Hof van Cassatie: Arrest van 24 Februari 1997 (België). RG S960072N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19970224-5
- Rolnummer :
- S960072N
Samenvatting :
De maatregel, die benevens de veroordeling tot een administratieve geldboete, aan een werkgever wordt opgelegd door de bevoegde ambtenaar, tot betaling ten gunste van de sociale zekerheid tot het drievoud van de sociale bijdragen, heeft een vergoedend karakter.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 9 februari 1996 door het Arbeidshof te Antwerpen gewezen;
Over het eerste onderdeel van het middel, gesteld als volgt :
schending van artikelen 15bis (en 15ter) en voor zoveel als nodig 11bis van het Koninklijk besluit nummer 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten (artikel 11bis zoals ingevoegd bij artikel 30 van de Programmawet van 6 juli 1989, doch ook zoals vervangen bij artikel 112 van de Wet van 26 juni 1992, en vóór het werd opgeheven bij artikel 5 van de Wet van 23 maart 1994; artikel 15bis zoals het werd ingevoegd bij artikel 32 van de Programmawet van 6 juli 1989 en vóór het werd opgeheven bij artikel 98 van de Wet van 20 juli 1991; artikel 15ter, zoals het werd ingevoegd bij artikel 33 van de Programmawet van 6 juli 1989, werd vervangen bij artikel 99 van de Wet van 20 juli 1991 en vóór het werd opgeheven bij artikel 7 van de Wet van 23 maart 1994), artikel 12bis van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten (zoals ingevoegd bij artikel 103 van de Wet van 20 juli 1991 en vervangen bij artikel 116 van de Wet van 26 juni 1992, en vóór het werd opgeheven bij artikel 21 van de Wet van 23 maart 1994), artikel 774, inzonderheid het tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, en voor zoveel als nodig van artikel 1, enig lid, 9° van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten (zoals gewijzigd bij Koninklijk besluit nummer 5 van 23 oktober 1978, artikel 14, 1° van de Wet van 2 juli 1981 en artikel 82 van de Programmawet van 30 december 1988),
doordat het arbeidshof in de bestreden beslissing de vordering strekkend tot de veroordeling van verweerster tot betaling van een vergoeding, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, gelijk aan het drievoud van sociale zekerheidsbijdragen berekend op basis van het gemiddeld minimum maandinkomen vastgesteld bij een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, afwijst op grond van volgende motieven : "De overtreding werd vastgesteld in datum van 22 januari 1991. Bij de opgelegde sanctie genomen op 8 juli 1993 werd evenwel een wettekst aangehaald om de RSZ-vergoeding op te leggen dewelke niet bestond op het ogenblik van de beweerde overtreding. Artikel 12bis werd immers slechts ingevoerd bij artikel 103 van de Wet van 20 juli 1991 (Belgisch Staatsblad d.d. 1.8.1991), zodanig dat de opgelegde sanctie dewelke een ware straf inhoudt niet van toepassing kan zijn. Dit deel van de vordering is bijgevolg ongegrond". (arrest pp. 3-4, punt V.1.),
terwijl, zoals uit eisers administratieve beslissing van 8 juli 1993 moge blijken, eiser aan verweerster de betaling oplegde (ten gunste van de Rijksdienst voor sociale zekerheid) van een vergoeding "gelijk aan het drievoud van de bijdragen bedoeld bij artikel 38, alinéa alinéa 2 en 3 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ongeacht de duur van de tewerkstelling waarop de feiten betrekking hebben" om volgende reden : "Gelet op het feit dat ik U een administratieve geldboete inzake het bijhouden van sociale documenten opleg, in toepassing van artikel 1, 9°, f van (de) wet van 30 juni 1971" (administratieve beslissing p. 3, laatste alinea); en terwijl, (...) de wettigheid van de beslissing tot het opleggen van de verplichting tot betaling van een vergoeding ten gunste van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, derhalve beoordeeld dient te worden aan de hand van de wetsbepalingen die toepasselijk waren op het ogenblik waarop eiser deze beslissing nam te weten 8 juli 1993; op laatstgenoemde datum artikel 12bis van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, zoals ingevoegd bij artikel 103 van de Wet van 20 juli 1991 en vervangen bij artikel 116 van de Wet van 26 juni 1992, en vóór het werd opgeheven bij artikel 21 van de Wet van 23 maart 1994, van kracht was; luidens het eerste lid van de eerste paragraaf van laatstgenoemde bepaling "de ambtenaar die de administratieve geldboete oplegt, eveneens, wanneer de feiten de ontwijking van de juiste aangifte van de prestaties toegelaten hebben, een vergoeding op(legt) gelijk aan het drievoud van de bijdragen bedoeld in artikel 38, alinéa alinéa 2 en 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (...) 