Hof van Cassatie: Arrest van 26 November 2004 (België). RG C030498N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20041126-9
- Rolnummer :
- C030498N
Samenvatting :
De termijn van verschijning van twee dagen die in acht dient genomen te worden wanneer betreffende een vordering in kort geding het hoger beroep wordt ingesteld bij verzoekschrift dat door de griffier aan de gedaagde partij en aan haar advocaat bij gerechtsbrief ter kennis wordt gebracht, wordt gerekend vanaf de dag na de afgifte van de gerechtsbrief aan de postdienst, en niet vanaf de dag na de ontvangst ervan (1). (1) Zie Cass., 9 dec. 1996 (voltallige terechtzitting), AR S.96.0098.N, nr 494; 20 feb. 1998, AR F.96.0127.F, nr 103, en de conclusie van advocaat-generaal J.F. Leclercq in Bull. en Pas., I.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. C.03.0498.N
V.C.
eiser,
aan wie rechtsbijstand werd verleend op 15 september 2003, onder nummer G.03.0106.N,
vertegenwoordigd door Mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.
III. Middelen
Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 710, 860, 861, 862, ,§1, 1° en ,§2, zoals vervangen bij artikel 34 van de wet van 3 augustus 1992, 1035, tweede lid, en 1040, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het aangevochten arrest verwerpt de door eiser opgeworpen exceptie van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep wegens schending van de oproepingstermijn waarvan sprake in artikel 1040, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, op grond van de volgende motieven :
"3.1.2. In het geval het hoger beroep wordt ingesteld, zoals te dezen, op de wijze van artikel 1056, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek wordt dit door de griffie bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de gedaagde partij en in voorkomend geval van haar advocaat uiterlijk de eerste werkdag nadat het is ingediend. Te dezen geschiedde dit nog de dag zelf van de neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep, te weten op 14 maart 2003.
Deze gerechtsbrief omvat de toezending langs de post van een afschrift van een akte van rechtspleging en is daardoor een kennisgeving in de zin van artikel 32, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.
Zo'n kennisgeving, die geldt als een betekening, geschiedt op de datum van de toezending en niet op de datum van aanbieding of ontvangst, zoals (eiser) beweert.
Nu blijkt dat de toezending te dezen geschiedde door de afgifte ter post van de gerechtsbrieven op 14 maart 2003, en (eiser) werd opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van 18 maart 2003, staat vast dat de oproepings- of wachttermijn van twee dagen, vermeld in artikel 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in acht werd genomen.
De nietigheidsexceptie van (eiser) heeft geen grond.
Grieven
1. Krachtens artikel 1040, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is "artikel 1035 (...) van toepassing op de termijnen voor de verschijning voor het hof van beroep en voor het arbeidshof".
Artikel 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat "de termijn van dagvaarding (...) ten minste twee dagen (bedraagt)".
2. Nu het verzoekschrift tot hoger beroep op vrijdag 14 maart 2003 ter griffie van het Hof van Beroep van Antwerpen was neergelegd en spijts de omstandigheid dat het dezelfde dag nog per gerechtsbrief door de griffie aan eiser meegedeeld was geworden, had eiser in casu laten gelden dat hij en diens raadsman er ten vroegste op maandag 17 maart 2003 kennis hadden kunnen van nemen terwijl de datum van verschijning op de zitting van dinsdag 18 maart 2003 was vastgesteld geworden zodat de door artikel 1040 juncto 1035 van het Gerechtelijk Wetboek vereiste termijn van dagvaarding van ten minste twee dagen niet was nageleefd geworden (beroepsconclusie eiser, p. 3-4 ; aanvullende beroepsconclusie eiser, p. 2-3).
3. Luidens artikel 710 van het Gerechtelijk Wetboek zijn "de termijnen van dagvaarding (...) voorgeschreven op straffe van nietigheid" en is "dezelfde regel (...) van toepassing op de andere vormen van oproeping die de wet bepaalt".
Overeenkomstig de artikelen 860, 861 en 862, ,§,§1 en 2, van het Gerechtelijk Wetboek zijn onregelmatigheden betreffende "de termijnen op straffe van verval of nietigheid voorgeschreven" absoluut nietig en moet dit door de rechter, zelfs ambtshalve, worden uitgesproken.
Het Hof oordeelde weliswaar dat de bepaling van artikel 710 van het Gerechtelijk Wetboek geen toepassing vindt op de oproeping in hoger beroep (Cass., 23 februari 1990, A. C., 1989-1990, nr. 383, p. 826).
