Hof van Cassatie: Arrest van 26 Mei 1994 (België). RG C930239F

Datum :
26-05-1994
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19940526-1
Rolnummer :
C930239F

Samenvatting :

De vernietiging van een beslissing leidt tot vernietiging van een andere beslissing van hetzelfde arrest die noodzakelijk met de eerste verbonden is.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 8 januari 1992 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het middel: schending van de artikelen 1315, 1349, 1353, 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 50 van het decreet van 14 december 1789 betreffende de samenstelling der gemeenten, 2 van het decreet van 22 december 1789, 3, 1 en 3, van titel XI van het decreet van 16-24 augustus 1790 op de rechterlijke inrichting, 90, 12 °, van de Gemeentewet van 30 maart 1836, 97 (oud) van de Grondwet, miskenning van het beginsel van de autonomie van de procespartijen en van het algemeen beginsel van het recht van verdediging,
doordat het arrest, met verwijzing naar de redenen van de eerste rechter, vaststelt "dat eiser en de (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) verweersters veroordeling vr(oe)gen in de betaling van de schade die zij hebben geleden ten gevolge van eisers verkeersongeval op 16 maart 1987, terwijl hij in de Droits de l'Homme-straat te Dison reed; dat het strafdossier over die zaak is geseponeerd; dat uit de aan de rechtbank overgelegde gegevens blijkt: 1. dat te dezen binnen een half uur vijf voertuigen in een botsing betrokken waren en dat verschillende voetgangers zijn gevallen omdat de rijbaan van de Droits de l'homme-straat uiterst glad was; 2. dat het hellingspercentage van de straat 7 pct. bedraagt; 3. dat het ongeval om 8hl5 gebeurt en dat er niet was gestrooid", en vervolgens eisers rechtsvordering afwijst op grond: "dat uit het geseponeerde strafonderzoek blijkt dat de rijbaan waarop het ongeval is gebeurd in normale omstandigheden met tarmacadam in goede staat is bedekt, zodat zij, alleen door het feit dat zij tijdelijk met sneeuw en ijzel was bedekt, geen gebrek vertoonde waardoor zij ongeschikt was voor gebruik; dat (verweerster) terecht aanvoert dat het voor haar, wegens de hevige sneeuwval tijdens de nacht voor de feiten, materieel onmogelijk was het hele wegennet tegen acht uur 's morgens te bestrooien; dat (immers) (...) de verplichting van de gemeenten om de veiligheid van de weggebruikers te verzekeren op redelijke wijze moet worden beoordeeld, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden die zich voordoen; dat de gevaarlijke toestand van de Droits de l'Homme-straat op het tijdstip van het ongeval niet aan (verweerster) was gemeld, maar dat zij onmiddellijk nadat zij werd verwittigd maatregelen trof om te strooien, zodat zij niet te kort is gekomen aan haar verplichtingen; (dat) het litigieuze ongeval hoe dan ook (...) uitsluitend te wijten is aan de fout (van eiser), die moest beseffen dat de zichtbaar beijzelde en met sneeuw bedekte helling van 7 pct gevaarlijk was en er toch is afgereden, hoewel er niet was gestrooid en zijn voertuig niet was uitgerust voor dergelijke omstandigheden, bijvoorbeeld met speciale banden of sneeuwkettingen; dat (eiser), als hij wegens de staat van de weg de macht over het stuur niet kon behouden, diende te wachten tot (verweerster) gestrooid had om zich op die weg te begeven",
terwijl, eerste onderdeel, eiser, in zijn regelmatige conclusie voor de appelrechter, met verwijzing naar de motivering van het bestreden vonnis, betoogde dat "zijn rechtmatig vertrouwen, en ook dat van de andere weggebruikers, was verschalkt; (dat) het zichtbaar feit dat de straat van het ongeval afhelde hem redelijkerwijze niet kon beletten die straat af te rijden (...); (dat) hem niet kan worden verweten dat te hebben gedaan, tenzij bewezen wordt, wat te dezen niet het geval is, dat hij, gelet op de sneeuw op de rijbaan, gereden heeft zonder alle nuttige voorzorgen te nemen en gelet op de terechte verwachting dat alle gewone middelen om de gevolgen op te vangen waren genomen"; hij in de uiteenzetting der feiten erop heeft gewezen dat binnen een half uur vijf voertuigen in een botsing waren betrokken en dat verschillende voetgangers zijn gevallen omdat de Droits de l'Homme-straat uitermate glad was, en vervolgens heeft betoogd " dat de sterk hellende Droits de l'Homme-straat een invalsweg naar het centrum van