Hof van Cassatie: Arrest van 25 Juni 1999 (België). RG C960364N

Datum :
25-06-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990625-15
Rolnummer :
C960364N

Samenvatting :

De rechter bij wie de aangifte wordt gedaan van het faillissement en die vaststelt dat de koopman in zijn rechtsgebied zijn woonplaats heeft en op het tijdstip van de aangifte opgehouden heeft te betalen, is in de regel bevoegd om de faillietverklaring uit te spreken; om over zijn bevoegdheid te beslissen is hij niet verplicht na te gaan of de koopman in de periode voor de aangifte elders een woonplaats had en opgehouden had te betalen op een ander tijdstip dan uit de aangifte blijkt.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 31 januari 1996 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel;
Over het middel, gesteld als volgt: schending van artikelen 10, 12, 29, 565, 5° en 631 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, artikel 442 van de Faillissementswet van 18 april 1851 dat Boek III van het Wetboek van Koophandel vormt,
doordat het Hof van Beroep te Brussel het hoger beroep van eisers ontvankelijk en slechts in beperkte mate gegrond verklaart en na vernietiging van het beroepen vonnis, het oorspronkelijk derdenverzet van eisers ontvankelijk maar ongegrond verklaart en zegt dat het op derdenverzet bestreden vonnis van 18 oktober 1995 volledig uitwerking inhoudt, op grond van de volgende redengeving:
"B. De feiten.
1. (...) dat de maatschappelijke zetel van de BVBA De Vliegher Marleen vanaf haar oprichting op 3 juli 1987 was gevestigd te Aalst, Kattestraat 46;
dat die vennootschap, -die als maatschappelijk doel had: groot- en kleinhandel in schoonheidsproducten, juwelen, textiel, materieel voor lichaamsverzorging en kinesitherapeutische apparatuur- oorspronkelijk één handelszaak exploiteerde onder de benaming 'Parallax', gelegen in de Kattestraat 49 te Aalst;
dat zij in de loop van 1993 nog twee vestigingen opende, één te Aalst, Kattestraat 62, onder benaming 'Hervey's' en één andere te Halle, Basiliekstraat 84-86;
dat zij de twee handelsfondsen te Aalst op 14 september 1995 verkocht aan de NV Devlo;
(...) dat bij beslissing van de algemene vergadering van 4 augustus 1995, de maatschappelijke zetel werd overgebracht naar Halle, Basiliekstraat 84-86;
2. (...) Dat de BVBA De Vliegher Marleen op 17 oktober 1995 aangifte deed van haar staat van faillissement en de Rechtbank van Koophandel te Brussel daags nadien het faillissement opende;
(...) dat de gefailleerde vennootschap voordien reeds op 25 september 1995 door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, afdeling Aalst, was uitgenodigd om te verschijnen op een zitting van 6 oktober 1995 ten einde er gehoord te worden omtrent een mogelijke ambtshalve uit te spreken faillissement, maar de afhandeling van die rechtspleging werd verdaagd naar de zitting van 20 oktober 1995;
dat de raadsman van die vennootschap op 18 oktober 1995 meedeelde dat het faillissement al te Brussel was uitgesproken, maar de rechtbank te Dendermonde - afdeling Aalst van oordeel was dat zij territoriaal bevoegd bleef en op haar beurt op 20 oktober 1995 het faillissement ambtshalve opende;
(...) dat voormeld vonnis op 26 oktober 1995 werd betekend aan de gefailleerde, die geen derdenverzet instelde terwijl curator Walraevens zulks op 26 oktober 1995 wel deed;
dat de rechtbank te Dendermonde - afdeling Aalst dat derdenverzet op 15 december 1995 als ongegrond afwees, in essentie op grond van de overweging dat het tijdstip waarop de gefailleerde had opgehouden te betalen diende vastgesteld te worden op 20 april 1954 en op dat ogenblik haar maatschappelijke zetel nog steeds in het rechtsgebied van die rechtbank was gevestigd;
dat curator Walraevens tegen dit laatste vonnis hoger beroep instelde, dat thans hangende is voor het Hof van Beroep te Gent;