De zaak, voorwerp van voormeld arrest, had echter betrekking op een zaak ten gronde en niet op een kort geding zoals in casu het geval.
Het betrokken arrest van het Hof legt trouwens de nadruk op de omstandigheid dat de niet-toepasselijkheid van artikel 710 van het Gerechtelijk Wetboek "in de regel" geen toepassing vindt op de oproeping in hoger beroep waarmee het Hof te kennen geeft dat er uitzonderingen zijn op de niet-toepasbaarheid van deze regel in graad van hoger beroep.
4. Betoogd wordt dat de termijn van dagvaarding in hoger beroep in kort geding dergelijke uitzondering op de regel vormt.
Immers, de omstandigheid dat de wetgever in artikel 1040, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de termijn van dagvaarding waarvan sprake in artikel 1035 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de termijnen voor verschijning voor het hof van beroep en voor het arbeidshof, kan niet anders dan als een uitzondering worden beschouwd op de wijze waarop de procedures ten gronde, krachtens de artikelen 1056 en 1057 van het Gerechtelijk Wetboek, worden ingeleid.
Met de inlassing van artikel 1040, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat specifiek gericht is op de procedure in graad van hoger beroep, heeft de wetgever te kennen gegeven dat er, zoals met de inleiding van een gerechtszaak, minstens twee dagen behoren te verlopen tussen de dag van de kennisname van het hoger beroep en de inleidingszitting.
Het Hof oordeelde inderdaad dat de gewone dagvaardingstermijn van acht dagen waarvan sprake in artikel 707 van het Gerechtelijk Wetboek op die wijze dient te worden berekend dat vanaf de dag na de dagvaarding, in casu ontvangst van gerechtsbrief, ten minste acht dagen, in casu, gelet op de omstandigheid dat onderhavige zaak een kort geding betreft, ten minste twee dagen, berekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste, verstrijken vóór de dag van de verschijning (Cass, 3 december 1979, A.C.,1979-1980, p. 407).
5. Aangezien in casu, per definitie, van de op vrijdag 14 maart 2003 verzonden gerechtsbrief slechts kennis kon worden genomen door eiser en/of diens raadsman op de daaropvolgende maandag 17 maart 2003, beschikte eiser niet over de krachtens artikel 1040, eerste lid, juncto 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vereiste termijn van twee vrije dagen.
6. Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat de oproepings- of wachttermijn van twee dagen, vermeld in artikel 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in casu in acht werd genomen op grond van de vaststelling dat de mededeling door de griffier bij gerechtsbrief op grond van artikel 1056, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek aan eiser en diens advocaat gebeurde op 14 maart 2003 en eiser werd opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van 18 maart 2003.
Het bestreden arrest houdt aldus evenwel geen rekening met de omstandigheid dat de gerechtsbrief, nu deze op vrijdag 14 maart 2003 werd gepost, per definitie, slechts op maandag 17 maart 2003 door de geadresseerden kon worden ontvangen, hetzij daags voor de terechtzitting van 18 maart 2003.
7. Door de krachtens artikel 1040, eerste lid, juncto 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vereiste termijn van twee dagen niet te rekenen vanaf de dag na de ontvangst vóór de terechtzitting, en dienvolgens de nietigheidsexceptie van eiser dienaangaande te verwerpen, heeft het aangevochten arrest de artikelen 710, 860, 861 en 862, ,§,§1 en 2, 1035, tweede lid, en 1040 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden.
Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 12 van de Grondwet ;
artikel 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten zoals gewijzigd door de wet van 1 juli 1964 en waarvan het opschrift vervangen werd door de wet van 5 maart 1998 (hierna de wet van 9 april 1930).
Aangevochten beslissingen
Het aangevochten arrest verklaart de oorspronkelijke vordering van eiser tot onmiddellijke invrijheidstelling ongegrond op basis van de volgende motieven :
"4.2. Naar luid van voormeld artikel 21, eerste lid, kunnen de wegens misdaad of wanbedrijf veroordeelde personen die, tijdens hun hechtenis, in staat van krankzinnigheid of in ernstige staat van geestesstoornis of zwakzinnigheid worden bevonden die hen ongeschikt maakt tot het controleren van hun daden, geïnterneerd worden krachtens een beslissing van de minister van justitie, genomen op eensluidend advies van de commissie ter bescherming van de maatschappij.
