Hof van Cassatie: Arrest van 21 November 1991 (België). RG F1111F

Datum :
21-11-1991
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19911121-1
Rolnummer :
F1111F

Samenvatting :

De belasting of de aanvullende belasting op de inkomsten mag worden vastgesteld, zelfs nadat de in art. 259 Wetboek van de Inkomstenbelastingen bepaalde termijn is verstreken, onder meer ingeval bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van vijf jaar vóór het jaar waarin de administratie kennis krijgt van die gegevens; het rechtscollege waarbij de betwisting aanhangig is, stelt aan de hand van de gegevens van de zaak, in feite vast op welke datum de administratie van de bewijskrachtige gegevens kennis heeft gekregen. ( Art. 263, alinéa 1, 4°, Wetboek van de Inkomstenbelastingen. )

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 9 mei 1990 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het middel : schending van artikel 263, alinéa 1, 4°, en 2, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen,
doordat het arrest beslist dat het bestuur bij de lezing alleen al van de belastingaangifte voor het aanslagjaar 1982 en van de bijgevoegde stukken kennis kon hebben van de wijziging door de B.T.W.-dienst, dat immers, terwijl de aangifte zelf op bladzijde 2, vak II, a en b, de respectieve bedragen vermeldde van 475.078 frank en van 78.000 frank, zijnde niet-aftrekbare belastingen en geldboeten, straffen en verbeurdverklaringen van allerlei aard, in bijlage 5 bij die aangifte echter duidelijk vermeld was : B.T.W.-regularisatie : 392.758 frank; andere belastingen : 95.379 frank; nalatigheidsinterest-regularisatie B.T.W. : 82.320 frank; dat de belastingaangifte waarvan vermoed wordt dat zij juist en dus bewijskrachtig is, zelf alle gegevens inhield om het bestuur over het geschilpunt in te lichten; dat het bestuur der directe belastingen dus ten onrechte onderscheid maakt tussen de afgifte van de belastingaangifte waardoor het geen "kennis" zou krijgen in de zin van artikel 263 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, en het nazien van die aangifte waardoor het die "kennis" wel zou verkrijgen; het bestuur derhalve de aanvullende belasting binnen 12 maanden te rekenen van 30 juni 1982, te weten de datum van ontvangst van de aangifte voor het aanslagjaar 1982, diende vast te stellen, wat niet is gebeurd,
terwijl, eerste onderdeel, om van artikel 263, alinéa 1, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen toepassing te kunnen maken, het voldoende is dat "de bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren voor het jaar waarin de administratie kennis krijgt van die gegevens"; evenwel, volgens de voorbereiding van artikel 38 van de wet van 22 december 1977, te weten het huidige artikel 263, alinéa 1, 4°, en alinéa 2, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen blijkt dat "die bepaling slechts kan toegepast worden voor het geval waarin de niet aangegeven inkomsten het gevolg zijn van "bewijskrachtige gegevens", zoals bij voorbeeld een controle, een onderzoek, een schatting, een scheidsrechterlijke uitspraak, een minnelijke schikking, enz..., "waarmee de belastingplichtige heeft ingestemd"; de belastingaangifte van de betrokkene, in zoverre zij betrekking heeft op een ander aanslagjaar dan het litigieuze, te dezen het dienstjaar 1982, op zichzelf geen bewijskrachtig gegeven is in de zin van voormeld artikel 263, alinéa 1, 4°, aangezien, ook al levert de aangifte bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen, zij enkel vermoed wordt juist te zijn en zij zowel aan de betrokken belastingplichtige, als aan het bestuur slechts kan worden tegengeworpen voor de inkomsten en de gegevens waardoor de over dat bepaald dienstjaar vast te stellen aanslag kan worden beëinvloed en op grond waarvan het bedrag van die aanslag kan worden vastgesteld; zij eerst een onweerlegbaar bewijs kan opleveren als de daarin vermelde inkomsten en gegevens door het bestuur naar behoren zijn nagezien; de aangifte voor het dienstjaar 1982 eerst op 4 januari 1984 is nagezien, zodat die aangifte pas dan een bewijskrachtig gegeven kan zijn in de zin van voormeld artikel 263, alinéa 1, 4°; zo de stelling van het bestuur, volgens welke enkel het resultaat van de regularisatie door de B.T.W. het bewijskrachtig gegeven oplevert, dient te worden verworpen, de op 28 februari 1984 over het dienstjaar 1980 vastgestelde aanslag niettemin binnen de termijn van 12 maanden te rekenen van 4 januari 1984 is vastgesteld, zodat er van geen verval sprake is; het hof van beroep dat beslist dat de aangifte v