C. De bevoegde rechter.
1. (...) Dat luidens artikel 631 van het Gerechtelijk Wetboek de territoriaal bevoegde rechter om een faillissement uit te spreken diegene is van de woonplaats van de gefailleerde op het tijdstip van de staking van betaling;
(...) dat wat vennootschappen aangaat de 'woonplaats' die in aanmerking dient te worden genomen om de territoriale bevoegdheid te bepalen, de plaats is waar de maatschappelijke zetel is gevestigd op het ogenblik van de staking van betaling (Cass. 26 februari 1993, T.B.H., 1993, p. 830-832, met noot);
2. (...) Dat 'het tijdstip' van de staking van betaling evenwel geen eenduidig maar een variabel gegeven vormt, dat overigens in de loop van de faillissementsprocedure kan wijzigen binnen de grenzen bepaald in artikel 442, lid 3, van de Faillissementswet;
(...) dat de rechter zijn bevoegdheid, zowel territoriaal als materieel, dient te beoordelen naar het voorwerp van de eis zoals hem dat bij de adiëring ter kennis wordt gebracht, en zonder daarbij zelfs preliminair de grond van het geschil te onderzoeken (Cass., 19 december 1995, Arr. Cass., 1985-86, 589; zie ook: J. Laenens, Bevoegdheid, Overzicht van rechtspraak (1979-1992), T.P.R., 1993, inz. nrs. 11 en 24; voor bedenkingen omtrent die oplossing: P. Heurterre, De Bevoegdheid en het onderzoek van de zaak in de grond: enkele beschouwingen, in Liber Amicorum Prof. em. E. Krings, p. 613-622);
(...) dat de rechter bij de beslissing over zijn bevoegdheid zich dus niet heeft uit te spreken over het tijdstip waarop de staking van betaling effectief is ingetreden, hetgeen een uitspraak zou impliceren over een aspect ten gronde van het uit te spreken faillissement, maar hij enkel moet vaststellen dat het voorwerp van de eis slaat op de beweerde vervulling van die voorwaarde op datum van zijn adiëring, ongeacht of die toestand zich ook al op een vroeger tijdstip voordeed;
dat het criterium 'tijdstip van staking der betaling' vermeld in artikel 631 van het Gerechtelijk Wetboek dus enkel dient te worden begrepen als een verwijzing naar één van de materiële voorwaarden uit artikel 437 van de Faillissementswet met name het 'ophouden te hebben te betalen';
dat uit de samenlezing van de artikelen 442, lid 2 en 5, 472 en 473 van de Faillissementswet trouwens volgt dat de veranderlijke beslissing over de 'datum van staking van betaling' evident geen incidentie kan hebben op de bevoegdheid van de rechtbank;
(...) dat het andersluidend standpunt van (eisers) overigens impliceert dat de rechter zijn bevoegdheid slechts zou kunnen beoordelen na vooraf te hebben beslist over de datum van staking der betalingen, hetgeen een toepassing ten gronde van het faillissementsrecht impliceert terwijl zulke toepassing hem bij een negatief bevoegdheidsbesluit bij hypothese niet zou kunnen toekomen;
dat anderzijds, bij wijziging van de woonplaats of zetel van een gerechtelijk arrondissement naar een ander gedurende een periode die zes maanden aan een faillissementsvonnis voorafgaat, zou volstaan dat twee rechtbanken een zuiver feitelijk gegeven als een tijdstip van staking van betaling uiteenlopend appreciëren opdat een concurrerende bevoegdheid zou ontstaan, daar waar artikel 631 van het Gerechtelijk Wetboek precies beoogt een exclusieve bevoegdheid te vestigen die de openbare orde raakt;
(...) dat een rechtbank van koophandel derhalve principieel territoriaal bevoegd is om een faillissement uit te spreken wanneer blijkens de akte waardoor zij geadieerd wordt aan de twee cumulatief te vervullen voorwaarden is voldaan:
(1) dat voorgehouden wordt dat door de geïncrimineerde partij opgehouden is te betalen -of, indien de rechtbank ambtshalve optreedt, dat deze in de oproepingsbrief aan de onderneming naar dat gegeven refereert -én
(2) op dat ogenblik de woonplaats van de handelaar of de zetel van de vennootschap in haar rechtsgebied is gevestigd;