De commissie ter bescherming van de maatschappij heeft te dezen vóór het verstrijken van de straftijd op 25 augustus 1998 niet vastgesteld dat de geestestoestand van (eiser) voldoende verbeterd was zodat zijn internering niet meer nodig was.
Prima facie leidt (eiser) daaruit ten onrechte af dat de interneringsmaatregel geen uitwerking meer kon hebben na het verstrijken van zijn straftijd. De met toepassing van voormeld artikel 21 genomen maatregel van de minister van justitie geldt als een echte interneringsmaatregel van onbepaalde duur. Uit het feit dat de straftijd blijft doorlopen terwijl tezelfdertijd de interneringsmaatregel wordt uitgevoerd, volgt geenszins dat de interneringsmaatregel zijn uitwerking zou verliezen na het beëindigen van de straftijd.
Het lijkt trouwens volstrekt strijdig met de bedoeling van de wet dat een op een beslissing van de minister van justitie geïnterneerde veroordeelde in beginsel bij het verstrijken van zijn straftijd zou moeten vrijgesteld worden wanneer hij nog steeds in staat van krankzinnigheid of van ernstige geestesstoornis of van zwakzinnigheid verkeert die hem ongeschikt maken tot het controleren van zijn daden.
(Verweerder) toont alvast ogenschijnlijk aan dat het ministerieel besluit van 16 september 1997 genomen werd conform voormeld artikel 21 en daarin zijn wettelijke grondslag vindt."
Grieven
1. Het Hof oordeelde dat wanneer een bestuurshandeling een "ogenschijnlijk foutieve aantasting van de burgerlijke rechten" inhoudt, de rechter in kort geding rechtsmacht heeft om maatregelen te nemen om aan de aantasting van dergelijk subjectief recht een einde te stellen (Cass., 20 september 1990, A.C., 1990-1991, nr. 33, p. 63 ; Cass., 27 november 1992, A.C., 1991-1992, nr. 758 ; Cass., 19 april 1991, A.C., 1990-1991, nr. 436, p. 841 met conclusies van Advocaat-Generaal D'Hoore ; Cass., 2 maart 1992, A.C., 1991-1992, nr. 347 ; Cass., 4 juni 1993, A.C., 1991, nr. 269 ; Cass., 25 juni 1999, A. C., 1999, nr. 400).
In casu behoorde de kortgedingrechter, gevat van de vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling ingesteld door eiser tegen verweerder, te oordelen of het behoud van een interneringsmaatregel ten aanzien van zijn persoon niettegenstaande het uitzitten van zijn straf, al dan niet ogenschijnlijk diens subjectief recht op vrijheid aantastte.
2. Een interneringsmaatregel kan zowel door de hoven en rechtbanken worden uitgesproken (artikel 7, eerste lid, van de wet van 9 april 1930) als, voor zover wegens misdaad of wanbedrijf veroordeelde personen tijdens hun hechtenis in staat van krankzinnigheid of in een ernstige staat van geestesstoornis worden bevonden die hen ongeschikt maken tot het controleren van hun daden, eveneens door de minister van Justitie op eensluidend advies van de Commissie ter bescherming van de maatschappij (artikel 21, eerste lid, van de wet van 9 april 1930).
Sinds de wet van 1 juli 1964 tot wijziging van de wet van 9 april 1930 is de interneringsmaatregel, zowel uitgesproken door de hoven en rechtbanken als door de minister van Justitie, van onbepaalde duur (Dupont, L. & Verstraeten, R., Handboek Belgisch Strafrecht, Acco, 1990, p. 668 en 699, nrs. 1239 en 1310).
3. Opvallend is dat de wet van 9 april 1930 zich niet uitspreekt over het lot van de geïnterneerde veroordeelde op het einde van diens straftijd.
De praktijk is in die zin gevestigd dat de geïnterneerde veroordeelde, na afloop van diens straftijd, onder de bevoegdheid van de Commissie valt die, op grond van artikel 18 van de wet van 9 april 1930, alle beslissingen kan treffen die zij nodig acht, zoals de invrijheidstelling op proef of voorgoed, wat overigens zesmaandelijks door de betrokkene kan aangevraagd worden.
4. Betoogd wordt dat deze praktijk strijdig is met artikel 12 van de Grondwet krachtens hetwelk "de vrijheid van de persoon is gewaarborgd" en "niemand (...) vervolgd (kan worden) dan in gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft" en nog "behalve bij ontdekking op heterdaad, (...) niemand (kan) worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen 24 uren".
