Hof van Cassatie: Arrest van 27 Maart 1992 (België). RG 5722

Datum :
27-03-1992
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19920327-6
Rolnummer :
5722

Samenvatting :

Art. 4, alinéa 1, 2, W.A.M.-wet 1956 laat toe van het voordeel van de vergoeding uit te sluiten de bloedverwanten en aanverwanten in de rechte linie van de bestuurder, mits dezen bij hem inwonen en door hem worden onderhouden; aan de voorwaarde dat de verwant door de bestuurder wordt onderhouden, is uitsluitend dan voldaan, indien het onderhoud op het moment van de gebeurtenis die leidt tot aansprakelijkheid van de bestuurder, in feite volledig voor rekening komt van een persoon bedoeld in art. 4, alinéa 1, 1, wat niet uitsluit dat bij het beantwoorden van de vraag of aan die voorwaarde is voldaan, betekenis kan toekomen aan na die gebeurtenis voorgevallen feiten.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 16 september 1986 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;
Gelet op het arrest van het Hof van 16 september 1988 en dit verder uitwerkend (3);
Gelet op het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 30 november 1990;
Over het tweede onderdeel van het middel, gesteld als volgt : "schending van de artikelen 1134, 1135, 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek, 4, alinéa 1, 2, van de wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en 4, alinéa 1, 2, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, ondertekend te Luxemburg op 24 mei 1966 en goedgekeurd bij de wet van 19 februari 1968,
doordat het arrest de door eiseres tegen verweerster ingesteld vordering tot betaling van 2.365.241 frank afwijst op de volgende gronden : Krachtens artikel 7-2 van de verzekeringsovereenkomst tussen Michel Eeckeloo en verweerster, zijn van het recht op uitkering uitgesloten, "de bloedverwanten in rechte linie van de bestuurder, mits deze bij hem inwonen en door hem worden onderhouden". Het wordt niet betwist dat het slachtoffer, Frank Eeckeloo, de zoon is van de bestuurder en dat hij op het ogenblik van het ongeval bij hem inwoonde. Toen het ongeval gebeurde, was Frank Eeckeloo, geboren op 9 november 1960, nog geen volle 14 jaar en werkte hij pas een paar weken. Uit geen enkel stuk blijkt dat hij op dat ogenblik reeds een inkomen ontving dat hem toeliet zelfs gedeeltelijk in zijn eigen onderhoud te voorzien. Dat zijn basisloon 214.342 frank per jaar beliep, is geen bewijs dat hij op het ogenblik van het ongeval niet meer door zijn vader werd onderhouden. Het is immers zo dat niet eens vaststaat dat Frank Eeckeloo reeds een loon had ontvangen. Van een "schuldvordering" kan men niet leven. Het gaat niet op de leefsituatie van een nog geen 14-jarige knaap te vergelijken met deze van een "echtgenoot". Waar moet worden aangenomen dat Frank Eeckeloo door zijn vader werd onderhouden op het ogenblik van het ongeval, is hij, en dienvolgens de in zijn rechte gesubrogeerde eiseres, van verzekering uitgesloten. De eerste rechter heeft dan ook terecht de vordering van eiseres afgewezen,
terwijl, het slachtoffer Eeckeloo Frank, 14 jaar oud, sinds twee weken voor het ongeval als "metsersknaap" in loondienst was en een basisloon had van 214.432 frank; daaruit blijkt dat Eeckeloo Frank in zijn eigen onderhoud geheel of gedeeltelijk kon voorzien zodat hij niet door zijn vader Eeckeloo Michel, de verzekerde, onderhouden werd; immers de voorwaarde van onderhoud niet vervuld is wanneer het slachtoffer in zijn eigen onderhoud uit eigen inkomsten geheel of gedeeltelijk kan voorzien en door eigen economische prestaties niet van het onderhoud van de verzekerde, zijn vader, afhangt; dat feit dat er nog geen uitbetaling van deze inkomsten is geweest op het ogenblik van het ongeval daaraan geen afbreuk doet (schending van artikel 4, alinéa 1, 2, van de wet van 1 juli 1956, 4, alinéa 1, 2, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966); door deze interpretatie het arrest eveneens de bewijskracht (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en de uitvoerende kracht van de clausule nr. 7, lid 3, van de polisvoorwaarden schendt (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek)" :