(...) dat de toepassing van de tweede voorwaarde slechts uitzondering zou kunnen lijden indien de beslissing tot wijziging van de woonplaats is ingegeven door frauduleuze bedoelingen of louter fictief blijkt;
3. (...) Dat de eerste rechter in onderhavig geval geadieerd werd door de akte waarbij de zaakvoerder van de BVBA De Vliegher Marleen aangifte deed van dezer staat van faillissement;
dat op dat ogenblik de maatschappelijke zetel van die vennootschap gevestigd was in het rechtsgebied van de Rechtbank van Koophandel te Brussel en de aangifte inhield dat zij op dat tijdstip haar betalingen had gestaakt;
(...) dat door (eisers) geenszins wordt aangetoond dat de beslissing tot wijziging van de maatschappelijke zetel een frauduleus karakter zou hebben of op fictie zou berusten;
dat de overdracht van die zetel van Aalst naar Halle integendeel logisch aansluit bij de verkoop van de twee handelsfondsen te Aalst en het behoud van het handelsfonds waarnaar de zetel werd overgebracht;
(...) dat de Rechtbank van Koophandel te Brussel zodoende wel degelijk territoriaal bevoegd was om het faillissement uit te spreken van de BVBA De Vliegher Marleen (vgl. De bevoegdheid ratione loci in geval van faillissement: noot - anoniem - onder Cass., 26 februari 1993, gecit., T.B.H., 1993, p. 832).
4. (...) Dat het hoger beroep derhalve ongegrond is waar de beslissing van de eerste rechter enkel omtrent de bevoegdheid wordt bestreden; (bestreden arrest, blz. 4-7),"
terwijl, eerste onderdeel, luidens artikel 631 van het Gerechtelijk Wetboek de faillietverklaring geschiedt door de rechtbank van de woonplaats van de gefailleerde op het tijdstip van de staking van betaling;
deze wetsbepaling medebrengt dat inzake faillietverklaring van een vennootschap de territoriaal bevoegde rechtbank deze is in wier rechtsgebied de maatschappelijke zetel van de vennootschap is gevestigd op het tijdstip van de staking van betaling;
deze wetsbepaling verder medebrengt dat, ingeval van betwisting van de territoriale bevoegdheid van de geadieerde rechtbank op de grond dat het reële tijdstip van de staking van betaling van vroeger dateert in een periode dat de vennootschap in een ander arrondissement haar maatschappelijke zetel had, de geadieerde rechter gehouden is uitspraak te doen over het reële tijdstip waarop de staking van betaling effectief is ingetreden om uit te maken of de geadieerde rechtbank al dan niet territoriaal bevoegd is;
de rechter weliswaar zijn bevoegdheid dient te beoordelen naar het voorwerp van de eis zoals hem dat bij de adiëring ter kennis wordt gebracht doch, wanneer hij vervolgens vaststelt dat de vordering een ander voorwerp of een andere grondslag heeft, hij zich vervolgens onbevoegd dient te verklaren en de zaak naar de bevoegde rechter dient te verwijzen;
te dezen de appèlrechters ten onrechte oordelen dat de geadieerde rechter bij de beslissing over zijn bevoegdheid zich niet heeft uit te spreken over het tijdstip waarop de staking van betaling effectief is ingetreden en dat een rechtbank van koophandel derhalve principieel territoriaal bevoegd is om het faillissement uit te spreken wanneer blijkens de akte waardoor zij geadieerd wordt aan de twee cumulatief te vervullen voorwaarden is voldaan:
1. dat voorgehouden wordt dat door de geïncrimineerde partij opgehouden is te betalen - of, indien de rechtbank ambtshalve optreedt, dat deze in de oproepingsbrief aan de onderneming naar dat gegeven refereert - en
2. op dat ogenblik de woonplaats van de handelaar op de zetel van de vennootschap in haar rechtsgebied is gevestigd en dit ongeacht of de bedoelde vennootschap op het tijdstip waarop de staking van betaling effectief is ingetreden haar maatschappelijke zetel in een ander arrondissement had,
de appèlrechters derhalve de artikelen 10, 12 en 631 van het Gerechtelijk Wetboek en 442 van de Faillissementswet schenden,