1° wanneer hij een administratieve geldboete oplegt aan de werkgever en aan de personen bepaald door de Koning in uitvoering van artikel 4, alinéa 2, van het Koninklijk Besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten met toepassing van artikel 1, 9° (...) f) (...) (van de wet van 30 juni 1971)"; luidens het tweede lid van deze eerste paragraaf van artikel 12bis, deze vergoeding rechtstreeks aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid wordt betaald; luidens het derde lid van deze eerste paragraaf deze bijdragen berekend worden op basis van het maandelijks bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen vastgesteld bij een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, ongeacht de duur van de tewerkstelling waarop de feiten betrekking hebben; luidens de derde paragraaf van dezelfde bepaling de vergoedingen bedoeld bij de eerste paragraaf worden vermenigvuldigd met het aantal werknemers waarvoor een inbreuk is vastgesteld; eiser derhalve volkomen wettig op 8 juli 1993 in toepassing van artikel 12bis van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten (zoals ingevoegd bij artikel 103 van de Wet van 20 juli 1991 en vervangen bij artikel 116 van de Wet van 26 juni 1992, en vóór het werd opgeheven bij artikel 21 van de Wet van 23 maart 1994), de betaling kon opleggen van een vergoeding ten gunste van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, gelijk aan het drievoud van de betreffende sociale zekerheidsbijdragen, ongeacht de datum waarop het proces-verbaal tot vaststelling van de aan de boete en de vergoeding ten grondslag liggende feiten, werd opgesteld, zodat het arbeidshof niet wettig dit deel van de vordering als ongegrond kon afwijzen om reden dat op de datum van het proces-verbaal tot vaststelling van de feiten, artikel 12bis van de genoemde wet van 30 juni 1971 nog ni
et van toepassing was (schending van artikel 12bis van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten - zoals ingevoegd bij artikel 103 van de Wet van 20 juli 1991 en vervangen bij artikel 116 van de Wet van 26 juni 1992, en vóór het werd opgeheven bij artikel 21 van de Wet van 23 maart 1994 - en voor zoveel als nodig van artikel 1, enig lid, 9° van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten - zoals gewijzigd bij Koninklijk besluit nummer 5 van 23 oktober 1978, artikel 14, 1° van de Wet van 2 juli 1981 en artikel 82 van de Programmawet van 30 december 1988 -) :
Overwegende dat, krachtens artikel 12bis van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboetes toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, ingevoegd bij artikel 103 van de wet van 20 juli 1991, de ambtenaar die de administratieve geldboete oplegt, in bepaalde gevallen eveneens de betaling van een vergoeding oplegt, gelijk aan het drievoud van de bijdragen, bedoeld in artikel 38, alinéa alinéa 2 en 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor de werknemers; dat, krachtens de bepaling van artikel 12bis zoals zij werd vervangen bij artikel 116 van de wet van 26 juni 1992, de voormelde ambtenaar de vergoeding oplegt wanneer de feiten de ontwijking van de juiste aangifte van de prestaties hebben toegelaten;
Overwegende dat de in artikel 12bis bedoelde maatregel een vergoedend karakter heeft; dat zij vóór de opheffing van artikel 12bis bij artikel 21 van de wet van 23 maart 1994, diende te worden toegepast, ongeacht de datum van de bewezen verklaarde feiten;
Overwegende dat het arrest beslist dat er voor het opleggen van de bedoelde vergoeding te dezen geen rechtsgrond is, hoewel artikel 12bis van kracht was toen eiser op 8 juli 1993 een administratieve geldboete aan verweerster oplegde; dat het arrest zulks beslist op grond dat die bepaling een ware straf inhoudt en derhalve niet kan worden toegepast op feiten die, zoals te dezen, vóór haar inwerkingtreding zijn gepleegd;
Dat het arrest aldus artikel 12bis schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over het opleggen van de vergoeding, bepaald in artikel 12bis van de wet van 30 juni 1971;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.
Gelet op het bestreden arrest, op 9 februari 1996 door het Arbeidshof te Antwerpen gewezen;
Over het eerste onderdeel van het middel, gesteld als volgt :
schending van artikelen 15bis (en 15ter) en voor zoveel als nodig 11bis van het Koninklijk besluit nummer 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten (artikel 11bis zoals ingevoegd bij artikel 30 van de Programmawet van 6 juli 1989, doch ook zoals vervangen bij artikel 112 van de Wet van 26 juni 1992, en vóór het werd opgeheven bij artikel 5 van de Wet van 23 maart 1994; artikel 15bis zoals het werd ingevoegd bij artikel 32 van de Programmawet van 6 juli 1989 en vóór het werd opgeheven bij artikel 98 van de Wet van 20 juli 1991; artikel 15ter, zoals het werd ingevoegd bij artikel 33 van de Programmawet van 6 juli 1989, werd vervangen bij artikel 99 van de Wet van 20 juli 1991 en vóór het werd opgeheven bij artikel 7 van de Wet van 23 maart 1994), artikel 12bis van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten (zoals ingevoegd bij artikel 103 van de Wet van 20 juli 1991 en vervangen bij artikel 116 van de Wet van 26 juni 1992, en vóór het werd opgeheven bij artikel 21 van de Wet van 23 maart 1994), artikel 774, inzonderheid het tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, en voor zoveel als nodig van artikel 1, enig lid, 9° van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten (zoals gewijzigd bij Koninklijk besluit nummer 5 van 23 oktober 1978, artikel 14, 1° van de Wet van 2 juli 1981 en artikel 82 van de Programmawet van 30 december 1988),
doordat het arbeidshof in de bestreden beslissing de vordering strekkend tot de veroordeling van verweerster tot betaling van een vergoeding, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, gelijk aan het drievoud van sociale zekerheidsbijdragen berekend op basis van het gemiddeld minimum maandinkomen vastgesteld bij een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, afwijst op grond van volgende motieven : "De overtreding werd vastgesteld in datum van 22 januari 1991. Bij de opgelegde sanctie genomen op 8 juli 1993 werd evenwel een wettekst aangehaald om de RSZ-vergoeding op te leggen dewelke niet bestond op het ogenblik van de beweerde overtreding. Artikel 12bis werd immers slechts ingevoerd bij artikel 103 van de Wet van 20 juli 1991 (Belgisch Staatsblad d.d. 1.8.1991), zodanig dat de opgelegde sanctie dewelke een ware straf inhoudt niet van toepassing kan zijn. Dit deel van de vordering is bijgevolg ongegrond". (arrest pp. 3-4, punt V.1.),
terwijl, zoals uit eisers administratieve beslissing van 8 juli 1993 moge blijken, eiser aan verweerster de betaling oplegde (ten gunste van de Rijksdienst voor sociale zekerheid) van een vergoeding "gelijk aan het drievoud van de bijdragen bedoeld bij artikel 38, alinéa alinéa 2 en 3 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ongeacht de duur van de tewerkstelling waarop de feiten betrekking hebben" om volgende reden : "Gelet op het feit dat ik U een administratieve geldboete inzake het bijhouden van sociale documenten opleg, in toepassing van artikel 1, 9°, f van (de) wet van 30 juni 1971" (administratieve beslissing p. 3, laatste alinea); en terwijl, (...) de wettigheid van de beslissing tot het opleggen van de verplichting tot betaling van een vergoeding ten gunste van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, derhalve beoordeeld dient te worden aan de hand van de wetsbepalingen die toepasselijk waren op het ogenblik waarop eiser deze beslissing nam te weten 8 juli 1993; op laatstgenoemde datum artikel 12bis van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, zoals ingevoegd bij artikel 103 van de Wet van 20 juli 1991 en vervangen bij artikel 116 van de Wet van 26 juni 1992, en vóór het werd opgeheven bij artikel 21 van de Wet van 23 maart 1994, van kracht was; luidens het eerste lid van de eerste paragraaf van laatstgenoemde bepaling "de ambtenaar die de administratieve geldboete oplegt, eveneens, wanneer de feiten de ontwijking van de juiste aangifte van de prestaties toegelaten hebben, een vergoeding op(legt) gelijk aan het drievoud van de bijdragen bedoeld in artikel 38, alinéa alinéa 2 en 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (...) 