Dison is; verschillende weggebruikers, onder meer (eiser), die bij de botsingen van 16 maart 1987 waren betrokken, dus door die straat moesten rijden; (verweerster) die toestand kende; zij bijgevolg daarmee in het bijzonder rekening msest houden en dus uitermate aandachtig en waakzaam moest zijn om de weggebruikers in staat te stellen die straat normaal te gebruikenl" (conclusie p. 2 en 3); het arrest, dat alleen oordeelt "dat het voor verweerster (...), wegens de hevige sneeuwval tijdens de nacht voor de feiten, materieel onmogelijk was het hele wegennet tegen acht uur 's morgens te bestrooien", door geen enkele overweging het middel beantwoordt ten betoge dat verweersters verplichting diende te worden beoordeeld rekening houdend met het belang van de bestemming van de rijbaan, die een belangrijke invalsweg naar het centrum was en dus een verplichte doorgang, zodat de weggebruikers terecht konden verwachten dat er maatregelen waren genomen en dat zij die baan konden oprijden; het bijgevolg niet met redenen is omkleed (schending van het oude artikel 97 van de Grondwet);
tweede onderdeel, de gemeentelijke overheid, tenzij een vreemde oorzaak die haar niet kan worden aangerekend haar verhindert de, krachtens de in dit onderdeel bedoelde bepalingen, op haar rustende veiligheidsplicht na te komen, op haar grondgebied moet waken over de handhaving van de veilige doorgang in de straten en maatregelen nemen om die doorgang te herstellen wanneer de veiligheid van de weggebruikers niet meer verzekerd is; het arrest, uit de algemene overweging dat "de verplichting van de gemeenten om de veiligheid van de weggebruikers te verzekeren op redelijke wijze moet worden besordeeld, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden die zich voordoen", en dat het voor verweerster, wegens de hevige sneeuwval tijdens de nacht voor de feiten, materieel onmogelijk was het hele wegennet tegen acht uur 's morgens te bestrooien en ook uit de omstandigheid dat "de gevaarlijke toestand van de Droits de l'Homme-straat op het tijdstip van het ongeval haar niet was gemeld", terwijl het vaststelt dat de sneeuwval in de nacht voor de feiten aanzienlijk was geweest en dat die straat , -waarvan eiser aanvoerde dat zij een invalsweg naar het centrum van de gemeente was- een hellingspercentage van 7pct heeft, niet naar recht kon afleiden dat er een vreemde oorzaak bestaat waardoor verweersters aansprakelijkheid is uitgesloten; het bijgevolg de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 50 van het decreet van 14 december 1789, 2 van het decreet van 22 december 1789, 3, 1 en 3, van titel XI van het decreet van 16-24 augustus 1790 en 90, 12 °, van de Gemeentewet van 30 maart 1836 schendt;
Wat het tweede onderdeel betreft:
Overwegende dat de overheid voor het openbaar verkeer alleen voldoende veilige wegen mag aanleggen en openstellen; dat de overheid, tenzij een vreemde oorzaak die haar niet kan worden aangerekend haar verhindert haar veiligheidsplicht na te komen, door aangepaste maatregelen ieder abnormaal gevaar, zichtbaar of niet, moet voorkomen;
Overwegende dat het hof van beroep met de in het middel weergegeven redenen niet naar recht heeft kunnen afleiden dat er een vreemde oorzaak bestaat die verweersters aansprakelijkheid uitsluit;
Dat het onderdeel gegrond is;
Wat het derde en het vierde onderdeel betreft:
Overwegende dat het arrest oordeelt dat "het litigieuse ongeval hoe dan ook (...) uitsluitend te wijten is aan de fout van (eiser),die moest beseffen dat de zichtbaar beijzelde en met sneeuw bedekte helling van 7 pct gevaarlijk was en er toch is afgereden, hoewel er nog niet was gestrooid en zijn voertuig niet was uitgerust voor dergelijke omstandigheden, bijvoorbeeld met speciale banden of sneeuwkettingen";
Overwegende dat de beslissing dat het ongeval uitsluitend te wijten is aan de fout van eiser noodzakelijk verbonden is met de beslissing dat verweerster geen enkele fout heeft begaan;
Dat bijgevolg, de vernietiging van de beslissing dat verweerster geen fout heeft begaan moet leiden tot vernietiging van de beslissing over het foutieve gedrag van eiser, zonder dat de gegrondheid van die onderdelen moet worden nagegaan;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in het zoverre het het hoger beroep aanneemt;
Verklaart het arrest bindend voor de naamloze vennotschap AMEV;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.