Hof van Cassatie: Arrest van 25 Januari 1991 (België). RG F1776N

Datum :
25-01-1991
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19910125-1
Rolnummer :
F1776N

Samenvatting :

Voor de toepassing van de door art. 40, alinéa 1, 1° Wetboek van de Inkomstenbelastingen gestelde regel dat de uit hoofde of ter gelegenheid van de stopzetting, door een belastingplichtige, van de exploitatie van zijn bedrijf of van de uitoefening van zijn bedrijfsactiviteit gebleken of behaalde meerwaarden van activa volledig maar tijdelijk van belasting op bedrijfsinkomsten worden vrijgesteld, voor zover de exploitatie, de bedrijfsactiviteit of een of meer takken van het bedrijf worden voortgezet door de echtgenoot van de belastingplichtige of door een of meer van zijn erfgenamen of erfgerechtigden in de rechte linie, is de toestemming niet vereist van de in die wetsbepaling genoemde personen die de exploitatie van het bedrijf of de uitoefening van de bedrijfsactiviteit voortzetten.

Arrest :

Selecteer tekst om te onderstrepen of annotaties te maken bij het document
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 21 juni 1988 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;
Overwegende dat het geschil betrekking heeft op de vastgestelde aanslag betreffende het aanslagjaar 1974;
Over het eerste middel : schending van de artikelen 97 van de Grondwet en voor zover nodig, 30 van het Gerechtelijk Wetboek, toepasselijk inzake directe belastingen ingevolge artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het arrest verklaart : "dat er geen redenen zijn om in te gaan op de vraag tot samenvoeging van de huidige zaak, met de voorziening ingeschreven onder nummer F.R. 1206, ook niet nu in het huidig geschil, zowel door de eisers als door de administratie dezelfde standpunten worden verdedigd en dezelfde juridische feiten de aanleiding zijn van het geschil",
terwijl de conclusie van de eisers van 21 januari 1988 samenvoeging vroeg, ten einde tegenstrijdige beslissingen te voorkomen, aangezien beide fiscale voorzieningen een identieke betwisting inhielden, zowel wat het principe, als wat de cijfers betreft, en enkel deze betwisting, en de beide partijen dezelfde waren, en slechts het aanslagjaar verschilt; en het arrest, daarop antwoordend dat er geen redenen zijn tot voeging, zodoende niet antwoordt, vermits een dergelijk antwoord de repliek kan zijn op om het even welke grief of vordering, zodat artikel 97 van de Grondwet is geschonden wegens gebrek aan antwoord :
Overwegende dat het samenhangen van zaken, als bedoeld bij artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek, ter vrije beoordeling staat van de feitenrechter; dat het verzoek van een procespartij aan de rechter om verschillende zaken wegens samenhang te voegen, geen vordering, verweer of exceptie is waaromtrent de rechter zijn beslissing nader moet motiveren;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel : ...
Overwegende dat uit de vaststellingen van het arrest volgt : dat eiseres en haar toenmalige echtgenoot, de heer Vercruysse, te zamen twee hotel-restaurants exploiteerden; dat, ingevolge scheiding van tafel en bed, het huwelijksvermogen werd vereffend en verdeeld bij notariële akte van 16 juni 1967; dat toen, met betrekking tot de twee handelszaken, een meerwaarde van 4.286.556 frank bleek te bestaan; dat de heer Vercruysse na voormelde datum de handelszaken niet verder mede-exploiteerde; dat eiseres, bij de vereffening van het huwelijksvermogen, onder meer de twee handelszaken en een gemeenschappelijke schuld ten deel vielen; dat eiseres, wegens overbedeling, aan haar toenmalige echtgenoot nog een som van 3.797.978 frank diende te betalen, waarvoor zij een lening aanging;
