Hof van Cassatie: Arrest van 26 September 2006 (België). RG P060572N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20060926-6
- Rolnummer :
- P060572N
Samenvatting :
Artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet, voorziet geen sanctie in geval het proces-verbaal van vaststelling buiten de termijn van artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet, werd verstuurd.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. P.06.0572.N
I
L V L M W,
beklaagde,
eiseres,
met als raadsman mr. Stephanie Gobert, advocaat bij de balie te Gent.
II
REMACOM nv, met zetel te 9080 Lochristi, Hoogstraat 2,
beklaagde,
eiseres,
met als raadsman mr. Willem Dobbelaere, advocaat bij de balie te Gent.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Gent van 2 maart 2006.
De beide eiseressen stellen in één verzoekschrift drie middelen voor. Dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. De appelrechters oordelen dat beide eiseressen hebben nagelaten maatregelen te treffen die het mogelijk maken de bestuurder van een motorvoertuig, ingeschreven op naam van de rechtspersoon, die een overtreding op de Wegverkeerswet of haar uitvoeringsbesluiten heeft begaan, te identificeren.
Aldus doen zij geen uitspraak bij wijze van algemene en als regel geldende beschikking maar omkleden zij hun beslissing dat beide eiseressen zich schuldig hebben gemaakt aan een inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet, naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel
2. De appelrechters oordelen niet dat de eiseressen verplicht zijn een register aan te maken "waarin elke beweging van een bedrijfsvoertuig op de openbare weg, gemaakt door een aangestelde van (eiseres II), dient te worden genoteerd".
Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist mitsdien feitelijke grondslag.
Derde middel
Eerste onderdeel
3. De niet-naleving van de termijn bepaald door artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet, brengt geen nietighied mee van het proces-verbaal van vaststelling van overtreding maar enkel dat dit proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde verliest en geldt als inlichting waarvan de rechter onaantastbaar de bewijswaarde beoordeelt.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede onderdeel
4. Artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet voorziet niet in sanctie in geval het proces-verbaal van vaststelling buiten de termijn van artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet, werd verstuurd en de vraag om inlichtingen hetzij aldus niet gevoegd werd bij een tijdig verstuurd proces-verbaal van vaststelling, hetzij mondeling is geschied.
In zulk geval neemt evenwel de termijn van 15 dagen binnen dewelke de mededeling van artikel 67ter, tweede en derde lid, Wegverkeerswet moet gebeuren, slechts een aanvang vanaf de datum waarop ook de vraag om inlichtingen wordt verstuurd of de vraag om inlichtingen mondeling wordt gesteld.
Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
5. Voor het overige oordelen de appelrechters dat de eiseressen, indien zij maatregelen hadden genomen om te registreren welke chauffeur op welk ogenblik met welk voertuig reed, "zonder enig probleem, zelfs meer dan 2 maanden na de vaststellingen, de identiteit van de chauffeur kunnen nagaan en kenbaar maken".
Aldus beantwoorden zij het verweer van eiseres II dat "door de laattijdigheid van de kennisgeving van het proces-verbaal de mogelijkheid is ontnomen aan te tonen wie werkelijk met het voertuig reed op het ogenblik van de overtreding" en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.
Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eiseressen in de kosten van hun cassatieberoep.
Begroot de kosten op 99,52 euro waarvan elke eiseres 49,76 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 26 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols.
I
L V L M W,
beklaagde,
eiseres,
met als raadsman mr. Stephanie Gobert, advocaat bij de balie te Gent.
II
REMACOM nv, met zetel te 9080 Lochristi, Hoogstraat 2,
beklaagde,
eiseres,
met als raadsman mr. Willem Dobbelaere, advocaat bij de balie te Gent.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Gent van 2 maart 2006.
De beide eiseressen stellen in één verzoekschrift drie middelen voor. Dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. De appelrechters oordelen dat beide eiseressen hebben nagelaten maatregelen te treffen die het mogelijk maken de bestuurder van een motorvoertuig, ingeschreven op naam van de rechtspersoon, die een overtreding op de Wegverkeerswet of haar uitvoeringsbesluiten heeft begaan, te identificeren.
Aldus doen zij geen uitspraak bij wijze van algemene en als regel geldende beschikking maar omkleden zij hun beslissing dat beide eiseressen zich schuldig hebben gemaakt aan een inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet, naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel
2. De appelrechters oordelen niet dat de eiseressen verplicht zijn een register aan te maken "waarin elke beweging van een bedrijfsvoertuig op de openbare weg, gemaakt door een aangestelde van (eiseres II), dient te worden genoteerd".
Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist mitsdien feitelijke grondslag.
Derde middel
Eerste onderdeel
3. De niet-naleving van de termijn bepaald door artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet, brengt geen nietighied mee van het proces-verbaal van vaststelling van overtreding maar enkel dat dit proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde verliest en geldt als inlichting waarvan de rechter onaantastbaar de bewijswaarde beoordeelt.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede onderdeel
4. Artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet voorziet niet in sanctie in geval het proces-verbaal van vaststelling buiten de termijn van artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet, werd verstuurd en de vraag om inlichtingen hetzij aldus niet gevoegd werd bij een tijdig verstuurd proces-verbaal van vaststelling, hetzij mondeling is geschied.
In zulk geval neemt evenwel de termijn van 15 dagen binnen dewelke de mededeling van artikel 67ter, tweede en derde lid, Wegverkeerswet moet gebeuren, slechts een aanvang vanaf de datum waarop ook de vraag om inlichtingen wordt verstuurd of de vraag om inlichtingen mondeling wordt gesteld.
Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
5. Voor het overige oordelen de appelrechters dat de eiseressen, indien zij maatregelen hadden genomen om te registreren welke chauffeur op welk ogenblik met welk voertuig reed, "zonder enig probleem, zelfs meer dan 2 maanden na de vaststellingen, de identiteit van de chauffeur kunnen nagaan en kenbaar maken".
Aldus beantwoorden zij het verweer van eiseres II dat "door de laattijdigheid van de kennisgeving van het proces-verbaal de mogelijkheid is ontnomen aan te tonen wie werkelijk met het voertuig reed op het ogenblik van de overtreding" en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.
Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eiseressen in de kosten van hun cassatieberoep.
Begroot de kosten op 99,52 euro waarvan elke eiseres 49,76 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 26 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols.