Hof van Cassatie: Arrest van 27 Februari 2018 (België). RG P.17.0593.N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20180227-2
- Rolnummer :
- P.17.0593.N
Samenvatting :
Samenvatting 1
Arrest :
Nr. P.17.0593.N
1. S F M,
beklaagde,
2. L K B,
beklaagde,
eisers,
met als raadsman mr. Ronald Wijnen, advocaat bij de balie te Antwerpen,
tegen
1. B V,
burgerlijke partij,
2. Y B,
burgerlijke partij,
3. A R,
burgerlijke partij,
4. COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN van de STAD ANTWERPEN, met kantoor te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1,
eiser tot herstel,
verweerders.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 3 mei 2017.
De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.
Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest ver-oordeelt de eisers ten onrechte voor de telastlegging B.I bestaande in het vermeer-deren van de gelijkvloerse verdieping links in dit appartement van één naar vier woongelegenheden; het arrest stelt immers vast dat er op de datum van de notari-ele aankoop van 6 april 2006 reeds een opsplitsing in een studio vooraan en een appartement achteraan was doorgevoerd door de verkoopster, zodat er twee woongelegenheden waren; het arrest veroordeelt bijgevolg de eisers voor iets waarvoor zij niet zijn vervolgd.
2. Het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld is vreemd aan de grief dat de rechter zich uitspreekt over een feit waarvoor een be-klaagde niet is vervolgd.
In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
3. Het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastlegging B.I, zijnde het tussen 27 mei 2009 en 1 augustus 2009, op een niet nader te bepalen datum, het appartement gelegen op de gelijkvloerse verdieping links van de Helmstraat 129/131 te hebben vermeerderd van één naar vier woongelegenheden.
4. Het arrest verklaart de eisers schuldig aan deze telastlegging onder meer op de volgende gronden:
- in het proces-verbaal van 27 september 2012 werd door de gemeentelijke ambtenaar van de stad Antwerpen met betrekking tot het gelijkvloers gelegen appartement vastgesteld dat zich vooraan links twee kleine woongelegenheden bevonden en achteraan links, toegankelijk vanuit de achterliggende koer, nog twee kleine woongelegenheden, terwijl dit voorheen één appartement betrof;
- wat betreft de eiseres 2 moet worden opgemerkt dat met de telastlegging niet enkel het uitvoeren van de vermeerdering van de woongelegenheden wordt be-oogd, maar ook het als eigenaar toestaan van de vermeerdering van woongele-genheden;
- de eiseres 2 is mede-eigenaar van de geviseerde onroerende goederen en uit haar verklaring van 10 april 2013 blijkt dat zij wel degelijk op de hoogte was van de verbouwingswerken die haar echtgenoot, de eiser 1, aan de diverse on-roerende goederen heeft uitgevoerd en dat dit met haar toestemming gebeurde. Zij verklaarde uitdrukkelijk: "Wij hebben 2 appartementen omgebouwd tot 4 woongelegenheden (...)", en "Er werd geen architect aangesteld voor de werkzaamheden. Een veiligheidscoördinator ook niet";
- het met de telastlegging B.I geviseerde appartement op de gelijkvloerse ver-dieping werd door de eisers op 6 april 2006 aangekocht van C W;
- in haar verklaring van 7 mei 2013 stelt C W dat zij zelf het appartement gelijk-vloers had verkleind in studio's voordat zij het appartement heeft verkocht aan de eisers en dat de eiser 1 na de verkoop de afwerking heeft gedaan van deze studio's;
- deze verklaring van C W, die overigens samenwoont met het gezin van de ei-sers, blijkt niet overeen te stemmen met de werkelijkheid, wanneer de inhoud van de notariële verkoopakte van 6 april 2006 wordt geanalyseerd;