Dat het ontstane geschil hierop betrekking heeft dat verweerder eiseres had toegestaan jaarlijks 10 % af te schrijven op de helft van de voormelde meerwaarde, dit is op 2.143.278 frank, maar op die beslissing terugkwam, omdat de heer Vercruysse aanspraak maakte op de vrijstelling bepaald bij artikel 40, alinéa 1, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen; dat het hof van beroep het tegen die laatste beslissing gerichte bezwaar, dat door de directeur der belastingen werd verworpen, ongegrond verklaart;
Overwegende dat voor de toepassing van de artikelen 31, 1°, en 40, alinéa 1, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen noodzakelijk maar voldoende is : 1° dat uit hoofde of ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting, door de belastingplichtige, van de exploitatie van zijn bedrijf of van zijn winstgevende bezigheid, vrij beroep, ambt of post, winsten of baten worden vastgesteld of behaald, die voortkomen uit meerwaarden van lichamelijke of onlichamelijke activa die werden aangewend voor die exploitatie, dat beroep of die bezigheid; 2° dat de exploitatie, de bedrijfsactiviteit of een of meer takken van het bedrijf worden voortgezet door de echtgenoot of door een of meer erfgenamen of erfgerechtigden in rechte linie van de belastingplichtige die zijn activiteit heeft gestaakt;
Overwegende dat uit de hiervoren vermelde vaststellingen van het arrest blijkt dat, ter gelegenheid van de staking van de beroepsactiviteit van de voormalige echtgenoot van eiseres, het bestaan, aan diens zijde, is vastgesteld van een meerwaarde van 2.143.278 frank met betrekking tot de handelszaken die hij samen met eiseres had geëxploiteerd, en dat eiseres na die staking de exploitatie van de handelszaken eerst alleen en later met eiser voortzette;
Over het vierde middel : schending van de artikelen 20, 4°, 31, 1°, 40, alinéa 1, 40, alinéa 2, 259 en 264 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen,
doordat het arrest oordeelt "dat uit de bepalingen van artikel 40 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen blijkt dat de vrijstelling kan worden gevraagd door degene die de bedrijfsactiviteit staakt; dat niet vereist is dat degene die de activiteit voortzet, zijn toestemming moet betuigen, ook al brengt de vrijstelling voor de eerste, fiscale gevolgen mee voor de tweede",
terwijl de vrijstelling van de meerwaarden moet worden beschouwd als een faculteit en, waar het gaat om een faculteit, de twee betrokken partijen daaromtrent moeten overeenkomen, vermits de ene geen beslissing kan nemen ten nadele van de andere, het fiscaal recht op dit punt (private verhoudingen) neutraal zijnde, en deze beslissing moet genomen zijn voor het verstrijken van de aanslagtermijn, zoniet wordt belast krachtens de artikelen 20, 4°, en 31, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen; zodat het arrest ten onrechte oordeelt dat uit de bepalingen van artikel 40 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen blijkt dat de vrijstelling eenzijdig en zonder akkoord van diegene die er de gevolgen moet van dragen, wat betreft de afschrijvingen, mag worden gevraagd en toegekend, en aldus bedoeld artikel 40 schendt :
Overwegende dat artikel 40, alinéa 1, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen als regel stelt dat de uit hoofde of ter gelegenheid van de stopzetting, door een belastingplichtige, van de exploitatie van zijn bedrijf of van de uitoefening van zijn bedrijfsactiviteit gebleken of behaalde meerwaarden van activa, volledig maar tijdelijk van belasting op bedrijfsinkomsten worden vrijgesteld, voor zover de exploitatie, de bedrijfsactiviteit of een of meer takken van het bedrijf worden voortgezet door de echtgenoot van de belastingplichtige of door een of meer van zijn erfgenamen of erfgerechtigden in de rechte linie;
Dat voor de toepassing van die regel niet de toestemming is vereist van de in artikel 40, alinéa 1, 1°, genoemde personen die de exploitatie van het bedrijf of bedrijfstakken of de uitoefening van de bedrijfsactiviteit voortzetten;
Dat het middel faalt naar recht;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt de eisers in de kosten.