1° wanneer hij een administratieve geldboete oplegt aan de werkgever en aan de personen bepaald door de Koning in uitvoering van artikel 4, alinéa 2, van het Koninklijk Besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten met toepassing van artikel 1, 9° (...) f) (...) (van de wet van 30 juni 1971)"; luidens het tweede lid van deze eerste paragraaf van artikel 12bis, deze vergoeding rechtstreeks aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid wordt betaald; luidens het derde lid van deze eerste paragraaf deze bijdragen berekend worden op basis van het maandelijks bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen vastgesteld bij een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, ongeacht de duur van de tewerkstelling waarop de feiten betrekking hebben; luidens de derde paragraaf van dezelfde bepaling de vergoedingen bedoeld bij de eerste paragraaf worden vermenigvuldigd met het aantal werknemers waarvoor een inbreuk is vastgesteld; eiser derhalve volkomen wettig op 8 juli 1993 in toepassing van artikel 12bis van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten (zoals ingevoegd bij artikel 103 van de Wet van 20 juli 1991 en vervangen bij artikel 116 van de Wet van 26 juni 1992, en vóór het werd opgeheven bij artikel 21 van de Wet van 23 maart 1994), de betaling kon opleggen van een vergoeding ten gunste van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, gelijk aan het drievoud van de betreffende sociale zekerheidsbijdragen, ongeacht de datum waarop het proces-verbaal tot vaststelling van de aan de boete en de vergoeding ten grondslag liggende feiten, werd opgesteld, zodat het arbeidshof niet wettig dit deel van de vordering als ongegrond kon afwijzen om reden dat op de datum van het proces-verbaal tot vaststelling van de feiten, artikel 12bis van de genoemde wet van 30 juni 1971 nog ni
et van toepassing was (schending van artikel 12bis van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten - zoals ingevoegd bij artikel 103 van de Wet van 20 juli 1991 en vervangen bij artikel 116 van de Wet van 26 juni 1992, en vóór het werd opgeheven bij artikel 21 van de Wet van 23 maart 1994 - en voor zoveel als nodig van artikel 1, enig lid, 9° van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten - zoals gewijzigd bij Koninklijk besluit nummer 5 van 23 oktober 1978, artikel 14, 1° van de Wet van 2 juli 1981 en artikel 82 van de Programmawet van 30 december 1988 -) :
Overwegende dat, krachtens artikel 12bis van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboetes toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, ingevoegd bij artikel 103 van de wet van 20 juli 1991, de ambtenaar die de administratieve geldboete oplegt, in bepaalde gevallen eveneens de betaling van een vergoeding oplegt, gelijk aan het drievoud van de bijdragen, bedoeld in artikel 38, alinéa alinéa 2 en 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor de werknemers; dat, krachtens de bepaling van artikel 12bis zoals zij werd vervangen bij artikel 116 van de wet van 26 juni 1992, de voormelde ambtenaar de vergoeding oplegt wanneer de feiten de ontwijking van de juiste aangifte van de prestaties hebben toegelaten;
Overwegende dat de in artikel 12bis bedoelde maatregel een vergoedend karakter heeft; dat zij vóór de opheffing van artikel 12bis bij artikel 21 van de wet van 23 maart 1994, diende te worden toegepast, ongeacht de datum van de bewezen verklaarde feiten;
Overwegende dat het arrest beslist dat er voor het opleggen van de bedoelde vergoeding te dezen geen rechtsgrond is, hoewel artikel 12bis van kracht was toen eiser op 8 juli 1993 een administratieve geldboete aan verweerster oplegde; dat het arrest zulks beslist op grond dat die bepaling een ware straf inhoudt en derhalve niet kan worden toegepast op feiten die, zoals te dezen, vóór haar inwerkingtreding zijn gepleegd;
Dat het arrest aldus artikel 12bis schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over het opleggen van de vergoeding, bepaald in artikel 12bis van de wet van 30 juni 1971;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.