Hof van Cassatie: Arrest van 27 Maart 1998 (België). RG C970063F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19980327-8
- Rolnummer :
- C970063F
Samenvatting :
De kosten van de in het belang van de wegen van de Staat opgelegde werken m.b.t. de wijziging van de leidingen, kunnen maar ten laste worden gelegd van de concessiehoudende gemeente als zij die leidingen heeft aangelegd.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 30 april 1996 gewezen door het Hof van Beroep te Luik;
Over het middel : schending van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessie-houders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, zoals het bestond vóór het werd aangevuld door artikel 2 van het decreet van de Waalse Gewestraad van 14 juni 1990, en artikel 149 van de Grondwet,
doordat het arrest erop wijst "dat niet wordt betwist (...) dat : - het (Wegenfonds), in zijn hoedanigheid van openbaar bestuur, onder de square d'Omalius, in Namen, regelmatig een tunnel heeft doen bouwen in het raam van het beheer van het, toentertijd nationale, wegennet; - de uitvoering van die werken aan het nationale wegennet onmiskenbaar en noodzakelijk een verplaatsing van de ondergrondse leidingen vereiste; - het (Wegenfonds de stad Namen) regelmatig heeft aangemaand om haar 'installaties en leidingen' te verplaatsen, zij geweigerd heeft de kosten van de verplaatsing van de 'collector in de betrokken sectoren' te dragen; - het (Wegenfonds), 'gelet (op die) weigering en op de dringende noodzakelijkheid' zelf die leidingen heeft verplaatst en zich daarbij 'het recht' heeft voorbehouden 'om achteraf het geheel van de kosten te verhalen'; - het (Wegenfonds) bij dagvaarding van 3 juni 1983 de terugbetaling van zijn uitgaven ten belope van 2.732.122 frank heeft gevorderd"; dat het arrest vervolgens eiseres veroordeelt om dat bedrag, vermeerderd met de interesten die het vaststelt, en de kosten, aan verweerder terug te betalen, op grond "dat uit geen enkel stuk kan worden opgemaakt wie de oude ondergrondse leiding heeft aangelegd; dat uit de plannen voor de verplaatsing van de litigieuze leiding blijkt dat het oude bouwwerk een leiding in gewelfd metselwerk van 0,80 x 1,00 meter was, dat in werkelijkheid als riool werd gebruikt en vervangen is door een riool van 1,00 meter diameter; dat het door eiseres neergelegde rioleringsplan een vergelijkbare afmeting van 80 x 120 cm aangeeft; dat een dergelijke ondergrondse constructie niet per se een kleine afvoerleiding van bovengronds water is; dat uit de rioleringsplannen van de stad Namen zonder de minste twijfel blijkt dat de litigieuze leiding verbonden was met en opgenomen was in het rioleringsnet dat een gemeente ter beschikking moet stellen van al haar inwoners; dat in die oude leiding de riolen uitmondden van de inwoners van de avenue de Stassart, die tot de gemeente Namen behoort; dat, volgens het neergelegde plan, die inwoners van de avenue de Stassart niet konden aangesloten zijn op het riool van de rue Félix Wodon (...); dat bovendien via die oude leiding van de avenue de Stassart (net als de vervanger ervan, die zijdelings werd verplaatst) het rioolwater van de avenue des Combattants (die evenwijdig met de stroom loopt), langs de avenue de Stassart (die haaks op de stroom loopt) naar die stroom kon worden afgevoerd; dat het riool van de avenue des Combattants het enige is waarop de inwoners van die in Namen gelegen laan aangesloten kunnen zijn; dat uit de vergelijking van de afmetingen op het plan met de verschillende leidingen (dat op verzoek van het hof van beroep door (eiseres) is neergelegd) blijkt dat de leidingen aan de avenue des Combattants en van de avenue de Stassart (lanen die een rechte hoek vormen) hoofdcollectoren waren; dat leidingen die hoofdzakelijk dienen als riool voor de inwoners van een gemeente, wegens het openbaar gemeentelijk belang ervan, en ongeacht het feit