Uit dit grondwetsartikel volgt dat een persoon slechts van zijn vrijheid kan worden beroofd op grond van een wettelijke basis of nog krachtens het bevel van een rechter.
5. Gelet op het fundamenteel karakter van de in artikel 12 van de Grondwet opgenomen rechtsregel, volgt dat de wettelijke afwijkingen op dit grondbeginsel uitdrukkelijk uit de wetgeving moeten voortvloeien en niet kunnen steunen op de voorbereidende werkzaamheden van de door het aangevochten arrest ingeroepen wet van 9 april 1930 noch uit een gevestigde praktijk zelfs al is deze sinds het ontstaan van de wet(swijziging) in die zin gevestigd.
Het niet bestaan van een uitdrukkelijke wettelijke basis dat van artikel 12 van de Grondwet afwijkt, is ogenschijnlijk, dringt zich bijgevolg prima facie op en moet derhalve ook door de rechter in kort geding worden ontwaard en, desgevallend, deze laatste nopen tot het trekken van de daaruit voortvloeiende gevolgen op het niveau van de invrijheidstelling van de betrokkene die van zijn vrijheid werd beroofd of, zoals in casu, beroofd blijft op grond van een niet uitdrukkelijke wetsbepaling.
6. Door - zelfs in het raam van een prima facie onderzoek - uit artikel 21 van de wet van 9 april 1930 een uitzondering op artikel 12 van de Grondwet af te leiden, leidt het aangevochten arrest uit de tekst van de wet van 9 april 1930 iets af dat niet uitdrukkelijk door de wet van 9 april 1930 is gesteld, met name dat de minister van Justitie de bevoegdheid zou hebben om een geïnterneerde veroordeelde, na het uitzitten van diens straftijd verder van diens vrijheid te beroven en leest het bijgevolg in artikel 21 van de wet van 9 april 1930 een wettelijke grondslag tot vrijheidsberoving dat dit artikel niet uitdrukkelijk bevat om te weigeren aan de vrijheidsberoving van eiser, na het uitzitten van diens straftijd, een einde te stellen en schendt het, mitsdien, artikel 12 van de Grondwet zowel als artikel 21 van de wet van 9 april 1930.
IV. Beslissing van het Hof
Eerste middel
Overwegende dat artikel 1040 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wat betreft de inleiding van de vordering in kort geding, artikel 1035 van dit wetboek van toepassing is op de termijnen van verschijning voor het hof van beroep en voor het arbeidshof ;
Dat, krachtens artikel 1035, tweede lid, van dit wetboek, de termijn van dagvaarding ten minste twee dagen bedraagt ;
Dat uit voormelde wetsbepalingen volgt dat dezelfde termijn van twee dagen in acht dient genomen wanneer het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1056, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt ingesteld bij verzoekschrift dat door de griffier aan de gedaagde partij en, in voorkomend geval, aan haar advocaat bij gerechtsbrief ter kennis wordt gebracht ;
Overwegende dat, luidens artikel 32, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, in dit wetboek wordt verstaan onder kennisgeving de toezending van een akte in origineel of in afschrift die geschiedt langs de post of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft ;
Dat de kennisgeving overeenkomstig voormeld artikel 1056, 2°, geschiedt op de datum van toezending van de gerechtsbrief, dit is op het tijdstip van de afgifte ervan aan de postdiensten, en niet op het tijdstip van aanbieding of ontvangst ;
Overwegende dat de in voormeld artikel 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn, overeenkomstig artikel 52, eerste lid, van hetzelfde wetboek, wordt gerekend vanaf de dag na de kennisgeving van de gerechtsbrief voorzien in voormeld artikel 1056, 2° ;
Dat het middel dat er van uitgaat dat de termijn bepaald in voormeld artikel 1035, tweede lid, dient te worden gerekend vanaf de dag na de ontvangst van de gerechtsbrief, faalt naar recht ;
Tweede middel
Overwegende dat de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht kan bevelen, indien er een schijn van rechten is die het nemen van een beslissing verantwoordt ;
Dat de rechter die zich ertoe beperkt de ogenschijnlijke rechten van partijen na te gaan en te onderzoeken, zonder daarbij rechtsregels te betrekken die de voorlopige maatregel die hij beveelt niet redelijk kunnen schragen, de grenzen van zijn bevoegdheid niet overschrijdt ;
Overwegende dat eiser slechts tegen de voorlopige beoordeling van de appèlrechters konden opkomen in zoverre hij artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek als geschonden wetsbepaling zou hebben aangewezen, hetgeen niet het geval is ;
Dat het middel niet ontvankelijk is, zoals door verweerder aangevoerd ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van eenenzeventig euro drieënzestig cent in debet jegens de eisende partij en op de som van honderd en zes euro drieënzestig cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.
