedrag in de coöperatieve vennootschap voor het totaal bedrag (werd) 'vastgesteld' ( ... ) bij de oprichting van coöperatieve vennootschap", en vervolgens oordeelt dat "het bestuur ( ... ) (ten onrechte) betoogt dat de tegenwaarde van de inbreng van het uitstaand bedrag (van verweerder) moet worden beschouwd als baten bedoeld in artikel 31, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), te weten de baten die worden behaald of vastgesteld ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting, door de belastingplichtige, van de uitoefening van zijn vrij beroep", op grond dat "de baten die voortvloeien uit de tegenwaarde van de inbreng van het uitstaand bedrag van (verweerder), volledig is 'vastgesteld' in de oprichtingsakte van coöperatieve vennootschap, op het precieze ogenblik van de stopzetting van de uitoefening van het vrij beroep en niet 'na die stopzetting'", en beslist dat de tegenwaarde van het uitstaand bedrag behoort tot de baten bedoeld in artikel 31, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), die rechtstreeks belastbaar zijn tegen de aanslagvoet van 16,5 pct. overeenkomstig artikel 93, §1, 2°, b, van dat wetboek,
terwijl artikel 31, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) voor de belasting van inkomsten uit een vrij beroep dat vroeger door de belastingplichtige werd uitgeoefend, geen enkel onderscheid maakt tussen winsten en baten, zodat op grond van die bepaling de vaststaande en zekere schuldvordering kan worden belast, die vastgesteld is in om het even welke akte die is opgesteld nadat de belastingplichtige de uitoefening van een beroep volledig en definitief heeft stopgezet; te dezen de baten, die voortvloeien uit de inbreng van de schuldvordering gevormd door "het netto-uitstaand bedrag", welke schuldvordering vaststaand en zeker is geworden op het ogenblik van "de raming die door de inbreng voor (verweerder) op onherroepelijke wijze bij overeenkomst is vastgesteld", volledig zijn "vastgesteld" in de oprichtingsakte van 4 januari 1988 van de coöperatieve vennootschap, wat het arrest trouwens erkent, terwijl de stopzetting van de uitoefening van het vrij beroep volgens het hof (van beroep) zelf plaatsvond "op de dag van de oprichting van de coöperatieve vennootschap", dus op 1 januari 1988, zoals volgt uit het stuk nr. Bl/27 waarop het Hof vermag acht te slaan, welk stuk vermeldt dat de vennootschap op die datum is opgericht, dat de leden van de burgerlijke advocatenvennootschap niet langer hun werkzaamheden ten persoonlijke titel uitvoeren maar voortaan nog uitsluitend optreden als actieve vennoten van de vennootschap en dat zij in onderling overleg met ingang op 31 december 1987 de tussen hen gesloten associatie-overeenkomst beëindigen; het hof van beroep, door niettemin te beslissen dat het in de coöperatieve vennootschap ingebrachte uitstaand bedrag geen baten oplevert die werden behaald of vastgesteld na de stopzetting, zonder acht te slaan op het feit dat verweerder moet worden geacht zijn beroepsactiviteit als advocaat te hebben stopgezet op 1 januari 1988, datum van de inwerkingtreding van de coöperatieve vennootschap, en evenmin op het feit van de associatie-overeenkomst op 31 december 1987 is beëindigd, terwijl volgens zijn eigen vaststellingen de baten uit de inbreng van het uitstaand bedrag in de oprichtingsakte dd. 4 januari 1988 van de coöperatieve vennootschap zijn vastgesteld, de wettelijke bewijswaarde van het stuk B1/27 miskent (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en artikel 31, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) schendt:
Overwegende dat het arrest aan de akte van 4 januari 1988 niet het vermogen ontzegt dat zij krachtens artikel 1319, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft, om tot bewijs te dienen van de overeenkomst die zij vaststelt en bijgevolg de wettelijke bewijswaarde ervan niet miskent;
Overwegende dat het middel voor het overige het arrest niet verwijt dat het die akte uitlegt op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en evenmin dat het de bewijskracht ervan miskent die het wegens zijn wettelijke bewijswaarde heeft;
Overwegende dat het middel tenslotte de aangevoerde schending van artikel 31, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) alleen afleidt uit de tevergeefs aangevoerde miskenning van de wettelijke bewijswaarde van de akte die het bedoelt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.