Hof van Cassatie: Arrest van 23 Oktober 2002 (België). RG P021088F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20021023-10
- Rolnummer :
- P021088F
Samenvatting :
Art. 149 Gw. is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die inzake regeling van de rechtspleging uitspraak doen (1). (1) Cass., 25 sept. 2002, A.R. P.02.0954.F, nr. ..., en de concl. O.M., nr. 3.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. P.02.1088.F.-
P.G., inverdenkinggestelde,
Mrs. Joël-Pierre Bayer, advocaat bij de balie te Namen en Olivier De Ridder, advocaat bij de balie te Brussel.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 27 juni 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Francis Fischer heeft verslag uitgebracht.
Advocaat generaal Jean Spreutels heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt twee middelen voor, gesteld als volgt :
Eerste middel :
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 61bis en 130 van het Wetboek van Strafvordering ;
- algemeen beginsel van het recht van verdediging ;
- algemeen beginsel van de bewijskracht van de akten ;
- artikel 149 van de Grondwet.
Grieven
Het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, heeft geen passend antwoord gegeven op de conclusie die de inverdenkinggestelde, thans eiser in cassatie, heeft neergelegd op de terechtzitting van 24 juni 2002, door te beslissen dat artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering betrekking heeft op een "inverdenkinggestelde", zonder daarom te vereisen dat aan het bij artikel 61bis bepaalde vormvereiste wordt voldaan.
Artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat "indien het misdrijf strafbaar blijkt te zijn met correctionele straffen... de inverdenkinggestelde naar de correctionele rechtbank (wordt) verwezen".
Het begrip inverdenkinggestelde krijgt dezelfde invulling in de verschillende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering waarin het woord wordt aangewend.
Een inverdenkinggestelde in de zin van het Wetboek van Strafvordering is diegene die het voorwerp heeft uitgemaakt van een inbeschuldigingstelling.
De inbeschuldigingstelling wordt gedefinieerd in artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering.
De inverdenkingstelling is een bij wet aan de onderzoeksrechter voorbehouden handeling, die moet worden gesteld aan het einde van een verhoor of door kennisgeving.
In de rechtsleer bestaat er overeenstemming over de plicht van de onderzoeksrechter om eenieder tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, in beschuldiging te stellen.
Bijgevolg is een persoon die niet in verdenking is gesteld door de onderzoeksrechter, geen inverdenkinggestelde in de zin van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, en, meer bepaald, in de zin van artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering.
Wie door de onderzoeksrechter niet eerst in verdenking is gesteld overeenkomstig artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering, is geen inverdenkinggestelde in de zin van de wet en kan derhalve door de raadkamer niet worden verwezen naar de correctionele rechtbank wegens een feit dat met correctionele straffen gestraft kan worden.
Het wordt niet betwist en het blijkt daarentegen uit de stukken van het dossier dat eiser niet is verhoord door mevrouw de onderzoeksrechter B. van de rechtbank van Eerste Aanleg te Namen, dat hij door die magistraat niet in verdenking is gesteld aan het einde van een verhoor, en dat hij evenmin in verdenking is gesteld door de onderzoeksrechter op grond van de kennisgeving, bedoeld in artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering.
Bij ontstentenis van inbeschuldigingstelling door de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen, heeft de raadkamer bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen ten onrechte de verwijzing van eiser naar de correctionele rechtbank bevolen.
Door het hoger beroep niet gegrond te verklaren en de beschikking van de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen te bevestigen, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik, met het bestreden arrest dat het op 27 juni 2002 heeft gewezen, de in het middel bedoelde wetsbepalingen geschonden en aldus nadeel berokkend aan eiser, die ten onrechte naar de correctionele rechtbank is verwezen.
Het bestreden arrest moet bijgevolg worden vernietigd.
Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 61bis, 127, 128 en 130 van het Wetboek van Strafvordering ;
- algemene rechtsbeginselen, afgeleid uit het recht van verdediging ;
- algemeen rechtsbeginsel, afgeleid uit de bewijskracht van de procesakten ;
- artikel 149 van de Grondwet.
