Hof van Cassatie: Arrest van 21 Juni 1999 (België). RG S970058F;S970128F

Datum :
21-06-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990621-9
Rolnummer :
S970058F;S970128F

Samenvatting :

De aanvraag tot herplaatsing in het bedrijf van de leden die het personeel vertegenwoordigen en van de kandidaten, die zonder opzegging worden ontslagen, moet worden ingediend binnen dertig dagen die volgen op de datum waarop die ontslagen beschermde werknemers in staat zijn gesteld om kennis te nemen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 14 oktober 1996 gewezen door het Arbeidshof te Brussel;
Overwegende dat de onder de nummers S.97.0058.F en S.97.0128.F ingeschreven voorzieningen gericht zijn tegen hetzelfde arrest; dat er grond bestaat tot voeging;
I. Voorziening nr. S.97.0058.F :
Overwegende dat de eisers afstand doen van hun voorziening;
II. Voorziening nr. S.97.0128.F :
Over het tweede middel: schending van de artikelen 21, inzonderheid §§ 2, 5 en 7, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan bij artikel 22, eerste lid, 1°, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, 1bis, inzonderheid §§ 2, 5 en 7, van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de arbeiders, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan bij voornoemd artikel 22, eerste lid, 2°, van de wet van 19 maart 1991, 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het arrest de rechtsvordering van de eisers tot betaling van de beschermingsvergoeding op de volgende gronden verwerpt: "Het (arbeids)hof wenst evenwel en ten overvloede te antwoorden op het door (verweerder) aangevoerde middel betreffende de laattijdigheid van de aanvraag tot herplaatsing. Wat dat betreft herinnert het hof eraan dat het ontslag een definitieve en onherroepelijke handeling is waarbij een partij bij een arbeidsovereenkomst de wederpartij te kennen geeft dat zij een einde wenst te maken aan de overeenkomst. Nietigheid van het ontslag bestaat niet in het Belgische recht: voor zover de van openbare orde zijnde bepalingen betreffende het gebruik der talen nageleefd worden, heeft het ontslag steeds uitwerking, d.w.z. dat het de beëindiging van de overeenkomst tot gevolg heeft. Het ontslag is een eenzijdige handeling, in zoverre het effect sorteert zonder dat daartoe de instemming van de bestemmeling vereist is. Als het ontslag ter kennis wordt gebracht bij een ter post aangetekende brief, is het een feit, ook al haalt de bestemmeling de brief niet af. Het ontslag is een definitieve en onherroepelijke handeling. Het kan dus niet worden herroepen door de ontslaggevende partij en het stelt de rechten van de partijen vast. Zo 'kan de datum van het ontslag... niet worden betwist aan de hand van de vermeldingen op de sociale documenten, tenzij bewezen is dat de partijen overeengekomen zijn om de arbeidsprestaties na die datum te leveren. 'Het ontslag heeft eveneens uitwerking zodra één van de partijen aan de medecontractant haar wil te kennen geeft om de overeenkomst te beëindigen, ook al neemt de medecontractant van die wilsuiting pas achteraf kennis... '. Het arrest van 14 januari 1991 van het Hof van Cassatie, dat overigens uitspraak doet over een arbeidsongeval, spreekt dat niet tegen en is te dezen niet van toepassing, aangezien artikel 21, § 5, van de wet van 20 september 1948 bepaalt dat de aanvraag tot herplaatsing moet worden ingediend binnen dertig dagen na de datum van de beëindiging zonder opzegging van de overeenkomst. Het (arbeids)hof merkt op dat de (eisers) als zodanig niet betwisten dat de curator mogelijk op de vergadering van 29 juli 1980 zijn beslissing te kennen heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst van alle werknemers te beëindigen. Zij verklaren niet te weten wat er toen is gebeurd. Zij voeren aan dat zij niet aanwezig waren op die vergadering en dat die beslissing hun dus niet ka
n worden tegengeworpen zolang zij geen kennis ervan hebben kunnen nemen. Zoals hierboven reeds is gezegd, is dat argument niet terzake dienend, aangezien de beslissing om de overeenkomsten te beëindigen mondeling ter kennis is gebracht en die overeenkomsten dus op dat ogenblik zijn beëindigd. 29 juli 1980 is derhalve de datum waarop de termijn van dertig dagen is ingegaan. De datum van verzending van de aangetekende brief, waarin de beëindiging van de overeenkomsten wordt bevestigd, is niet van belang voor de oplossing van het geschil, aangezien zij een ontslag bevestigt waarvan reeds voordien kennis is gegeven. De heer Boom, die aanvoert dat de aangetekende brief hem op 5 augustus is overhandigd, was nochtans eind juli in het bedrijf aanwezig, zoals uit de persfoto's blijkt.