- in deze verkoopakte wordt het verkochte goed immers omschreven als: "A. Het winkel-appartement op het gelijkvloers links van op de straat gezien, be-grijpende volgens titel: a) in privatieve en uitsluitende eigendom: winkelruimte, gang, keuken, wc, en nog drie kamers, zoals in groene kleur aangeduid op het plan gehecht aan nagemelde basisakte, alsmede het genotsrecht van de achtergelegen koer omschreven in hogervermelde basisakte aldaar in grijze tint op plan aangeduid op last er alle kosten van onderhoud, herstelling en vernieuwing van te dragen en te betalen; b) in medeëigendom en gedwongen onverdeelheid: honderd achttien/duizendsten (118/1000sten) in de grond en de gemene delen van het gebouw. Verkopers verklaren dat voormeld winkelappar-tement inmiddels met vergunning (regularisatie) opgesplitst werd in studio vooraan en appartement achteraan. Juridisch bestaat het eigendom thans echter nog uit één geheel en kunnen bijgevolg studio en appartement niet afzonderlijk verkocht worden. Mocht de vereniging van medeëigenaars over deze afsplitsing later eventueel nog bezwaren maken, dan zullen de kopers hiervan hun eigen zaak dienen te maken en de verkopers hiervan volledig vrijwaren";
- de enige opsplitsing die op de datum van de notariële akte van 6 april 2006 was doorgevoerd door de verkoopster W was derhalve de opsplitsing in een studio vooraan en een appartement achteraan, maar geenszins in vier woonge-legenheden;
- bovendien werd in de notariële akte opgenomen dat de eisers binnen de drie jaar vanaf de datum van de akte ingrijpende werken dienden uit te voeren aan het door hen aangekochte appartement, waarin de verkoopster W een levens-lang woonrecht had bedongen;
- deze werken werden in detail beschreven op pagina 7 van de notariële akte en behelsden structurele werken zoals het plaatsen van een nieuwe keuken, het plaatsen van een nieuwe inkomdeur en nieuw raam in pvc in dubbel glas aan de koer, het plaatsen van een nieuwe badkamer, het openbreken van de muur tus-sen het salon en de woonkamer, de thans bestaande opening dichtmaken en af-werken, de muur in de salon aan deuropening/gang afbreken, plaatsen van nieuwe pvc-ramen, enzovoort;
- de eiser 1 is met medeweten en goedkeuring van zijn echtgenote, de eiseres 2, in de loop van 2009 begonnen met het zonder vergunning opsplitsen van het appartement gelijkvloers links naar vier woongelegenheden;
- de eisers woonden immers van 2003 tot 2008 in het appartement op de eerste verdieping rechts, waarna zij in 2008 voor acht maanden verhuisden naar het appartement gelijkvloers rechts;
- verkoopster W van het appartement gelijkvloers links bleef hierin wonen na de verkoop op basis van haar levenslang woonrecht;
- in mei 2009 verhuisden de eisers en W samen naar de Corbletstraat 40 in Deurne, waarna de eiser 1 de opsplitingswerken in het appartement gelijkvloers links heeft uitgevoerd;
- de incriminatieperiode, namelijk tussen 27 mei 2009 en 1 augustus 2009, is bij-gevolg correct;
- W bevestigt overigens, weliswaar in minimalistische bewoordingen ("Na de verkoop heeft de heer S ook de afwerking van de studio's gedaan."), dat de ei-ser 1 werkzaamheden heeft verricht in het kader van de opsplitsing van het ge-lijkvloerse appartement links in meerdere woongelegenheden, wat de eiser 1 minstens tot mededader maakt aan de feiten B.I;
- de eiseres 2 erkent in haar verklaring van 10 april 2013 dat zij samen met de ei-ser 1 twee appartementen heeft omgebouwd tot vier woongelegenheden, het-geen in schril contrast staat met de leugenachtige verklaring van de eiser 1 van 26 juni 2013 waarin wordt gesteld dat hij geen appartement heeft verdeeld en dat elk appartement was verdeeld in vier studio's.
Met die redenen, in hun onderlinge samenhang gelezen, stelt het arrest vast dat de eisers, zoals geviseerd met de telastlegging B.I, in het appartement op de gelijk-vloerse verdieping links van de Helmstraat 129/131 in de in de telastlegging be-paalde incriminatieperiode het aantal woongelegenheden hebben vermeerderd van één naar vier en veroordeelt het de eisers niet voor iets waarvoor zij niet zijn ver-volgd. Die beslissing is naar recht verantwoord.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is niet regelmatig gemotiveerd; het arrest kon de eisers alleen maar schuldig bevin-den aan de telastlegging B.I indien werd vastgesteld dat het bedoelde appartement bij het begin van de incriminatieperiode bestond uit één entiteit en vervolgens tijdens de incriminatieperiode door de eisers werd omgevormd tot vier entiteiten; het arrest beantwoordt niet eisers' in conclusie aangevoerd verweer dat aangezien niet met zekerheid is aangetoond dat de eisers zelf de opdeling van één naar vier woongelegenheden hebben verricht, zij dienden te worden vrijgesproken.
