Hof van Cassatie: Arrest van 23 Augustus 2006 (België). RG P061119N

Datum :
23-08-2006
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20060823-3
Rolnummer :
P061119N

Samenvatting :

De vervolging en veroordeling in het buitenland van een minderjarige die meer dan zestien jaar oud is op het ogenblik van de feiten is niet strijdig met de Belgische internationale openbare orde, zodat niets zich verzet tegen de uitvoerbaarverkaring door de onderzoeksgerechten van een door de buitenlandse overheid verleend bevel tot aanhouding tegen de inmiddels meerderjarig geworden betrokkene, ook voor de feiten die zich situeren in die periode waarin hij minderjarig was maar boven de leeftijd van zestien jaar.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Nr. P.06.1119.N
G.S.,
persoon van wie de uitlevering wordt verzocht,
gedetineerd,
met als raadsman mr. Claude Marinower, advocaat bij de balie te Antwerpen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 juli 2006.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Het middel
1. Het middel voert aan dat het bestreden arrest ten onrechte ook het exequatur verleent voor feiten die door de eiser als strafrechtelijk minderjarige zouden gepleegd zijn tussen 16 en 18 jaar.
Volgende argumenten worden tegen die beslissing aangevoerd:
- artikel 36, 4°, Wet Jeugdbescherming laat de jeugdrechtbank niet toe om voor een als misdrijf omschreven feit gepleegd voor de volle leeftijd van achttien jaar een straf uit te spreken. De feiten zijn aldus niet vervolgbaar in België;
- de mogelijkheid voor de jeugdrechtbank om met toepassing van artikel 38 Wet Jeugdbescherming de zaak uit handen te geven, vereist een voorafgaand maat-schappelijk- en medisch-psychologisch onderzoek op de minderjarige, hetgeen onverenigbaar is met de opdracht van de onderzoeksgerechten die het exequatur moeten bevelen;
- ook na de beslissing van uit handen geven met toepassing van artikel 38 Wet Jeugdbescherming, komt het niet aan de gerechtelijke overheid van de aangezochte Staat maar alleen aan het openbaar ministerie toe te oordelen of vervolgingen zullen worden ingesteld;
- het instellen van de strafvervolging door de verzoekende Staat na een eventuele beslissing van uit handen geven van de Belgische Jeugdrechtbank met toepassing van artikel 38 Wet Jeugdbescherming, impliceert de uitvoering door de verzoekende Staat van een beslissing van de gerechtelijke overheid van de aan-gezochte Staat. Nochtans laat de uitlevering de gerechtelijke overheid van de verzoekende Staat enkel toe de opgeëiste persoon te vervolgen en te be-rechten.
2. Noch het Europese uitleveringsverdrag van 13 december 1957, goedgekeurd bij wet van 22 april 1997, noch de uitleveringswet van 15 maart 1874 bepalen verplichte weigeringsgronden tot uitlevering op grond van de leeftijd van de betrokkene.
Als voorwaarde tot de uitlevering vereist artikel 2.1 van het Europese Uitleveringsverdrag dat de feiten krachtens de wetten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidstraf of met een maat-regel welke vrijheidsbeneming meebrengt, met een maximum van ten minste één jaar of een zwaardere straf. Artikel 1, ,§ 2, van de Uitleveringswet vereist als grond van uitlevering feiten welke luidens de Belgische en de buitenlandse wet strafbaar zijn met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur groter is dan één jaar.
Deze strafdrempel in beide bepalingen impliceert dat de feiten in België vervolg-baar moeten zijn.
3. Artikel 36, 4°, Wet Jeugdbescherming stelt de strafrechtelijke minderjarigheid vast op 18 jaar. Ingeval de jeugdrechter de zaak met betrekking tot een minderjarige die op het tijdstip van het feit ouder dan zestien jaar was, uit handen geeft met toepassing van artikel 38 Wet Jeugdbescherming, kan de gemeenrechtelijke rechtbank een straf of maatregel uitspreken als daartoe grond bestaat. De vervolging en de veroordeling in het buitenland van een minderjarige die meer dan zestien jaar oud is op het ogenblik van het feit is aldus niet strijdig met de Belgische internationale openbare orde.
4. Daar de uitlevering geschiedt met het oog op de vervolging in de verzoekende Staat voor feiten die in België niet worden vervolgd, is elke tussenkomst van de jeugdrechtbank met toepassing van artikel 36, 4°, Wet Jeugdbescherming zonder voorwerp.
Bijgevolg vervallen alle hierboven vermelde bezwaren.
5. De beslissing van de appelrechters om het exequatur toe te staan ook voor de feiten die zich situeren in een periode waarin eiser minderjarig was maar boven de leeftijd van zestien jaar, is naar recht verantwoord.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Begroot de kosten op 63,39 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Francis Fischer, als voorzitter, afdelingsvoor-zitter Robert Boes, en de raadsheren Etienne Goethals, Christian Storck en Albert Fettweis, en op de openbare terechtzitting van 23 augustus 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.