Aangevochten beslissingen en redenen
In het bestreden arrest beslist de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik dat "er geen tegenstrijdigheid (bestaat) tussen de vaststelling van de raadkamer dat er aanwijzingen bestaan die de verwijzing verantwoorden, en de vaststelling dat de onderzoeksrechter de situatie al dan niet op dezelfde wijze heeft beoordeeld en hem al dan niet in verdenking heeft gesteld".
Grieven
Volgens artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering "gaat (de onderzoeksrechter) over tot de inverdenkingstelling van elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan".
In de op 24 april 2002 op tegenspraak gewezen beschikking wees de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen erop "dat het vaststaat dat de onderzoeksrechter, luidens artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering, in het Wetboek van Strafvordering gevoegd door artikel 12 van de wet van 12 maart 1998, thans verplicht is de persoon in verdenking te stellen, wanneer de zaak bij hem aanhangig wordt gemaakt".
De raadkamer en vervolgens de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep spreken zich tegen, wanneer zij wijzen op, enerzijds, de plicht om eenieder tegen wie er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, in verdenking te stellen wanneer de zaak bij die onderzoeksrechter aanhangig wordt gemaakt, en, anderzijds, de mogelijkheid voor het onderzoeksgerecht dat in het stadium van de regeling van de rechtspleging uitspraak doet, om de betrokkene naar het vonnisgerecht te verwijzen, wanneer het oordeelt dat er aanwijzingen bestaan die de verwijzing verantwoorden, zelfs als de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig was gemaakt en deze beslist had dat hij die persoon niet in verdenking diende te stellen overeenkomstig artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering.
Hoewel de door eiser neergelegde conclusie, waarin hij betoogt dat de redengeving van de beroepen beschikking tegenstrijdig was, regelmatig bij het hof van beroep aanhangig was gemaakt, verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling van dat hof het hoger beroep niet gegrond, en neemt zij aldus de tegenstrijdige redengeving van die raadkamer over.
Een tegenstrijdige redengeving staat, in de zin van artikel 149 van de Grondwet, gelijk aan het ontbreken van redengeving.
Het bestreden arrest benadeelt eiser, in zoverre de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep de buitenvervolgingstelling had moeten uitspreken, als zij de tegenstrijdige redengeving van de eerste rechter had rechtgezet, op grond dat er, bij gebrek aan inbeschuldigingstelling door de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering, geen ernstige aanwijzingen van schuld bestonden die de verwijzing van eiser naar het vonnisgerecht verantwoordden.
Het bestreden arrest moet bijgevolg worden vernietigd wegens schending van de in het tweede middel bedoelde wetsbepalingen.
IV. Beslissing van het Hof
Over het eerste middel :
Overwegende dat het middel faalt naar recht, in zoverre het de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, dat niet van toepassing is op de onderzoeksgerechten die inzake regeling van de rechtspleging uitspraak doen ;
Overwegende dat het middel, hoewel het het arrest verwijt "geen passend antwoord te hebben gegeven op de door (eiser) regelmatig neergelegde conclusie", in werkelijkheid geen kritiek uitoefent op de regelmatigheid van de redengeving van het arrest, maar op de wettigheid van de beslissing, op grond waarvan de kamer van inbeschuldigingstelling beslist dat de beschikking van de raadkamer, die eiser naar de correctionele rechtbank verwijst, overeenkomstig artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering is gewezen, hoewel de onderzoeksrechter hem niet in verdenking had gesteld ;
Overwegende dat het voormelde artikel bepaalt dat indien het misdrijf strafbaar blijkt te zijn met correctionele straffen, de inverdenkinggestelde, behoudens het geval bedoeld in artikel 129, eerste lid, van dat wetboek, naar de correctionele rechtbank wordt verwezen ;
Overwegende dat de wetgever geen sanctie heeft voorzien bij ontstentenis van inverdenkingstelling door de onderzoeksmagistraat ; dat degene die door de onderzoeksrechter niet in beschuldiging is gesteld met toepassing van artikel 61bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, maar ten aanzien van wie de strafvordering is ingesteld in het kader van het onderzoek, in de regel kan worden verwezen naar de correctionele rechtbank voor feiten die met correctionele straffen worden bestraft ; dat die persoon, krachtens het tweede lid van die wetsbepaling, dezelfde rechten heeft als de door de onderzoeksrechter in verdenking gestelde persoon ;
Overwegende dat de kamer van inbeschuldigingstelling beslist "dat artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering betrekking heeft op een 'inverdenkinggestelde', maar daarom niet vereist dat vooraf aan het in artikel 61bis, eerste lid, bedoelde vormvereiste moet worden voldaan, aangezien het tweede lid aan de betrokkene dezelfde rechten toekent ; dat de doelstelling van de bepaling erin bestaat de verdachte persoon niet naar de rechtbank te verwijzen, voordat hij op de hoogte is gebracht van de tegen hem genomen vorderingen ; dat die voorwaarde te dezen is vervuld" ; dat de kamer van inbeschuldigingstelling haar voormelde beslissing aldus naar recht verantwoordt ;
Dat het middel, wat dat betreft, niet kan worden aangenomen ;
Over het tweede middel :
Overwegende dat het middel, om de in antwoord op het eerste middel gegeven reden, faalt naar recht, in zoverre het de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het kritiek uitoefent op de beroepen beslissing, niet ontvankelijk is ;
Overwegende dat uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het onderzoeksgerecht wettelijk kan vaststellen dat er voldoende bezwaren voor een correctionele verwijzing bestaan, zonder dat de onderzoeksrechter vooraf heeft vastgesteld dat er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan die hem verplichten die persoon in verdenking te stellen ;
Overwegende dat het arrest, op grond "dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de vaststelling van de raadkamer dat er aanwijzingen (lees : bezwaren) bestaan die de verwijzing verantwoorden, en de vaststelling dat de onderzoeksrechter de situatie al dan niet op dezelfde wijze heeft beoordeeld en hem al dan niet in verdenking heeft gesteld", niet tegenstrijdig is en geen van de in het middel bedoelde wettelijke bepalingen schendt ;
Dat het middel, wat dat betreft, niet kan worden aangenomen ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Marc Lahousse, de raadsheren Francis Fischer, Jean de Codt, Frédéric Close en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van drieëntwintig oktober tweeduizend en twee uitgesproken door afdelings-voorzitter Marc Lahousse, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Spreutels, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Francis Fischer en overgeschreven met assistentie van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.
De eerstaanwezend adjunct-griffier, De raadsheer,
P.G., inverdenkinggestelde,
Mrs. Joël-Pierre Bayer, advocaat bij de balie te Namen en Olivier De Ridder, advocaat bij de balie te Brussel.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 27 juni 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Francis Fischer heeft verslag uitgebracht.
Advocaat generaal Jean Spreutels heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt twee middelen voor, gesteld als volgt :
Eerste middel :
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 61bis en 130 van het Wetboek van Strafvordering ;
- algemeen beginsel van het recht van verdediging ;
- algemeen beginsel van de bewijskracht van de akten ;
- artikel 149 van de Grondwet.
Grieven
Het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, heeft geen passend antwoord gegeven op de conclusie die de inverdenkinggestelde, thans eiser in cassatie, heeft neergelegd op de terechtzitting van 24 juni 2002, door te beslissen dat artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering betrekking heeft op een "inverdenkinggestelde", zonder daarom te vereisen dat aan het bij artikel 61bis bepaalde vormvereiste wordt voldaan.
Artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat "indien het misdrijf strafbaar blijkt te zijn met correctionele straffen... de inverdenkinggestelde naar de correctionele rechtbank (wordt) verwezen".
Het begrip inverdenkinggestelde krijgt dezelfde invulling in de verschillende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering waarin het woord wordt aangewend.
Een inverdenkinggestelde in de zin van het Wetboek van Strafvordering is diegene die het voorwerp heeft uitgemaakt van een inbeschuldigingstelling.
De inbeschuldigingstelling wordt gedefinieerd in artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering.
De inverdenkingstelling is een bij wet aan de onderzoeksrechter voorbehouden handeling, die moet worden gesteld aan het einde van een verhoor of door kennisgeving.
In de rechtsleer bestaat er overeenstemming over de plicht van de onderzoeksrechter om eenieder tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, in beschuldiging te stellen.