V.C.
eiser,
aan wie rechtsbijstand werd verleend op 15 september 2003, onder nummer G.03.0106.N,
vertegenwoordigd door Mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.
III. Middelen
Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 710, 860, 861, 862, ,§1, 1° en ,§2, zoals vervangen bij artikel 34 van de wet van 3 augustus 1992, 1035, tweede lid, en 1040, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het aangevochten arrest verwerpt de door eiser opgeworpen exceptie van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep wegens schending van de oproepingstermijn waarvan sprake in artikel 1040, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, op grond van de volgende motieven :
"3.1.2. In het geval het hoger beroep wordt ingesteld, zoals te dezen, op de wijze van artikel 1056, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek wordt dit door de griffie bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de gedaagde partij en in voorkomend geval van haar advocaat uiterlijk de eerste werkdag nadat het is ingediend. Te dezen geschiedde dit nog de dag zelf van de neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep, te weten op 14 maart 2003.
Deze gerechtsbrief omvat de toezending langs de post van een afschrift van een akte van rechtspleging en is daardoor een kennisgeving in de zin van artikel 32, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.
Zo'n kennisgeving, die geldt als een betekening, geschiedt op de datum van de toezending en niet op de datum van aanbieding of ontvangst, zoals (eiser) beweert.
Nu blijkt dat de toezending te dezen geschiedde door de afgifte ter post van de gerechtsbrieven op 14 maart 2003, en (eiser) werd opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van 18 maart 2003, staat vast dat de oproepings- of wachttermijn van twee dagen, vermeld in artikel 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in acht werd genomen.
De nietigheidsexceptie van (eiser) heeft geen grond.
Grieven
1. Krachtens artikel 1040, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is "artikel 1035 (...) van toepassing op de termijnen voor de verschijning voor het hof van beroep en voor het arbeidshof".
Artikel 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat "de termijn van dagvaarding (...) ten minste twee dagen (bedraagt)".
2. Nu het verzoekschrift tot hoger beroep op vrijdag 14 maart 2003 ter griffie van het Hof van Beroep van Antwerpen was neergelegd en spijts de omstandigheid dat het dezelfde dag nog per gerechtsbrief door de griffie aan eiser meegedeeld was geworden, had eiser in casu laten gelden dat hij en diens raadsman er ten vroegste op maandag 17 maart 2003 kennis hadden kunnen van nemen terwijl de datum van verschijning op de zitting van dinsdag 18 maart 2003 was vastgesteld geworden zodat de door artikel 1040 juncto 1035 van het Gerechtelijk Wetboek vereiste termijn van dagvaarding van ten minste twee dagen niet was nageleefd geworden (beroepsconclusie eiser, p. 3-4 ; aanvullende beroepsconclusie eiser, p. 2-3).
3. Luidens artikel 710 van het Gerechtelijk Wetboek zijn "de termijnen van dagvaarding (...) voorgeschreven op straffe van nietigheid" en is "dezelfde regel (...) van toepassing op de andere vormen van oproeping die de wet bepaalt".
Overeenkomstig de artikelen 860, 861 en 862, ,§,§1 en 2, van het Gerechtelijk Wetboek zijn onregelmatigheden betreffende "de termijnen op straffe van verval of nietigheid voorgeschreven" absoluut nietig en moet dit door de rechter, zelfs ambtshalve, worden uitgesproken.
Het Hof oordeelde weliswaar dat de bepaling van artikel 710 van het Gerechtelijk Wetboek geen toepassing vindt op de oproeping in hoger beroep (Cass., 23 februari 1990, A. C., 1989-1990, nr. 383, p. 826).
De zaak, voorwerp van voormeld arrest, had echter betrekking op een zaak ten gronde en niet op een kort geding zoals in casu het geval.
Het betrokken arrest van het Hof legt trouwens de nadruk op de omstandigheid dat de niet-toepasselijkheid van artikel 710 van het Gerechtelijk Wetboek "in de regel" geen toepassing vindt op de oproeping in hoger beroep waarmee het Hof te kennen geeft dat er uitzonderingen zijn op de niet-toepasbaarheid van deze regel in graad van hoger beroep.