Dit geldt ook voor de vakantiedata van sommigen onder hen. Het feit dat er tot eind juli of begin augustus vakanties waren geboekt, is nog geen reden om aan te nemen dat die vakanties ook werkelijk werden opgenomen. Het (arbeids)hof merkt op dat de (eisers) tijdens de gehele rechtspleging in eerste aanleg staande hebben gehouden dat de overeenkomsten op 29 juli zijn beëindigd en dat die beëindiging daags nadien is bevestigd. De eisers werpen dat geschilpunt voor het eerst op in hun verzoekschrift in hoger beroep (twaalf jaar na de faillietverklaring). De (eisers) betogen dat zij hun toenmalige advocaat niet hebben gemachtigd om naar die datum te verwijzen; in hun pleidooien voeren zij tevens aan die advocaat nooit te hebben ontmoet. Als de (eisers) de opdracht van hun advocaat betwisten, is het niet duidelijk waarom die betwisting beperkt zou blijven tot dat ene punt. Het staat hoe dan ook vast dat die advocaat gemachtigd was om het geding in naam van de (eisers) in te leiden (...); hij moet dus noodzakelijk op de hoogte zijn geweest van de feitelijke gegevens die in eerste aanleg zijn uiteengezet door de persoon die hem, in naam van de eisers, geraadpleegd heeft en verklaard heeft in hun naam te handelen. De (eisers) verstrekken het hof geen enkele aanwijzing omtrent de identiteit van die persoon en de inhoud van diens opdracht. Zij geven evenmin aan een aansprakelijkheidsvordering te hebben ingesteld tegen hun verschillende lasthebbers. Zonder dat een beroep moet worden gedaan op het begrip gerechtelijke bekentenis, leveren de data die vermeld staan in de akten van de voor de eerste rechter gevoerde rechtspleging, gelet op het: stilzwijgen dat de partijen twaalf jaar lang hebben bewaard, op zijn minst een gewoon vermoeden op dat ze met de waarheid stroken. Dat vermoeden wordt overigens nog kracht bijgezet door de gegevens uit het dossier en vooral door de persberichten van toen. Zo schrijft het dagblad 'La Cité' op 31 juli 1980 : ' ... vanaf 's ochtends kwam Fabelta opnieuw tot leven. Op enkelen na waren alle werknemers om 10 uur aanwezig voor de algemene vergadering. Her en der verspreid tussen de werknemers in zomerkleding bevond zich ook het onderhoudspersoneel in blauwe werkkledij, dat ten gevolge van de beslissing van de curatoren nog in dienst was ... twee uur lang hebben de vaste leden en de vakbondsafgevaardigden werkloosheidsdocumenten ingevuld...'. in datzelfde dagblad werd bovendien gewag gemaakt van de mogelijkheid om een overgangsvennootschap op te richten. Uit die gegevens blijkt duidelijk dat de werknemers waren ontslagen en dat het onderhoudspersoneel onmiddellijk opnieuw in dienst was genomen. Het (arbeids)hof wijst er voorts op dat het feit dat de C.4-documenten niet op 29 juli zijn overhandigd, geen weerslag heeft op het feit zelf van de beëindiging. De (eisers), die de bijzondere vergoeding vorderen en thans de datum van de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst betwisten, moeten bewijzen dat zij
hun aanvraag tot herplaatsing binnen de wettelijke termijn hebben ingediend. Elk van hen moet dus de datum vermelden waarop, volgens hem, zijn overeenkomst is beëindigd. De conclusies van de (eisers) (...) leveren dat bewijs niet op. Het (arbeids)hof komt tot de slotsom dat het ten genoege van recht bewezen is dat de (eisers) zijn ontslagen op 29 juli, zodat de brief waarin de herplaatsing wordt aangevraagd en die dagtekent van 2 september (stelling van de (eisers)) of van 4 september (stelling van (verweerder)), te laat is ingediend; die overweging niets afdoet aan de vastgestelde procedurefouten, zoals ze hierboven zijn omschreven onder de titel 'de aanvraag tot herplaatsing'",
terwijl, eerste onderdeel, krachtens de artikelen 21, § 5, van de wet van 20 september 1948 en 1bis, § 5, van de wet van 10 juni 1952, de termijn van dertig dagen waarbinnen de beschermde werknemer, die onrechtmatig is ontslagen in de zin van de artikelen 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 en 1bis, § 2, van de wet van 10 juni 1952, zijn aanvraag tot herplaatsing moet indienen en, bij ontstentenis hiervan, de werkgever kan doen veroordelen tot betaling van de beschermingsvergoeding, als bedoeld in de artikelen 21, § 7, van de wet van 20 september 1948 en 1bis, § 7, van de wet van 10 juni 1952, in geval van mondeling ontslag pas ingaat op de dag waarop de wil van de werkgever of van de curator om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, aan