Bijgevolg is een persoon die niet in verdenking is gesteld door de onderzoeksrechter, geen inverdenkinggestelde in de zin van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, en, meer bepaald, in de zin van artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering.
Wie door de onderzoeksrechter niet eerst in verdenking is gesteld overeenkomstig artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering, is geen inverdenkinggestelde in de zin van de wet en kan derhalve door de raadkamer niet worden verwezen naar de correctionele rechtbank wegens een feit dat met correctionele straffen gestraft kan worden.
Het wordt niet betwist en het blijkt daarentegen uit de stukken van het dossier dat eiser niet is verhoord door mevrouw de onderzoeksrechter B. van de rechtbank van Eerste Aanleg te Namen, dat hij door die magistraat niet in verdenking is gesteld aan het einde van een verhoor, en dat hij evenmin in verdenking is gesteld door de onderzoeksrechter op grond van de kennisgeving, bedoeld in artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering.
Bij ontstentenis van inbeschuldigingstelling door de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen, heeft de raadkamer bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen ten onrechte de verwijzing van eiser naar de correctionele rechtbank bevolen.
Door het hoger beroep niet gegrond te verklaren en de beschikking van de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen te bevestigen, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik, met het bestreden arrest dat het op 27 juni 2002 heeft gewezen, de in het middel bedoelde wetsbepalingen geschonden en aldus nadeel berokkend aan eiser, die ten onrechte naar de correctionele rechtbank is verwezen.
Het bestreden arrest moet bijgevolg worden vernietigd.
Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 61bis, 127, 128 en 130 van het Wetboek van Strafvordering ;
- algemene rechtsbeginselen, afgeleid uit het recht van verdediging ;
- algemeen rechtsbeginsel, afgeleid uit de bewijskracht van de procesakten ;
- artikel 149 van de Grondwet.
Aangevochten beslissingen en redenen
In het bestreden arrest beslist de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik dat "er geen tegenstrijdigheid (bestaat) tussen de vaststelling van de raadkamer dat er aanwijzingen bestaan die de verwijzing verantwoorden, en de vaststelling dat de onderzoeksrechter de situatie al dan niet op dezelfde wijze heeft beoordeeld en hem al dan niet in verdenking heeft gesteld".
Grieven
Volgens artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering "gaat (de onderzoeksrechter) over tot de inverdenkingstelling van elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan".
In de op 24 april 2002 op tegenspraak gewezen beschikking wees de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen erop "dat het vaststaat dat de onderzoeksrechter, luidens artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering, in het Wetboek van Strafvordering gevoegd door artikel 12 van de wet van 12 maart 1998, thans verplicht is de persoon in verdenking te stellen, wanneer de zaak bij hem aanhangig wordt gemaakt".
De raadkamer en vervolgens de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep spreken zich tegen, wanneer zij wijzen op, enerzijds, de plicht om eenieder tegen wie er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, in verdenking te stellen wanneer de zaak bij die onderzoeksrechter aanhangig wordt gemaakt, en, anderzijds, de mogelijkheid voor het onderzoeksgerecht dat in het stadium van de regeling van de rechtspleging uitspraak doet, om de betrokkene naar het vonnisgerecht te verwijzen, wanneer het oordeelt dat er aanwijzingen bestaan die de verwijzing verantwoorden, zelfs als de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig was gemaakt en deze beslist had dat hij die persoon niet in verdenking diende te stellen overeenkomstig artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering.
Hoewel de door eiser neergelegde conclusie, waarin hij betoogt dat de redengeving van de beroepen beschikking tegenstrijdig was, regelmatig bij het hof van beroep aanhangig was gemaakt, verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling van dat hof het hoger beroep niet gegrond, en neemt zij aldus de tegenstrijdige redengeving van die raadkamer over.
Een tegenstrijdige redengeving staat, in de zin van artikel 149 van de Grondwet, gelijk aan het ontbreken van redengeving.
Het bestreden arrest benadeelt eiser, in zoverre de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep de buitenvervolgingstelling had moeten uitspreken, als zij de tegenstrijdige redengeving van de eerste rechter had rechtgezet, op grond dat er, bij gebrek aan inbeschuldigingstelling door de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering, geen ernstige aanwijzingen van schuld bestonden die de verwijzing van eiser naar het vonnisgerecht verantwoordden.