4. Betoogd wordt dat de termijn van dagvaarding in hoger beroep in kort geding dergelijke uitzondering op de regel vormt.
Immers, de omstandigheid dat de wetgever in artikel 1040, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de termijn van dagvaarding waarvan sprake in artikel 1035 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de termijnen voor verschijning voor het hof van beroep en voor het arbeidshof, kan niet anders dan als een uitzondering worden beschouwd op de wijze waarop de procedures ten gronde, krachtens de artikelen 1056 en 1057 van het Gerechtelijk Wetboek, worden ingeleid.
Met de inlassing van artikel 1040, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat specifiek gericht is op de procedure in graad van hoger beroep, heeft de wetgever te kennen gegeven dat er, zoals met de inleiding van een gerechtszaak, minstens twee dagen behoren te verlopen tussen de dag van de kennisname van het hoger beroep en de inleidingszitting.
Het Hof oordeelde inderdaad dat de gewone dagvaardingstermijn van acht dagen waarvan sprake in artikel 707 van het Gerechtelijk Wetboek op die wijze dient te worden berekend dat vanaf de dag na de dagvaarding, in casu ontvangst van gerechtsbrief, ten minste acht dagen, in casu, gelet op de omstandigheid dat onderhavige zaak een kort geding betreft, ten minste twee dagen, berekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste, verstrijken vóór de dag van de verschijning (Cass, 3 december 1979, A.C.,1979-1980, p. 407).
5. Aangezien in casu, per definitie, van de op vrijdag 14 maart 2003 verzonden gerechtsbrief slechts kennis kon worden genomen door eiser en/of diens raadsman op de daaropvolgende maandag 17 maart 2003, beschikte eiser niet over de krachtens artikel 1040, eerste lid, juncto 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vereiste termijn van twee vrije dagen.
6. Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat de oproepings- of wachttermijn van twee dagen, vermeld in artikel 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in casu in acht werd genomen op grond van de vaststelling dat de mededeling door de griffier bij gerechtsbrief op grond van artikel 1056, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek aan eiser en diens advocaat gebeurde op 14 maart 2003 en eiser werd opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van 18 maart 2003.
Het bestreden arrest houdt aldus evenwel geen rekening met de omstandigheid dat de gerechtsbrief, nu deze op vrijdag 14 maart 2003 werd gepost, per definitie, slechts op maandag 17 maart 2003 door de geadresseerden kon worden ontvangen, hetzij daags voor de terechtzitting van 18 maart 2003.
7. Door de krachtens artikel 1040, eerste lid, juncto 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vereiste termijn van twee dagen niet te rekenen vanaf de dag na de ontvangst vóór de terechtzitting, en dienvolgens de nietigheidsexceptie van eiser dienaangaande te verwerpen, heeft het aangevochten arrest de artikelen 710, 860, 861 en 862, ,§,§1 en 2, 1035, tweede lid, en 1040 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden.
Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 12 van de Grondwet ;
artikel 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten zoals gewijzigd door de wet van 1 juli 1964 en waarvan het opschrift vervangen werd door de wet van 5 maart 1998 (hierna de wet van 9 april 1930).
Aangevochten beslissingen
Het aangevochten arrest verklaart de oorspronkelijke vordering van eiser tot onmiddellijke invrijheidstelling ongegrond op basis van de volgende motieven :
"4.2. Naar luid van voormeld artikel 21, eerste lid, kunnen de wegens misdaad of wanbedrijf veroordeelde personen die, tijdens hun hechtenis, in staat van krankzinnigheid of in ernstige staat van geestesstoornis of zwakzinnigheid worden bevonden die hen ongeschikt maakt tot het controleren van hun daden, geïnterneerd worden krachtens een beslissing van de minister van justitie, genomen op eensluidend advies van de commissie ter bescherming van de maatschappij.
De commissie ter bescherming van de maatschappij heeft te dezen vóór het verstrijken van de straftijd op 25 augustus 1998 niet vastgesteld dat de geestestoestand van (eiser) voldoende verbeterd was zodat zijn internering niet meer nodig was.