dat niet is vastgesteld wie oorspronkelijk het riool heeft aangelegd, gemeentelijke riolen in de ruime zin zijn, d.w.z. riolen die ten minste behoren tot de concessie van de gemeente; dat de concessiehoudende gemeente het recht heeft om leidingen aan te leggen of om reeds bestaande leidingen te behouden; dat de concessiehoudende gemeente evenwel, op eigen kosten en zonder schadevergoeding, moet instaan voor de wijzigingen aan de leidingen die haar worden opgelegd in het belang van de wegen of van de openbare wegen van de Staat (zie wet van 10 maart 1925, wet van 17 januari 1938 en wet van 12 april 1965 en advies van de afdeling administratie van de Raad van State van 21 december 1965)",
terwijl het enige artikel van de wet van 17 januari 1938, dat wegens de algemene strekking ervan van toepassing is op alle leidingen, in hoofdzaak bepaalt dat, wanneer de werken, die onder meer door de Staat worden uitgevoerd "in het belang van de wegen" wijzigingen aan de installaties vergen, zoals leidingen die "op of onder de pleinen, wegen, straten ..." zijn aangelegd door een ander openbaar bestuur, een vereniging van gemeenten of een concessiehouder van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, de kosten van de aanpassingswerken ten laste vallen van "de aanneming die de aanleg heeft gedaan"; dat de uitdrukking "de aanleg doen", in de gangbare betekenis, die de wetgever, bij ontstentenis van een andersluidende bepaling in de wet of in de parlementaire voorbereiding, vermoedelijk aan die woorden heeft gegeven, betekent, ze bouwen, aanleggen, optrekken; het arrest in casu toegeeft dat de identiteit van degene die de litigieuze leiding heeft aangelegd niet blijkt uit stukken, maar uit een geheel van feitelijke gegevens afleidt dat die leiding een leiding is waarop inwoners van de gemeente Namen aangesloten zijn, en beslist dat zij daarom, ook al kon de identiteit van de oorspronkelijke aanlegger niet worden achterhaald, een gemeentelijk riool in de ruime zin is; het arrest uit de vaststellingen en vermeldingen niet heeft kunnen afleiden dat eiseres "de aanneming was die de aanleg had gedaan" in de zin van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 en, derhalve, zijn beslissing waarbij eiseres wordt veroordeeld tot terugbetaling van de kosten van de verplaatsing van de litigieuze leiding, niet naar recht verantwoordt (schending van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938); het Hof althans, aan de hand van die vaststellingen en vermeldingen aan de feitenrechters de wettigheid van de tegen eiseres uitgesproken veroordeling niet kan nagaan (schending van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 en van artikel 149 van de Grondwet):
Overwegende dat het arrest de beslissing waarbij eiseres wordt veroordeeld om de in het belang van de wegen gemaakte kosten van de verplaatsing van het litigieuze riool aan verweerder terug te betalen, grondt op de wetten van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen aan gemeenten en de concessie-houders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, en 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
Dat de wetten van 10 maart 1925 en 12 april 1965 te dezen niet van toepassing zijn;
Overwegende dat krachtens het enige artikel van de wet van 17 januari 1938, de kosten van de in het belang van de wegen opgelegde werken met betrekking tot de wijziging aan de leidingen, ten laste vallen van de aanneming die de aanleg heeft gedaan;
Overwegende dat het arrest beslist dat "leidingen die hoofdzakelijk dienen als riool voor de inwoners van een gemeente, wegens het openbaar gemeentelijk belang ervan, en ongeacht het feit dat niet is vastgesteld wie oorspronkelijk het riool heeft aangelegd, gemeentelijke riolen in de ruime zin zijn, d.w.z. riolen die ten minste behoren tot de concessie van de gemeente";
Dat het hof van beroep, nu het vermeldt "dat de concessiehoudende gemeente, op eigen kosten en zonder schadevergoeding, moet instaan voor de wijzigingen aan de leidingen die haar worden opgelegd in het belang van de wegen of van de openbare wegen van de Staat" zonder daarbij vast te stellen dat eiseres de aanleg van het litigieuze riool heeft gedaan, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.
Gelet op het bestreden arrest, op 30 april 1996 gewezen door het Hof van Beroep te Luik;
Over het middel : schending van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessie-houders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, zoals het bestond vóór het werd aangevuld door artikel 2 van het decreet van de Waalse Gewestraad van 14 juni 1990, en artikel 149 van de Grondwet,
doordat het arrest erop wijst "dat niet wordt betwist (...) dat : - het (Wegenfonds), in zijn hoedanigheid van openbaar bestuur, onder de square d'Omalius, in Namen, regelmatig een tunnel heeft doen bouwen in het raam van het beheer van het, toentertijd nationale, wegennet; - de uitvoering van die werken aan het nationale wegennet onmiskenbaar en noodzakelijk een verplaatsing van de ondergrondse leidingen vereiste; - het (Wegenfonds de stad Namen) regelmatig heeft aangemaand om haar 'installaties en leidingen' te verplaatsen, zij geweigerd heeft de kosten van de verplaatsing van de 'collector in de betrokken sectoren' te dragen; - het (Wegenfonds), 'gelet (op die) weigering en op de dringende noodzakelijkheid' zelf die leidingen heeft verplaatst en zich daarbij 'het recht' heeft voorbehouden 'om achteraf het geheel van de kosten te verhalen'; - het (Wegenfonds) bij dagvaarding van 3 juni 1983 de terugbetaling van zijn uitgaven ten belope van 2.732.122 frank heeft gevorderd"; dat het arrest vervolgens eiseres veroordeelt om dat bedrag, vermeerderd met de interesten die het vaststelt, en de kosten, aan verweerder terug te betalen, op grond "dat uit geen enkel stuk kan worden opgemaakt wie de oude ondergrondse leiding heeft aangelegd; dat uit de plannen voor de verplaatsing van de litigieuze leiding blijkt dat het oude bouwwerk een leiding in gewelfd metselwerk van 0,80 x 1,00 meter was, dat in werkelijkheid als riool werd gebruikt en vervangen is door een riool van 1,00 meter diameter; dat het door eiseres neergelegde rioleringsplan een vergelijkbare afmeting van 80 x 120 cm aangeeft; dat een dergelijke ondergrondse constructie niet per se een kleine afvoerleiding van bovengronds water is; dat uit de rioleringsplannen van de stad Namen zonder de minste twijfel blijkt dat de litigieuze leiding verbonden was met en opgenomen was in het rioleringsnet dat een gemeente ter beschikking moet stellen van al haar inwoners; dat in die oude leiding de riolen uitmondden van de inwoners van de avenue de Stassart, die tot de gemeente Namen behoort; dat, volgens het neergelegde plan, die inwoners van de avenue de Stassart niet konden aangesloten zijn op het riool van de rue Félix Wodon (...); dat bovendien via die oude leiding van de avenue de Stassart (net als de vervanger ervan, die zijdelings werd verplaatst) het rioolwater van de avenue des Combattants (die evenwijdig met de stroom loopt), langs de avenue de Stassart (die haaks op de stroom loopt) naar die stroom kon worden afgevoerd; dat het riool van de avenue des Combattants het enige is waarop de inwoners van die in Namen gelegen laan aangesloten kunnen zijn; dat uit de vergelijking van de afmetingen op het plan met de verschillende leidingen (dat op verzoek van het hof van beroep door (eiseres) is neergelegd) blijkt dat de leidingen aan de avenue des Combattants en van de avenue de Stassart (lanen die een rechte hoek vormen) hoofdcollectoren waren; dat leidingen die hoofdzakelijk dienen als riool voor de inwoners van een gemeente, wegens het openbaar gemeentelijk belang ervan, en ongeacht het feit
dat niet is vastgesteld wie oorspronkelijk het riool heeft aangelegd, gemeentelijke riolen in de ruime zin zijn, d.w.z. riolen die ten minste behoren tot de concessie van de gemeente; dat de concessiehoudende gemeente het recht heeft om leidingen aan te leggen of om reeds bestaande leidingen te behouden; dat de concessiehoudende gemeente evenwel, op eigen kosten en zonder schadevergoeding, moet instaan voor de wijzigingen aan de leidingen die haar worden opgelegd in het belang van de wegen of van de openbare wegen van de Staat (zie wet van 10 maart 1925, wet van 17 januari 1938 en wet van 12 april 1965 en advies van de afdeling administratie van de Raad van State van 21 december 1965)",
terwijl het enige artikel van de wet van 17 januari 1938, dat wegens de algemene strekking ervan van toepassing is op alle leidingen, in hoofdzaak bepaalt dat, wanneer de werken, die onder meer door de Staat worden uitgevoerd "in het belang van de wegen" wijzigingen aan de installaties vergen, zoals leidingen die "op of onder de pleinen, wegen, straten ..." zijn aangelegd door een ander openbaar bestuur, een vereniging van gemeenten of een concessiehouder van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, de kosten van de aanpassingswerken ten laste vallen van "de aanneming die de aanleg heeft gedaan"; dat de uitdrukking "de aanleg doen", in de gangbare betekenis, die de wetgever, bij ontstentenis van een andersluidende bepaling in de wet of in de parlementaire voorbereiding, vermoedelijk aan die woorden heeft gegeven, betekent, ze bouwen, aanleggen, optrekken; het arrest in casu toegeeft dat de identiteit van degene die de litigieuze leiding heeft aangelegd niet blijkt uit stukken, maar uit een geheel van feitelijke gegevens afleidt dat die leiding een leiding is waarop inwoners van de gemeente Namen aangesloten zijn, en beslist dat zij daarom, ook al kon de identiteit van de oorspronkelijke aanlegger niet worden achterhaald, een gemeentelijk riool in de ruime zin is; het arrest uit de vaststellingen en vermeldingen niet heeft kunnen afleiden dat eiseres "de aanneming was die de aanleg had gedaan" in de zin van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 en, derhalve, zijn beslissing waarbij eiseres wordt veroordeeld tot terugbetaling van de kosten van de verplaatsing van de litigieuze leiding, niet naar recht verantwoordt (schending van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938); het Hof althans, aan de hand van die vaststellingen en vermeldingen aan de feitenrechters de wettigheid van de tegen eiseres uitgesproken veroordeling niet kan nagaan (schending van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 en van artikel 149 van de Grondwet):
Overwegende dat het arrest de beslissing waarbij eiseres wordt veroordeeld om de in het belang van de wegen gemaakte kosten van de verplaatsing van het litigieuze riool aan verweerder terug te betalen, grondt op de wetten van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen aan gemeenten en de concessie-houders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, en 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
Dat de wetten van 10 maart 1925 en 12 april 1965 te dezen niet van toepassing zijn;
Overwegende dat krachtens het enige artikel van de wet van 17 januari 1938, de kosten van de in het belang van de wegen opgelegde werken met betrekking tot de wijziging aan de leidingen, ten laste vallen van de aanneming die de aanleg heeft gedaan;
Overwegende dat het arrest beslist dat "leidingen die hoofdzakelijk dienen als riool voor de inwoners van een gemeente, wegens het openbaar gemeentelijk belang ervan, en ongeacht het feit dat niet is vastgesteld wie oorspronkelijk het riool heeft aangelegd, gemeentelijke riolen in de ruime zin zijn, d.w.z. riolen die ten minste behoren tot de concessie van de gemeente";
Dat het hof van beroep, nu het vermeldt "dat de concessiehoudende gemeente, op eigen kosten en zonder schadevergoeding, moet instaan voor de wijzigingen aan de leidingen die haar worden opgelegd in het belang van de wegen of van de openbare wegen van de Staat" zonder daarbij vast te stellen dat eiseres de aanleg van het litigieuze riool heeft gedaan, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.