Het bestreden arrest moet bijgevolg worden vernietigd wegens schending van de in het tweede middel bedoelde wetsbepalingen.
IV. Beslissing van het Hof
Over het eerste middel :
Overwegende dat het middel faalt naar recht, in zoverre het de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, dat niet van toepassing is op de onderzoeksgerechten die inzake regeling van de rechtspleging uitspraak doen ;
Overwegende dat het middel, hoewel het het arrest verwijt "geen passend antwoord te hebben gegeven op de door (eiser) regelmatig neergelegde conclusie", in werkelijkheid geen kritiek uitoefent op de regelmatigheid van de redengeving van het arrest, maar op de wettigheid van de beslissing, op grond waarvan de kamer van inbeschuldigingstelling beslist dat de beschikking van de raadkamer, die eiser naar de correctionele rechtbank verwijst, overeenkomstig artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering is gewezen, hoewel de onderzoeksrechter hem niet in verdenking had gesteld ;
Overwegende dat het voormelde artikel bepaalt dat indien het misdrijf strafbaar blijkt te zijn met correctionele straffen, de inverdenkinggestelde, behoudens het geval bedoeld in artikel 129, eerste lid, van dat wetboek, naar de correctionele rechtbank wordt verwezen ;
Overwegende dat de wetgever geen sanctie heeft voorzien bij ontstentenis van inverdenkingstelling door de onderzoeksmagistraat ; dat degene die door de onderzoeksrechter niet in beschuldiging is gesteld met toepassing van artikel 61bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, maar ten aanzien van wie de strafvordering is ingesteld in het kader van het onderzoek, in de regel kan worden verwezen naar de correctionele rechtbank voor feiten die met correctionele straffen worden bestraft ; dat die persoon, krachtens het tweede lid van die wetsbepaling, dezelfde rechten heeft als de door de onderzoeksrechter in verdenking gestelde persoon ;
Overwegende dat de kamer van inbeschuldigingstelling beslist "dat artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering betrekking heeft op een 'inverdenkinggestelde', maar daarom niet vereist dat vooraf aan het in artikel 61bis, eerste lid, bedoelde vormvereiste moet worden voldaan, aangezien het tweede lid aan de betrokkene dezelfde rechten toekent ; dat de doelstelling van de bepaling erin bestaat de verdachte persoon niet naar de rechtbank te verwijzen, voordat hij op de hoogte is gebracht van de tegen hem genomen vorderingen ; dat die voorwaarde te dezen is vervuld" ; dat de kamer van inbeschuldigingstelling haar voormelde beslissing aldus naar recht verantwoordt ;
Dat het middel, wat dat betreft, niet kan worden aangenomen ;
Over het tweede middel :
Overwegende dat het middel, om de in antwoord op het eerste middel gegeven reden, faalt naar recht, in zoverre het de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het kritiek uitoefent op de beroepen beslissing, niet ontvankelijk is ;
Overwegende dat uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het onderzoeksgerecht wettelijk kan vaststellen dat er voldoende bezwaren voor een correctionele verwijzing bestaan, zonder dat de onderzoeksrechter vooraf heeft vastgesteld dat er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan die hem verplichten die persoon in verdenking te stellen ;
Overwegende dat het arrest, op grond "dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de vaststelling van de raadkamer dat er aanwijzingen (lees : bezwaren) bestaan die de verwijzing verantwoorden, en de vaststelling dat de onderzoeksrechter de situatie al dan niet op dezelfde wijze heeft beoordeeld en hem al dan niet in verdenking heeft gesteld", niet tegenstrijdig is en geen van de in het middel bedoelde wettelijke bepalingen schendt ;
Dat het middel, wat dat betreft, niet kan worden aangenomen ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Marc Lahousse, de raadsheren Francis Fischer, Jean de Codt, Frédéric Close en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van drieëntwintig oktober tweeduizend en twee uitgesproken door afdelings-voorzitter Marc Lahousse, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Spreutels, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Francis Fischer en overgeschreven met assistentie van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.
De eerstaanwezend adjunct-griffier, De raadsheer,