Overwegende dat artikel 4, alinéa 1, 2, van de wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen toelaat van het voordeel van de vergoeding uit te sluiten, en artikel 7.2 van de onderwerpelijke polis inderdaad van dit voordeel uitsluit, de bloed en aanverwanten in de rechte linie van de bestuurder, mits dezen bij hem inwonen en door hem worden onderhouden;
Overwegende dat het Benelux-Gerechtshof, uitspraak doende op de door het Hof bij het arrest van 16 september 1988 gestelde vragen, in zijn arrest A/88/4/14 van 30 november 1990 verklaart voor recht :
(1) Het begrip "onderhouden" in artikel 4, alinéa 1, onder 2, van de Gemeenschappelijke Bepalingen moet worden uitgelegd in een zin die eigen is aan die bepalingen, overeenkomstig hun strekking, en niet naar het toepasselijke nationale recht;
(2) Aan de voorwaarde dat de inwonende bloed of aanverwant wordt onderhouden, is uitsluitend dan voldaan indien het onderhoud van die verwant op het moment van de gebeurtenis die leidt tot aansprakelijkheid van de bestuurder van het verzekerde voertuig in feite volledig voor rekening komt van een persoon als in artikel 4, alinéa 1, onder 1, bedoeld. Hieruit volgt dat de in de inleiding van de vragen weergegeven feiten op zichzelf geen uitsluitsel geven over de vraag of de inwonende verwant al dan niet als "onderhouden" aan te merken valt;
(3) Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van "onderhouden" worden in de zin van artikel 4, alinéa 1, onder 2, van de Gemeenschappelijke Bepalingen, is alleen de situatie op het moment van de hiervoren onder (2) bedoelde gebeurtenis beslissend. Zulks sluit niet uit dat bij het beantwoorden van de vraag of aan de in het begrip "onderhouden" gelegen voorwaarde is voldaan, betekenis kan toekomen aan na die gebeurtenis voorgevallen feiten;
Overwegende dat het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld dat Frank Eeckeloo op het ogenblik van het ongeval bij zijn vader Michel Eeckeloo inwoonde, oordeelt : "Toen het ongeval gebeurde, was Frank Eeckeloo, geboren op 9 november 1960 (lees : 3 augustus 1960), nog geen volle 14 jaar en werkte hij pas een paar weken. Uit geen enkel stuk blijkt dat hij op dat ogenblik reeds een inkomen ontving dat hem toeliet zelfs gedeeltelijk in zijn eigen onderhoud te voorzien. Dat zijn basisloon 214.432 frank per jaar beliep, is geen bewijs dat hij op het ogenblik van het ongeval niet meer door zijn vader werd onderhouden. Het is immers zo dat niet eens vaststaat dat Frank Eeckeloo reeds een loon had ontvangen. Van een "schuldvordering" kan men niet leven. (...) Waar moet worden aangenomen dat Frank Eeckeloo door zijn vader werd onderhouden op het ogenblik van het ongeval, is hij, en dienvolgens de in zijn rechten gesubrogeerde (eiseres), van verzekering uitgesloten";
Overwegende dat eensdeels dat de vaststellingen van het bestreden arrest inhouden dat Frank Eeckeloo, op het moment van het ongeval, waarvoor volgens eiseres diens vader, bestuurder van het verzekerde rijtuig, aansprakelijk is, nog geen eigen inkomsten had en dus zijn onderhoud in feite volledig voor rekening kwam van zijn vader, bij wie hij inwoonde;
Dat anderdeels uit het bestredern arrest of andere stukken waarrop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat uit een later voorgevallen feit, inzonderheid een later uitbetaald loon, is gevolgd dat de vorenbedoelde feitelijke situatie van onderhoud op het moment van het ongeval niet bestond;
Dat de appelrechters derhalve te dezen wettig hebben beslist dat Frank Eeckeloo door zijn vader onderhouden werd;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiseres de kosten.
(3) A.R. nr. 5722 (A.C., 1988-89, nr. 32).