Hof van Cassatie: Arrest van 25 Juni 2002 (België). RG P020609N

Datum :
25-06-2002
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20020625-1
Rolnummer :
P020609N

Samenvatting :

Nieuw en derhalve niet ontvankelijk is het middel, afgeleid uit een schending van artikel 6.3.c EVRM, dat voor het eerst voor het Hof wordt voorgedragen; een verwijzing in de zogenaamde akte van verdediging naar de in het middel bedoelde problematiek is niet gelijk te stellen met het aanvoeren van dit middel voor het hof van assisen (1).

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Nr. P.02.0609.N
V. A. eiseres, beschuldigde,
met als raadslieden Mr. L. Boxstaele en Mr. M. Verstraeten, advocaten bij de balie te Gent,
tegen
M. A.,
verweerster, burgerlijke partij.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten, op 22 februari 2002 en 7 maart 2002 gewezen door het Hof van Assisen van West-Vlaanderen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Dirk Debruyne heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiseres stelt in een verzoekschrift en in een memorie in totaal vier middelen voor. Dit verzoekschrift en die memorie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
Overwegende dat eiseres in persoon op 12 maart 2002 cassatieberoep instelde tegen het arrest van het Hof van Assisen van West-Vlaanderen van 7 maart 2002 waarbij zij werd veroordeeld tot straf;
Dat haar advocaat op 13 maart 2002 cassatieberoep instelde tegen ditzelfde arrest en tegen het arrest van hetzelfde hof van 22 februari 2002 houdende samenstelling van de rechtsprekende jury;
Overwegende dat een partij geen tweemaal cassatieberoep kan instellen tegen eenzelfde arrest; dat het cassatieberoep van 13 maart 2002 tegen het arrest van 7 maart 2002 derhalve niet ontvankelijk is;
B. Onderzoek van de middelen
1. Eerste middel
1.1. Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel niet preciseert hoe en waardoor het bestreden arrest de wettelijke bepalingen over het geheim van het gerechtelijk onderzoek heeft geschonden;
Dat het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk is;
1.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat het geheim van het gerechtelijk onderzoek geen algemeen rechtsbeginsel is; dat een schending van dat geheim alleen invloed kan hebben op strafvervolgingen als deze op die schending gegrond zijn of als de verzamelde bewijzen naderhand op die schending zijn gegrond;
Overwegende dat het onderdeel in zoverre het ervan uitgaat dat zowel de strafvordering als de bewijzen in het dossier gegrond zijn op de schending van het geheim van het gerechtelijk onderzoek, het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is;
Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is;
Overwegende dat in zoverre het onderdeel een schending van het artikel 6, lid 1, EVRM inroept, uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiseres dit reeds voor het hof van assisen heeft aangevoerd;
Dat het onderdeel in zoverre nieuw is en derhalve evenmin ontvankelijk is;
1.3. Derde en vierde onderdeel
Overwegende dat deze onderdelen een schending van artikel 6 EVRM inroepen;
Dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiseres dit verweer voor het hof van assisen heeft aangevoerd;
Dat de onderdelen nieuw, derhalve niet ontvankelijk zijn;
2. Tweede en derde middel
Overwegende dat in zoverre deze middelen een schending inroepen van de artikelen 6 en 8 EVRM, uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat eiseres deze schending reeds voor het hof van assisen heeft aangevoerd; dat een verwijzing in de "akte van verdediging" naar de in de middelen bedoelde problematiek, niet gelijk te stellen is met het aanvoeren van een middel voor het hof van assisen;
Dat deze middelen nieuw zijn en derhalve niet ontvankelijk;
Overwegende dat in zoverre het derde middel een schending van artikel 314bis Strafwetboek aanvoert, dit het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is;
Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is;
3. Vierde middel
3.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat uit de enkele vermelding in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van assisen dat dit hof onder meer is samengesteld uit een lid van het parket-generaal bij het hof van beroep, het ambt vervullend van openbaar ministerie, geen schending van het artikel 119 Gerechtelijk Wetboek kan worden afgeleid;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
3.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiseres voor het Hof van Assisen de schending van artikel 6 EVRM heeft aangevoerd;
Dat het onderdeel nieuw is en derhalve niet ontvankelijk;
C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de cassatieberoepen;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van honderd en twaalf euro zes cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijfentwintig juni tweeduizend en twee, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.