6. Uit de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen volgt dat het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer beantwoordt en dat het vast-stelt dat tijdens de in de telastlegging bepaalde incriminatieperiode de eiser 1 min-stens zijn medewerking heeft verleend aan het omvormen van het bedoelde appar-tement van één in vier woongelegenheden en dat de eiseres 2 dit omvormen als eigenaar heeft toegestaan.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Tweede middel
Eerste onderdeel
7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering: het arrest beveelt ten onrechte het herstel met betrekking tot het appartement op de gelijkvloerse verdieping rechts en het appartement op de tweede verdieping links; de eisers werden niet vervolgd voor stedenbouwkundige inbreuken met betrekking tot deze appartementen, zodat de appelrechters niet het herstel met betrekking tot deze appartementen kunnen bevelen; het arrest oordeelt ten onrechte dat er op basis van de inhoud van het strafdossier ontegensprekelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen de beweerde vermeerdering van het aantal woongelegenheden in de appartementen gelegen op de gelijkvloerse verdieping links en de derde verdieping links (telastleggingen B.I en B.II) en de vermeerde-ring van het aantal woongelegenheden in de appartementen gelegen op de gelijk-vloerse verdieping rechts en het appartement op de tweede verdieping links.
8. De grondslag voor de herstelvordering is niet artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, maar wel artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Co-dex Ruimtelijke Ordening, artikel 44 Strafwetboek en de artikelen 161 en 189 Wetboek van Strafvordering.
In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering faalt het naar recht.
9. In correctionele zaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onder-zoeksgerecht of de dagvaarding de feiten aanhangig zoals ze blijken uit het ge-rechtelijk onderzoek of het opsporingsonderzoek en die aan de verwijzingsbe-schikking of de dagvaarding ten grondslag liggen.
10. De herstelvordering moet geënt zijn op de feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezen verklaarde telastlegging. Zij beoogt het herstel van de wettigheid naar de toekomst en moet een desgevallend gewijzigde toestand in aanmerking nemen.
11. De enkele omstandigheid dat na het plegen van de vervolgde feiten wijzi-gingen werden aangebracht aan de constructie die het voorwerp uitmaakt van de strafvervolging of die constructie werd vervangen door een andere, belet niet dat de herstelvordering geënt blijft op de feiten van de strafvervolging, ook al maken de wijzigingen aan de geviseerde constructie of de vervanging ervan zelf niet het voorwerp uit van de strafvervolging. Zodra er een oorzakelijk verband bestaat tus-sen de wederrechtelijke toestand zoals die bestaat bij de uitspraak over de herstel-vordering en de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van de te-lastlegging, blijft de herstelvordering geënt op de feiten van de telastlegging, spijts de aangebrachte wijziging of vervanging.
12. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite over het bestaan van dit oorzake-lijk verband. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen ge-volgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
13. De eisers werden met de telastleggingen B.I en B.II vervolgd voor steden-bouwinbreuken met betrekking tot het appartement gelegen op de gelijkvloerse verdieping links (B.I) en het appartement gelegen op de derde verdieping links in een gebouw gelegen Helmstraat 129/131 en telkens bestaande in het vermeerderen van het aantal woongelegenheden van één tot vier.
14. Het arrest oordeelt dat:
- de herstelvordering van de verweerder 4 van 8 januari 2016, die op 11 januari 2016 voor advies aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid werd voorge-legd en die op 9 februari 2016 gunstig werd geadviseerd, ertoe strekt het pand aan te passen zodat de toestand in overeenstemming is met de vergunning van 7 augustus 1928 en de vergunning van 30 juni 1994, namelijk een woning met negen woongelegenheden, wat de volgende aanpassingen inhoudt: (1) op het gelijkvloers het ontmantelen van de zes zelfstandige woongelegenheden en de twee kamers en het opdelen van het gelijkvloers in drie zelfstandige woningen overeenkomstig de vergunning van 30 juni 1994; (2) op de tweede verdieping het ontmantelen van de vijf kamers en het omvormen naar één zelfstandige woning overeenkomstig de vergunning van 7 augustus 1928; (3) op de derde verdieping het ontmantelen van de drie kamers en het omvormen naar een zelf-standige woning overeenkomstig de vergunning van 7 augustus 1928;