oor het dienstjaar 1982 vanaf haar ontvangst een bewijskrachtig gegeven was en dat de litigieuze aanslag binnen 12 maanden, te rekenen van de dagtekening van die aangifte diende te worden vastgesteld, de in het middel aangewezen bepalingen heeft geschonden;
tweede onderdeel, als de toepassingsvereisten van artikel 263 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen vervuld zijn, het bestuur tot belastingheffing verplicht is; het voor de toepassing van alinéa 1, 4°, van dat artikel 263 vereist, maar voldoende is dat "er geen inkomsten werden aangegeven in één der vijf jaren voor het jaar waarin de administratie kennis krijgt van de bewijskrachtige gegevens" en dat het zonder belang is dat het gaat om inkomsten die de administratie heeft of had kunnen vaststellen aan de hand van alle controlemiddelen waarover zij beschikt; de door de B.T.W. vastgestelde onjuistheid van het omzetcijfer waarmee verweerster instemde pas op 16 januari 1984 ter kennis van het bestuur der directe belastingen is gebracht door toezending van de regularisatiestaat inzake B.T.W.; te dezen het bestuur van de bewijskrachtige gegevens kennis heeft gekregen toen het de regularisatiestaat van de B.T.W. heeft ontvangen, te weten op 16 januari 1984; geen enkele wetsbepaling het bestuur ertoe verplichtte om de belastingaangifte voor het aanslagjaar 1982 dadelijk na te zien; aangezien de toepassingsvereisten van artikel 263 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen vervuld zijn, het bestuur derhalve terecht de litigieuze aanslag binnen de in voormeld artikel 263, alinéa 2, 4°, heeft vastgesteld :
Over het middel in zijn geheel :
Overwegende dat, luidens artikel 263, alinéa 1, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, de belasting of de aanvullende belasting mag worden vastgesteld, zelfs nadat de in artikel 259 van hetzelfde wetboek bepaalde termijn is verstreken, in geval bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren voor het jaar waarin het bestuur kennis krijgt van die gegevens; dat krachtens alinéa 2, 4°, van dat artikel 263, de belasting of de aanvullende belasting in dat geval moet worden vastgesteld binnen twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop het bestuur kennis krijgt van de bewijskrachtige gegevens;
Overwegende dat, zoals uit die bepalingen voortvloeit, het gerecht waarbij het geschil aanhangig is, moet vaststellen op welke datum het bestuur kennis heeft gekregen van die bewijskrachtige gegevens, en dus nazien of de belasting of de aanvullende belasting is vastgesteld binnen de bij voormeld artikel 263, alinéa 2, 4°, op straffe van verval vastgestelde termijn;
Overwegende dat het arrest zegt : "dat de door de partijen ter terechtzitting van 21 maart 1990 neergelegde stukken aantonen dat het bestuur bij de lezing alleen al van de belastingaangifte en van de bijgevoegde stukken kennis kon hebben van de wijziging door de B.T.W.-dienst; dat, immers, terwijl de aangifte zelf op bladzijde 2, vak II, a en b, de respectieve bedragen vermeldde van 475.078 frank en van 78.000 frank, zijnde de niet aftrekbare belasting en geldboeten, straffen en verbeurdverklaring van allerlei aard, in bijlage 5 van die aangifte echter duidelijk vermeld was : B.T.W.-regularisatie : 392.758 frank; andere belastingen : 95.379 frank; nalatigheidsintrest regularisatie-B.T.W. : 82.320 frank; (en) dat (die) belastingaangifte ... zelf alle gegevens inhield om het bestuur over het onderhavige geschilpunt in te lichten"; Overwegende dat het arrest trouwens vaststelt dat de aangifte op 30 juni 1982 is ontvangen;
Dat het hof van beroep dat aldus, aan de hand van de desbetreffende gegevens van de zaak, in feite heeft vastgesteld op welke datum het bestuur van de bewijskrachtige gegevens kennis heeft gekregen, zijn beslissing dat de op 28 februari ten kohiere gebrachte aanvullende aanslag te laat was vastgesteld in de zin van voornoemd artikel 263, alinéa 2, 4°, naar recht verantwoordt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiser in de kosten.