Prima facie leidt (eiser) daaruit ten onrechte af dat de interneringsmaatregel geen uitwerking meer kon hebben na het verstrijken van zijn straftijd. De met toepassing van voormeld artikel 21 genomen maatregel van de minister van justitie geldt als een echte interneringsmaatregel van onbepaalde duur. Uit het feit dat de straftijd blijft doorlopen terwijl tezelfdertijd de interneringsmaatregel wordt uitgevoerd, volgt geenszins dat de interneringsmaatregel zijn uitwerking zou verliezen na het beëindigen van de straftijd.
Het lijkt trouwens volstrekt strijdig met de bedoeling van de wet dat een op een beslissing van de minister van justitie geïnterneerde veroordeelde in beginsel bij het verstrijken van zijn straftijd zou moeten vrijgesteld worden wanneer hij nog steeds in staat van krankzinnigheid of van ernstige geestesstoornis of van zwakzinnigheid verkeert die hem ongeschikt maken tot het controleren van zijn daden.
(Verweerder) toont alvast ogenschijnlijk aan dat het ministerieel besluit van 16 september 1997 genomen werd conform voormeld artikel 21 en daarin zijn wettelijke grondslag vindt."
Grieven
1. Het Hof oordeelde dat wanneer een bestuurshandeling een "ogenschijnlijk foutieve aantasting van de burgerlijke rechten" inhoudt, de rechter in kort geding rechtsmacht heeft om maatregelen te nemen om aan de aantasting van dergelijk subjectief recht een einde te stellen (Cass., 20 september 1990, A.C., 1990-1991, nr. 33, p. 63 ; Cass., 27 november 1992, A.C., 1991-1992, nr. 758 ; Cass., 19 april 1991, A.C., 1990-1991, nr. 436, p. 841 met conclusies van Advocaat-Generaal D'Hoore ; Cass., 2 maart 1992, A.C., 1991-1992, nr. 347 ; Cass., 4 juni 1993, A.C., 1991, nr. 269 ; Cass., 25 juni 1999, A. C., 1999, nr. 400).
In casu behoorde de kortgedingrechter, gevat van de vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling ingesteld door eiser tegen verweerder, te oordelen of het behoud van een interneringsmaatregel ten aanzien van zijn persoon niettegenstaande het uitzitten van zijn straf, al dan niet ogenschijnlijk diens subjectief recht op vrijheid aantastte.
2. Een interneringsmaatregel kan zowel door de hoven en rechtbanken worden uitgesproken (artikel 7, eerste lid, van de wet van 9 april 1930) als, voor zover wegens misdaad of wanbedrijf veroordeelde personen tijdens hun hechtenis in staat van krankzinnigheid of in een ernstige staat van geestesstoornis worden bevonden die hen ongeschikt maken tot het controleren van hun daden, eveneens door de minister van Justitie op eensluidend advies van de Commissie ter bescherming van de maatschappij (artikel 21, eerste lid, van de wet van 9 april 1930).
Sinds de wet van 1 juli 1964 tot wijziging van de wet van 9 april 1930 is de interneringsmaatregel, zowel uitgesproken door de hoven en rechtbanken als door de minister van Justitie, van onbepaalde duur (Dupont, L. & Verstraeten, R., Handboek Belgisch Strafrecht, Acco, 1990, p. 668 en 699, nrs. 1239 en 1310).
3. Opvallend is dat de wet van 9 april 1930 zich niet uitspreekt over het lot van de geïnterneerde veroordeelde op het einde van diens straftijd.
De praktijk is in die zin gevestigd dat de geïnterneerde veroordeelde, na afloop van diens straftijd, onder de bevoegdheid van de Commissie valt die, op grond van artikel 18 van de wet van 9 april 1930, alle beslissingen kan treffen die zij nodig acht, zoals de invrijheidstelling op proef of voorgoed, wat overigens zesmaandelijks door de betrokkene kan aangevraagd worden.
4. Betoogd wordt dat deze praktijk strijdig is met artikel 12 van de Grondwet krachtens hetwelk "de vrijheid van de persoon is gewaarborgd" en "niemand (...) vervolgd (kan worden) dan in gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft" en nog "behalve bij ontdekking op heterdaad, (...) niemand (kan) worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen 24 uren".
Uit dit grondwetsartikel volgt dat een persoon slechts van zijn vrijheid kan worden beroofd op grond van een wettelijke basis of nog krachtens het bevel van een rechter.