- op basis van de inhoud van het strafdossier blijkt dat er ontegensprekelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen enerzijds de door de eisers gestelde hande-lingen (het uitvoeren van de vermeerdering van het aantal woongelegenheden of het als eigenaar toestaan daarvan) met betrekking tot de gelijkvloerse ver-dieping links (telastlegging B.I) en de derde verdieping links (telastlegging B.II) en anderzijds de door de eisers gestelde handelingen met betrekking tot de appartementen op de gelijkvloerse verdieping rechts en het appartement op de tweede verdieping links;
- het ongedaan maken van de vermeerdering van woongelegenheden in het ap-partement op de gelijkvloerse verdieping rechts en op het appartement op de tweede verdieping links bovendien noodzakelijk is om de verstoring van de ruimtelijke ordening door de onder de telastleggingen B.I en B.II bewezen verklaarde misdrijven te niet te doen;
- de enkele omstandigheid dat in de loop van de rechtspleging wijzigingen werden aangebracht aan de constructies die het voorwerp uitmaken van de strafvervolging belet niet dat de herstelvordering die het herstel van de wet-tigheid naar de toekomst beoogt en de gewijzigde toestand in aanmerking moet nemen, geënt blijft op de feiten van de strafvervolging onder de telastleggingen B.I en B.II, ook al maken de wijzigingen aan die constructies zelf niet het voorwerp uit van de strafvervolging;
- zodra er een oorzakelijk verband bestaat tussen de wederrechtelijke toestand zoals die bestaat bij de uitspraak over de herstelvordering en de weder-rechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van de telastlegging, de her-stelvordering geënt blijft op de feiten van de telastlegging, spijts de doorge-voerde wijzigingen;
- het gebouw dat gekend stond als een meergezinswoning met negen woongele-genheden volgens de vaststellingen van december 2014 verder werd opgedeeld tot een pand met achttien woongelegenheden, waardoor de intrinsieke woonpotentie van het pand drastisch werd overschreden, wat onaanvaardbaar is;
- door deze vermeerdering van woongelegenheden en de daarmee gepaard gaande verbouwingen en aanpassingswerken de aard van het gebouw funda-menteel werd gewijzigd door het aanbrengen van bijkomende brievenbussen en deurbellen, het slopen van binnenmuren, het aanbrengen van nieuwe deuren en ramen, aanpassingen aan de elektriciteit, het trekken van nieuwe leidingen voor sanitair, water en elektriciteit met doorboring van vloerplaten en muren van gemeenschappelijke delen, bijkomend huisvuil, enz., waarbij kan worden ver-wezen naar de vaststellingen en foto's zoals opgenomen in het schattings-verslag van 16 februari 2015;
- de door de eisers gestelde handelingen met betrekking tot de gelijkvloerse ver-dieping links (telastlegging B.I) en de derde verdieping links (telastlegging B.II) gelet op hun aard derhalve niet los kunnen worden gezien van de door de eisers gestelde handelingen met betrekking tot het appartement op de gelijkvloerse verdieping rechts en het appartement op de tweede verdieping links.
Op grond van die redenen vermag het arrest wettig te oordelen dat de herstelvor-dering met betrekking tot de appartementen gelegen op de gelijkvloerse verdie-ping rechts en op de tweede verdieping links geënt zijn op de wederrechtelijke handelingen waaraan de eisers met de telastleggingen B.I en B.II werden schuldig verklaard, dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de wederrechtelijke toe-stand zoals die bestaat bij de uitspraak over de herstelvordering en de wederrech-telijke toestand die het voorwerp uitmaakt van de telastleggingen B.I en B.II en dat de appelrechters wel degelijk uitspraak kunnen doen over de herstelvordering betreffende de appartementen gelegen op de gelijkvloerse verdieping rechts en op de tweede verdieping links. Die beslissing is naar recht verantwoord.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest ver-oordeelt de eisers tot het herstel met betrekking tot de appartementen gelegen op de gelijkvloerse verdieping rechts en de tweede verdieping links met de vaststel-ling dat zij ook voor deze appartementen een strafrechtelijk sanctioneerbare in-breuk hebben begaan, terwijl zij voor die feiten niet werden vervolgd; gezien het vermoeden van onschuld worden de eisers geacht geen dergelijke misdrijven te hebben gepleegd.
16. Het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld is vreemd aan de grief dat de rechter zich niet mag uitspreken over de herstelvorde-ring met betrekking tot feiten waarvoor een beklaagde niet wordt vervolgd.
In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
17. Het arrest bevat niet de vaststelling dat de eisers voor de appartementen ge-legen op de gelijkvloerse verdieping rechts en de tweede verdieping links een strafrechtelijk sanctioneerbare inbreuk hebben begaan.