en terwijl, tweede onderdeel, de appèlrechters te dezen vooraf uitdrukkelijk vaststellen dat de gefailleerde vennootschap reeds op 25 september 1995 door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde - afdeling Aalst, was uitgenodigd om te verschijnen op een zitting van 6 oktober 1995 ten einde er gehoord te worden omtrent een mogelijke ambtshalve uit te spreken faillissement en de gefailleerde vennootschap pas nadien en wel op 17 oktober 1995 aangifte deed van haar staat van faillissement ter griffie van de Rechtbank van Koophandel te Brussel en de Rechtbank van Koophandel te Brussel daags nadien het faillissement opende;
de appèlrechters aldus vaststellen dat de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde - afdeling Aalst, reeds vroeger geadieerd werd met de vordering tot faillietverklaring van dezelfde vennootschap en deze vordering aldaar nog hangende was;
dat er derhalve aanhangigheid bestond tussen beide vorderingen tot faillietverklaring die betrekking hadden op dezelfde vennootschap;
de rechters te Brussel derhalve overeenkomstig de artikelen 29 en 565, 5° van het Gerechtelijk Wetboek gehouden waren de vordering tot faillietverklaring te verwijzen naar de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde - afdeling Aalst, nu deze rechtbank het eerst werd geadieerd met de faillissementsvordering,
de appèlrechters derhalve de artikelen 29 en 565, 5° van het Gerechtelijk Wetboek schenden: Wat het eerste onderdeel betreft:
Overwegende dat, naar luid van het toepasselijk artikel 631 van het Gerechtelijk Wetboek, de faillietverklaring geschiedt door de rechtbank van de woonplaats van de failliet op het tijdstip van de staking van betaling; dat die regel ook geldt bij de faillietverklaring na de aangifte van het faillissement;
Overwegende dat de rechter bij wie de aangifte wordt gedaan van het faillissement en die vaststelt dat de koopman in zijn rechtsgebied zijn woonplaats heeft en op het tijdstip van de aangifte opgehouden heeft te betalen, in de regel bevoegd is om de faillietverklaring uit te spreken;
Dat hij niet verplicht is na te gaan, om over zijn bevoegdheid te beslissen, of de koopman in de periode vóór de aangifte elders een woonplaats had en op een ander tijdstip dan uit de aangifte blijkt, opgehouden had te betalen;
Dat de omstandigheid dat op een latere datum een andere rechtbank op haar beurt een faillietverklarend vonnis zou wijzen en een andere datum van staking van betaling zou bepalen, niets afdoet aan de initiële bevoegdheid van de rechter die het eerst in vorengenoemde omstandigheden het faillissement heeft uitgesproken;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
1. de BVBA De Vliegher Marleen op 17 oktober 1995, toen haar zetel reeds was verplaatst naar het gerechtelijk arrondissement Brussel, aangifte deed van haar faillissement op de griffie van de Rechtbank van Koophandel te Brussel;
2. deze rechtbank op 18 oktober 1995 niet uitdrukkelijk een datum van staking van betalingen bepaalde en besliste de BVBA failliet te verklaren;
Dat het hof van beroep dat oordeelt dat de rechtbank van koophandel niet nader moest onderzoeken of de failliet had opgehouden te betalen op een ander tijdstip dan uit de aangifte volgt, dit is de dag van de aangifte of drie dagen ervoor, de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen niet schendt;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het tweede onderdeel betreft:
Overwegende dat aanhangigheid onderstelt dat identieke vorderingen tegelijkertijd aanhangig zijn gemaakt voor verschillende gerechten;
Dat het officieuze onderzoek gedaan door een rechtbank van koophandel in de context van een eventueel later ambtshalve uit te spreken faillissement, geen vordering is;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt de eisers in de kosten.