Hof van Cassatie: Arrest van 22 Oktober 1999 (België). RG C980423F

Datum :
22-10-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19991022-6
Rolnummer :
C980423F

Samenvatting :

De met het toezicht op de uitvoering van de werken belaste architect, die rekening moet houden met de clausules van het bestek, kan zich niet beroepen op het begin van de tienjarige waarborg die in de aannemingsovereenkomst tussen de aannemer en de opdrachtgever is vastgesteld.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op de bestreden arresten, op 15 februari 1996, 13 maart 1997 en 13 november 1997 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel;
Over het tweede middel: schending van de artikelen 1101, 1108, 1109, 1122, 1134, 1135, 1165 van het Burgerlijk Wetboek, 4, eerste lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en 149 van de gecoördineerde Grondwet,
doordat het hof van beroep reeds in zijn arrest van 15 februari 1996 had geoordeeld dat eiser, die t.a.v. de opdrachtgever andere rechten en verplichtingen heeft dan de aannemer, zich niet ambtshalve kan beroepen op de overeenkomsten waarin de juridische verhouding tussen de opdrachtgever en de aannemer wordt geregeld, in casu de aannemingsovereenkomst en het bestek, aangezien hij niets met die overeenkomsten te maken heeft; dat het hof, in hetzelfde arrest, derhalve, alvorens verder uitspraak te doen over de tienjarige aansprakelijkheid van eiser, de heropening van het debat heeft bevolen om eiser in staat te stellen de door hem met de opdrachtgever gesloten overeenkomsten neer te leggen; dat het vervolgens, in zijn arrest van 13 maart 1997, dat gewezen is op de voortgezette behandeling van de zaak, voor recht zegt dat eiser in solidum met verweerster sub 20 jegens de verweerders sub 1 tot 19 gehouden is tot vergoeding van de schade ten gevolge van de gebreken die opgesomd zijn onder de nrs. 4.213 en 4.222 van het deskundigenverslag (gebreken die onder de tienjarige waarborg vallen) en zegt dat de regresvordering van verweerster sub 20 tegen eiser in beginsel gegrond is wat de gebreken betreft waarvoor hij aansprakelijk is, op grond dat "(eiser) de tussen hem en de opdrachtgever bestaande overeenkomst niet overlegt; dat hij staande houdt dat hij zich niettemin kan beroepen op de clausules van het door de aannemer ondertekende bijzonder bestek en verklaart het origineel van dat stuk, dat hij niet meer in zijn bezit heeft, te hebben ondertekend; (...) dat (eiser) zich enkel op dat bestek zou kunnen beroepen indien hij bewees dat genoemd stuk binnen zijn contractuele verhouding met zijn opdrachtgever was gevallen; dat dit bewijs niet wordt geleverd; (...) dat bij ontstentenis van een bijzondere overeenkomst, de tienjarige waarborg begint te lopen vanaf de definitieve oplevering van de werken; dat in casu moet worden vastgesteld dat noch de architect noch de ingenieur zich kunnen beroepen op de verjaring van die waarborg, daar bij ontstentenis van een definitieve oplevering die uitdrukkelijk is toegestaan meer dan tien jaar voor het instellen van de vorderingen, de verjaring niet verkregen is",
terwijl, eerste onderdeel, het bestek betreffende de aanneming alle clausules en voorwaarden bevat die de partijen zijn overeengekomen voor de uitvoering van het werk; de architect in het raam van zijn wettelijke opdracht van controle op de uitvoering van de werken (artikel 4, eerste lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect), noodzakelijkerwijs acht moet slaan op de clausules en voorwaarden van het bestek, om te kunnen nagaan of de werken uitgevoerd zijn overeenkomstig de daarin vervatte voorschriften; hij immers onmogelijk zijn wettelijke controleopdracht in de praktijk zou kunnen vervullen, indien hij niet op de hoogte was van de bepalingen van het bestek waarnaar hij zich moet schikken; de architect zich aldus niet kan beroepen op het in artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde beginsel dat de overeenkomsten alleen gevolgen teweegbrengen tussen de partijen om te betwisten dat een bepaling uit het bestek betreffende de aanneming op de uitvoering waarvan hij controle uitoefent, aan hem kan worden tegengeworpen; de architect bijgevolg de clausules van het bestek moet aanvaarden en in acht nemen, zelfs al heeft hij zich met dat stuk niet akkoord verklaard door het te ondertekenen; het bestek bijgevolg noodzakelijkerwijs binnen de contractuele verhouding tussen de architect, de aannemer en de opdrachtgever valt en de architect het recht heeft zich te