Hof van Cassatie: Arrest van 22 November 2006 (België). RG P061155F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20061122-5
- Rolnummer :
- P061155F
Samenvatting :
Het staat aan de rechter die de onwettigheid van een bewijs vaststelt, in feite en bijgevolg op onaantastbare wijze te beslissen of en in welke mate dit onwettig bewijs al dan niet aan de basis ligt van de andere onderzoekshandelingen, zodat het recht op een eerlijk proces onherroepelijk is aangetast; de rechter kan oordelen dat dit recht niet in het gedrang komt wanneer er geen oorzakelijk verband bestaat tussen het door nietigheid aangetaste bewijsmateriaal en de door het onderzoek aan het licht gebrachte bezwaren (1). (1) Zie Cass., 18 april 2001, AR P.01.0033.F, nr 212.
Arrest :
Nr. P.06.1155.F
G. F.,
Mr. Andreas Keutgen, advocaat bij de balie te Eupen,
tegen
G. T.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep, dat in het Duits is gesteld, is gericht tegen een arrest dat in dezelfde taal, op 22 juni 2006 is gewezen door het Hof van Beroep te Luik, correctionele kamer.
Bij beschikking van 3 augustus 2006 heeft de eerste voorzitter van het Hof beslist dat de rechtspleging in het Frans zal worden gevoerd.
De eiser voert twee middelen aan in een memorie waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
Raadsheer Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.
II. FEITEN
De onderzoeksrechter te Eupen waar processen-verbaal zijn aanhangig gemaakt waarin de eiser de hoedanigheid van militair heeft, heeft op 10 maart 2003 een bevel tot huiszoeking uitgevaardigd om in diens woonplaats alle stukken of voorwerpen op te sporen om de klacht die door de verweerder tegen hem is ingediend wegens verkrachtingen en aanrandingen van de eerbaarheid, aannemelijk te maken.
Drie computers werden tijdens de huiszoeking van 19 maart 2003 in beslag genomen.
De eiser werd diezelfde dag door plaatselijke politieagenten verhoord, alsook de volgende dag, op 20 maart 2003, door de onderzoeksrechter die een aanhoudingsbevel tegen hem heeft uitgevaardigd.
Op 21 maart 2003 heeft de krijgsauditeur bij de permanente Krijgsraad zitting houdende te Brussel, de procureur des Konings te Eupen medegedeeld dat de eiser beroepsonderofficier was, ingedeeld bij het administratief detachement van het ministerie van Landsverdediging.
Bij beschikking van 25 maart 2003 heeft de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Eupen de zaak aan de onderzoeksrechter onttrokken en verwezen naar de rechterlijke commissie van de voormelde Krijgsraad.
De hoofdgriffier van die rechterlijke commissie heeft het dossier op 15 december 2003, tot beschikking overgemaakt aan de procureur des Konings te Eupen, om het opnieuw bij de onderzoeksrechter aanhangig te maken, overeenkomstig artikel 33 van de Wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd.
De raadkamer van de Rechtbank van Eerste aanleg te Eupen heeft het onderzoek op 28 juni 2005 afgesloten met een beschikking waarbij de eiser naar de correctionele rechtbank van dit rechtsgebied wordt verwezen wegens met name de feiten die in het bevel tot aanhouding zijn bedoeld.
III. BESLISSING VAN HET HOF
A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die op de strafvordering,
1. de eiser voor de vierde telastlegging vrijspreekt :
Het cassatieberoep is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
2. de eiser wegens de drie overige telastleggingen veroordeelt :
Over het eerste middel :
De eiser heeft een conclusie neergelegd waarin hij zich beroept op zijn hoedanigheid van militair en aanvoert dat de onderzoeksrechter in maart 2003 niet bevoegd was om de woning van een lid van de strijdkrachten te doorzoeken.
Hij heeft geconcludeerd tot nietigheid van die onderzoekshandeling en van het bewijsmateriaal dat erdoor is verkregen.
Het arrest beantwoordt die conclusie door het verweer te ontmoeten. De appelrechters beslissen immers de bewijzen te weren die door de onwettige huiszoeking waren verkregen en spreken de eiser voor de vierde telastlegging vrij, aangezien die voortvloeit uit gegevens uit het op onregelmatige wijze in beslag genomen informaticamateriaal.
Het arrest beslist, door een beoordeling in feite waarover het Hof geen afkeurend oordeel mag vellen, dat de overige bewijsgegevens die in het dossier zijn vermeld niet op de nietig verklaarde onderzoeksmaatregel steunen.
De appelrechters dienden daarenboven niet de reden op te geven waarom de nietigheid van de huiszoeking de onderzoeksopdrachten op grond waarvan drie telastleggingen bewezen zijn verklaard ongeschonden heeft gelaten.
Aangezien de conclusie die door de eiser is ingediend alleen maar het bestaan bevestigt van een oorzakelijk verband tussen de onderzoeksopdracht die nietig is verklaard en de bekentenissen van de eiser, diende zijn conclusie door het arrest slechts beantwoord te worden met de bewering van het tegendeel.
Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen.
Over het tweede middel :
De eiser voert aan dat met schending van artikel 6.2 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het bewijs van zijn schuld niet naar recht werd geleverd. Die grief wordt afgeleid uit het niet bevoegd zijn van de onderzoeksrechter die een huiszoeking in de woning van de eiser heeft bevolen.
Het staat aan de rechter die de onwettigheid van een bewijs vaststelt om in feite en bijgevolg op onaantastbare wijze te beslissen of en in welke mate dit onwettig bewijs al dan niet aan de basis ligt van de andere onderzoekshandelingen, zodat het recht op een eerlijk proces onherroepelijk is aangetast. De rechter kan oordelen dat dit recht niet in het gedrang komt wanneer er geen oorzakelijk verband bestaat tussen het door nietigheid aangetaste bewijsmateriaal en de door het onderzoek aan het licht gebrachte bezwaren.
Uit geen enkele overweging van het arrest volgt dat de appelrechters de nietigheid van de litigieuze huiszoeking overnemen of dat zij de schuld van de eiser afleiden uit bekentenissen die langs die weg verkregen zijn.
Het middel steunt weliswaar op de bewering dat de eiser de feiten alleen maar wegens de resultaten van de huiszoeking heeft bekend, d.w.z. op het ogenblik waarop hij werd geconfronteerd met de analyse van de informaticagegevens die in zijn woning in beslag zijn genomen. Niettemin is die bewering niet terug te vinden in de conclusie die bij de appelrechters aanhangig is gemaakt en vindt zij geen steun in de redenen van het arrest.
Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen.
Ambtshalve toezicht
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
(...)
Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissing die, op de burgerlijke rechtsvordering die door de verweerder tegen de eiser is ingesteld, uitspraak doet over de omvang van de schade.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, de raadsheren Jean de Codt, Frédéric Close, Paul Mathieu en Jocelyne Bodson, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig november tweeduizend en zes uitgesproken door afdelings-voorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Huybrechts en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
De afgevaardigd griffier, De raadsheer,