5. Gelet op het fundamenteel karakter van de in artikel 12 van de Grondwet opgenomen rechtsregel, volgt dat de wettelijke afwijkingen op dit grondbeginsel uitdrukkelijk uit de wetgeving moeten voortvloeien en niet kunnen steunen op de voorbereidende werkzaamheden van de door het aangevochten arrest ingeroepen wet van 9 april 1930 noch uit een gevestigde praktijk zelfs al is deze sinds het ontstaan van de wet(swijziging) in die zin gevestigd.
Het niet bestaan van een uitdrukkelijke wettelijke basis dat van artikel 12 van de Grondwet afwijkt, is ogenschijnlijk, dringt zich bijgevolg prima facie op en moet derhalve ook door de rechter in kort geding worden ontwaard en, desgevallend, deze laatste nopen tot het trekken van de daaruit voortvloeiende gevolgen op het niveau van de invrijheidstelling van de betrokkene die van zijn vrijheid werd beroofd of, zoals in casu, beroofd blijft op grond van een niet uitdrukkelijke wetsbepaling.
6. Door - zelfs in het raam van een prima facie onderzoek - uit artikel 21 van de wet van 9 april 1930 een uitzondering op artikel 12 van de Grondwet af te leiden, leidt het aangevochten arrest uit de tekst van de wet van 9 april 1930 iets af dat niet uitdrukkelijk door de wet van 9 april 1930 is gesteld, met name dat de minister van Justitie de bevoegdheid zou hebben om een geïnterneerde veroordeelde, na het uitzitten van diens straftijd verder van diens vrijheid te beroven en leest het bijgevolg in artikel 21 van de wet van 9 april 1930 een wettelijke grondslag tot vrijheidsberoving dat dit artikel niet uitdrukkelijk bevat om te weigeren aan de vrijheidsberoving van eiser, na het uitzitten van diens straftijd, een einde te stellen en schendt het, mitsdien, artikel 12 van de Grondwet zowel als artikel 21 van de wet van 9 april 1930.
IV. Beslissing van het Hof
Eerste middel
Overwegende dat artikel 1040 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wat betreft de inleiding van de vordering in kort geding, artikel 1035 van dit wetboek van toepassing is op de termijnen van verschijning voor het hof van beroep en voor het arbeidshof ;
Dat, krachtens artikel 1035, tweede lid, van dit wetboek, de termijn van dagvaarding ten minste twee dagen bedraagt ;
Dat uit voormelde wetsbepalingen volgt dat dezelfde termijn van twee dagen in acht dient genomen wanneer het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1056, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt ingesteld bij verzoekschrift dat door de griffier aan de gedaagde partij en, in voorkomend geval, aan haar advocaat bij gerechtsbrief ter kennis wordt gebracht ;
Overwegende dat, luidens artikel 32, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, in dit wetboek wordt verstaan onder kennisgeving de toezending van een akte in origineel of in afschrift die geschiedt langs de post of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft ;
Dat de kennisgeving overeenkomstig voormeld artikel 1056, 2°, geschiedt op de datum van toezending van de gerechtsbrief, dit is op het tijdstip van de afgifte ervan aan de postdiensten, en niet op het tijdstip van aanbieding of ontvangst ;
Overwegende dat de in voormeld artikel 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn, overeenkomstig artikel 52, eerste lid, van hetzelfde wetboek, wordt gerekend vanaf de dag na de kennisgeving van de gerechtsbrief voorzien in voormeld artikel 1056, 2° ;
Dat het middel dat er van uitgaat dat de termijn bepaald in voormeld artikel 1035, tweede lid, dient te worden gerekend vanaf de dag na de ontvangst van de gerechtsbrief, faalt naar recht ;
Tweede middel
Overwegende dat de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht kan bevelen, indien er een schijn van rechten is die het nemen van een beslissing verantwoordt ;
Dat de rechter die zich ertoe beperkt de ogenschijnlijke rechten van partijen na te gaan en te onderzoeken, zonder daarbij rechtsregels te betrekken die de voorlopige maatregel die hij beveelt niet redelijk kunnen schragen, de grenzen van zijn bevoegdheid niet overschrijdt ;
Overwegende dat eiser slechts tegen de voorlopige beoordeling van de appèlrechters konden opkomen in zoverre hij artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek als geschonden wetsbepaling zou hebben aangewezen, hetgeen niet het geval is ;
Dat het middel niet ontvankelijk is, zoals door verweerder aangevoerd ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van eenenzeventig euro drieënzestig cent in debet jegens de eisende partij en op de som van honderd en zes euro drieënzestig cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.