de werknemer ter kennis is gebracht, aangezien de datum waarop de werkgever of de curator die wil te kennen heeft gegeven, op zich geen uitwerking heeft; het arrest, daar het beslist dat uit de gegevens van het dossier gebleken is dat verweerder alle arbeidsovereenkomsten mondeling beëindigd heeft op 29 juli 1980, zodat die datum moest worden aangemerkt als het vertrekpunt van de termijn waarbinnen de werknemers hun aanvraag tot herplaatsing moesten indienen, ongeacht het tijdstip waarop zij daadwerkelijk kennisgenomen hebben van de beslissing van de curatoren, de artikelen 21, § 5, van de wet van 20 september 1948 en 1bis, § 5, van de wet van 10 juni 1952 schendt; het arrest, nu het de rechtsvordering van de eisers tot betaling van een beschermingsvergoeding op die grond verwerpt, bijgevolg tevens de artikelen 21, §§ 2 en 7, van de wet van 20 september 1948 en 1bis, §§ 2 en 7, van de wet van 10 juni 1952 schendt;
tweede onderdeel, krachtens de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek, de partij die aanvoert dat een ontslag mondeling ter kennis is gebracht van de werknemer en dat dus de termijn voor zijn aanvraag tot herplaatsing bijgevolg is ingegaan, moet bewijzen op welke datum die werknemer daadwerkelijk van dat ontslag heeft kennisgenomen; het arrest, nu het beslist dat de eisers de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betwistten, en daarom dienden te bewijzen op welke datum, volgens hen, de overeenkomst is beëindigd en nu het hun opdraagt te bewijzen dat zij of hun rechtsvoorganger niet aanwezig waren op de vergadering van 29 juli 1980, de regels betreffende de bewijslast miskent (artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek) en bijgevolg, door hun vordering te verwerpen, de artikelen 21, §§ 2, 5 en 7, van de wet van 20 september 1948 en 1bis, §§ 2, 5 en 7, van de wet van 10 juni 1952 schendt;
Wat het eerste onderdeel betreft:
Overwegende dat artikel 21, § 5, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en artikel 1bis, § 5, van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de arbeiders, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, zoals zij te dezen van toepassing zijn, bepalen dat, wanneer de werkgever de overeenkomst beëindigt in overtreding van de bepalingen van de paragrafen 3 en 4, de ontslagen werknemer in de onderneming herplaatst wordt onder de voorwaarden van zijn arbeidsovereenkomst, voor zover hijzelf of de werknemersorganisatie, waarbij hij is aangesloten, bij aangetekend schrijven hiertoe een aanvraag heeft ingediend binnen dertig dagen die volgen op hetzij de datum van betekening van de opzegging, hetzij de datum van de beëindiging zonder opzegging, hetzij de datum van de voordracht van de kandidaturen;
Overwegende dat uit de tekst van die bepalingen blijkt dat de aanvraag tot herplaatsing in het bedrijf van de leden die het personeel vertegenwoordigen en de kandidaten, die "zonder opzegging" worden ontslagen, moet worden ingediend "binnen dertig dagen die volgen op de datum van de beëindiging" van de arbeidsovereenkomst door de werkgever;
Dat laatstgenoemde woorden moeten worden opgevat in de betekenis: "binnen dertig dagen die volgen op de datum waarop die ontslagen beschermde werknemers in staat zijn gesteld om kennis te nemen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever", en niet in de betekenis: "binnen dertig dagen die volgen op de datum waarop de wil van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, daadwerkelijk ter kennis is gebracht van die beschermde werknemers";
Dat het onderdeel faalt naar recht:
Wat het tweede onderdeel betreft:
Overwegende dat het arrest de eisers niet opdraagt te bewijzen dat zij of hun rechtsvoorgangers niet aanwezig waren op de personeelsvergadering van 29 juli 1980, maar beslist dat de eisers, die de aan de beschermde werknemers verschuldigde vergoeding vorderen, moeten bewijzen dat zij hun aanvraag tot herplaatsing binnen de wettelijke termijn hebben ingediend;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
OM DIE REDENEN,
Voegt de onder de nummers S.97.0058.F en S.97.0128.F op de algemene rol ingeschreven voorzieningen;
I. op de voorziening nr. S.97.0058.F :
Verleent akte van de afstand van de voorziening;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
II. Op de voorziening nr. S.97.0128.F :
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt de eisers in de kosten.