beroepen op de in dat stuk vervatte clausules; het arrest van 15 februari 1996 derhalve niet wettig beslist dat eiser zich niet ambtshalve kan beroepen op de overeenkomsten waarin de juridische verhouding tussen de opdrachtgever en de algemene aannemer wordt geregeld (schending van de artikelen 1101, 1108, 1109, 1122, 1134, 1135, 1165 van het Burgerlijk Wetboek en 4, eerste lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect) en het arrest van 13 maart 1997 evenmin wettig beslist dat eiser niet bewees dat genoemd stuk binnen zijn contractuele verhouding met de opdrachtgever was gevallen (schending van de artikelen 1101, 1108, 1109, 1122, 1134, 1135, 1165 van het Burgerlijk Wetboek en 4, eerste lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect);
Overwegende dat er, gelet op het antwoord op het eerste middel, alleen grond bestaat tot onderzoek van het tweede middel, in zoverre het eerste onderdeel ervan opkomt tegen het arrest van 15 februari 1996;
Wat het eerste onderdeel betreft:
Overwegende dat luidens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomsten alleen gevolgen teweegbrengen tussen de «contracterende partijen; zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot het voordeel in het geval voorzien bij artikel 1121;
Overwegende dat het arrest van 15 februari 1996 beslist dat "artikel 32, zevende lid, van de aannemingsovereenkomst van 30 april 1975 waarin de respectieve rechten en verplichtingen van de aannemer en de opdrachtgever zijn vastgesteld, wettig bepaalt dat de tienjarige periode ingaat vanaf de voorlopige oplevering"; dat het arrest vervolgens oordeelt dat eiser "zich niet ambtshalve kan beroepen op de overeenkomsten waarin de juridische verhouding tussen de opdrachtgever en de aannemer wordt geregeld (...), in casu de aannemingsovereenkomst en het bestek, (...) waarmee hij niets (...) te maken heeft (...), ook al is overeengekomen dat de architect het proces-verbaal van de voorlopige oplevering ondertekent, wat overigens tot de gebruiken behoort, aangezien een van de opdrachten van de architect erin bestaat de opdrachtgever bij te staan tijdens de opleveringen";
Overwegende dat de omstandigheid dat eiser, in zijn hoedanigheid van architect die wettelijk belast is met de controle op de uitvoering van de werken, rekening moest houden met de clausules en voorwaarden van het bestek, niet tot gevolg heeft dat hij partij bij de aannemingsovereenkomst zou zijn, en zich zou kunnen beroepen op de bedingen ervan die, zoals het in het arrest bedoelde artikel 32, zevende lid, tussen de aannemer en de opdrachtgever het begin van de tienjarige waarborg vaststelden;
Dat het arrest, nu het op grond van de overweging dat "(eiser) t.a.v. van de opdrachtgever andere rechten en verplichtingen heeft dan de aannemer", beslist dat eiser zich niet op voornoemd beding kan beroepen, geen van de in dat onderdeel aangegeven wetsbepalingen schendt;
Dat, in zoverre, het onderdeel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
zonder dat er grond bestaat tot onderzoek van het resterende gedeelte van het eerste onderdeel en het tweede onderdeel van het eerste middel, en evenmin van het resterende gedeelte van het eerste onderdeel en het tweede onderdeel van het tweede middel, die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden,
Vernietigt het arrest van 13 maart 1997, in zoverre het, enerzijds, "voor recht zegt dat (eiser) in solidum met (verweerster sub 20) jegens de (verweerders sub 1 tot 19) gehouden is tot vergoeding van de schade ten gevolge van de gebreken die opgesomd zijn onder de nrs. 4.213 en 4.222 van het deskundigenverslag", anderzijds, "zegt dat de regresvordering van (verweerster sub 20) tegen (eiser) in beginsel gegrond is wat het gebrek of de gebreken betreft waarvoor hij aansprakelijk is";
Verklaart het arrest van 13 november 1997, dat het gevolg is van het vernietigde arrest nietig, in zoverre dat arrest het bedrag waartoe eiser en de verweerster sub 20 in solidum veroordeeld zijn jegens de verweerders sub 1 tot 19, vaststelt op 2.023.436 frank, de regresvordering van de verweerster sub 20 tegen eiser gegrond verklaart ten belope van 1.850.432 frank en hem veroordeelt om dat bedrag, vermeerderd met interest, te betalen, en eiser in de kosten veroordeelt;
Verwerpt de voorziening voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest en van het gedeeltelijk nietig verklaarde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de bodemrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Bergen;