In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
Derde middel
18. Het middel voert schending aan van artikel 6.1.7. Vlaamse Codex Ruimte-lijke Ordening: het arrest beveelt ten onrechte het herstel voor wat betreft het ap-partement gelegen op de derde verdieping links; voor dat appartement was er im-mers geen positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid; de te-lastlegging B.II betreffende dit appartement heeft betrekking op een incriminatie-periode tussen 1 april 2012 en 27 september 2012; uit het advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid blijkt dat de bijkomende woonentiteiten dateren van na het proces-verbaal van 8 december 2014; er is bijgevolg geen positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid met betrekking tot de feiten voorwerp van de telastlegging B.II.
19. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- de aangepaste herstelvordering van de verweerder 4 van 8 januari 2016, die op 11 januari 2016 voor advies aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid werd voorgelegd, op 9 februari 2016 positief werd geadviseerd door die Hoge Raad. Die herstelvordering had betrekking op alle stedenbouwkundige in-breuken die volgens de verweerder 4 met betrekking tot het bedoelde pand werden gepleegd;
- deze herstelvordering en ook het positief advies van de Hoge Raad wel degelijk betrekking hebben op het appartement gelegen op de derde verdieping links;
- de Hoge Raad weliswaar opmerkt dat de met de aangepaste vordering gevi-seerde opdeling van dit appartement dateert van na het proces-verbaal van 8 december 2014, maar dat dit niet belet dat het positief advies betrekking heeft op de feiten bedoeld door de telastlegging B.II.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
20. Met de redenen die het bevat, verantwoordt het arrest naar recht de beslis-sing dat de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid een positief advies heeft ver-leend voor het appartement gelegen op de derde verdieping links.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Vierde middel
Eerste onderdeel
21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering: het arrest verleent ten onrechte een voorbehoud voor de aanstelling van een gerechtsdeskundige met het oog op de bepaling van eventuele resterende gebouwschade; de eerste rechter had de vordering voor de post schade-vergoeding wegens waardeverlies appartement afgewezen; de verweerders 1 tot en met 3 hebben wat betreft de posten minderwaarde gebouw of gebouwschade geen incidenteel beroep ingesteld; zij hebben slechts een beperkt incidenteel be-roep ingesteld met betrekking tot de post schending van het rustig eigendoms-recht-woongenot; de appelrechters hebben bijgevolg geen rechtsmacht meer om met betrekking tot deze post een voorbehoud te bevelen voor wat betreft de aan-stelling van een gerechtsdeskundige.
22. Artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering voor de rechter in hoger beroep wordt ge-bracht, de gedaagde bij een op de rechtszitting genomen conclusie incidenteel be-roep kan instellen zolang het debat in hoger beroep niet is gesloten.
23. Een partij kan slechts incidenteel beroep instellen tegen een partij die tegen hemzelf principaal hoger beroep heeft ingesteld. De mogelijkheid van incidenteel beroep is evenwel niet beperkt tot de schadeposten waarvoor er een principaal ho-ger beroep is ingesteld. Ook voor andere posten van de burgerlijke rechtsvordering is incidenteel beroep mogelijk.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
24. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders 1 tot en met 3 tegenover de eisers wat volgt:
- de eerste rechter heeft de vordering tot aanstelling van een deskundige afgewe-zen omdat eerst het herstel diende te worden afgewacht en heeft de vordering voor schade wegens hinder, kosten en mindergenot alsmede schade als gevolg van de gepleegde valsheden ingewilligd;
- de eisers hebben tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis hoger beroep ingesteld en dus ook wat betreft de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders 1 en 3;
- het arrest stelt vast dat de verweerders 1 tot en met 3 met hun beroepsconclu-sies incidenteel beroep hebben ingesteld en onder meer de aanstelling van een deskundige vorderen om na de beëindiging van de herstelwerken de finale schade op te meten;
- het arrest oordeelt dat die vordering voorbarig is en het verleent de verweerders 1 tot en met 3 voorbehoud voor het vorderen van de aanstelling van een gerechtsdeskundige met het oog op de bepaling van eventuele resterende ge-bouwschade.
De beslissing dat het incidenteel beroep van de verweerders 1 tot en met 3 met be-trekking tot de aanstelling van een deskundige ontvankelijk is, is dan ook naar recht verantwoord.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet eisers in conclusie aangevoerd verweer dat gelet op de afwezigheid van een incidenteel beroep met betrekking tot de post waardeverlies appartement er geen gerechtsdeskundige kon worden aangesteld.
26. Met de redenen die het bevat betreffende het incidenteel beroep van de ver-weerders 1 tot en met 3, verwerpt en beantwoordt het arrest het bedoelde ver-weer.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Ambtshalve onderzoek
27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten op 193,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 27 februari 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
V. Kosynsky E. Francis A. Lievens
A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei