Hof van Cassatie: Arrest van 28 Juni 2001 (België). RG D010010F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20010628-2
- Rolnummer :
- D010010F
Samenvatting :
De plaatsvervangende rechter die door een in kracht van gewijsde gegaan arrest is veroordeeld, m.n. wegens verduistering van gelden die hij uit kracht of uit hoofde van zijn ambt van voorlopig bewindvoerder van de goederen van de benadeelden onder zich had, heeft ernstig afbreuk gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en is niet meer waardig om nog deel te nemen aan de uitoefening van de rechterlijke macht; het Hof ontzet hem bijgevolg uit zijn ambt (1).
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. D.01.0010.F.
PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, tegen X.
Het Hof, in algemene vergadering samengesteld overeenkom-stig artikel 348, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ;
Gelet op de schriftelijke vorderingen van de heer procu-reur-generaal, gesteld als volgt :
"Aan het Hof van Cassatie, de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, Overwegende dat de heer X. is benoemd tot plaatsvervangend rechter bij het Vredegerecht van het kanton Y. bij koninklijk besluit van (...), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van (...), en dat hij op (...) de bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed heeft afgelegd op de terechtzit-ting van de Eerste Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Z. ;
Overwegende dat het Hof van Beroep te Z. hem bij arrest van 20 december 2000 heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met een uitstel van drie jaar, en tot een geldboete van 26 BEF of een vervangende gevangenisstraf van acht dagen, en tot ontzetting, voor een duur van tien jaar, uit de in artikel 31 van het Strafwetboek opgesomde rechten, wegens bedrieglijke verduistering van geldsommen voor een totaalbedrag van 1.306.000 BEF, die afkomstig zijn van gelden die hij onder zich had uit hoofde van zijn ambt van voorlopig bewindvoerder van de goederen van de benadeelden - ambt waarin hij was aangesteld door de respectieve beschikkingen van 8 april 1992 en 28 juli 1993 van de Vrederechter te Y. -, en wegens een zware diefstal van een bedrag van 10.000 BEF ;
Overwegende dat het cassatieberoep van de heer X. tegen dat arrest is verworpen bij het arrest van 18 april 2001 van het Hof, en dat het veroordelend arrest bijgevolg in kracht van gewijsde is gegaan ;
Overwegende dat uit de aard en de zwaarwichtigheid van de aldus bestrafte feiten blijkt dat de heer X.
zijn ambtsplichten ernstig heeft verzuimd en door zijn gedrag afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het vertrouwen van de burgers in de rechterlijke macht heeft geschokt ; dat hij niet meer waar-dig is om nog deel te nemen aan de uitoefening van de rechter-lijke macht ;
Gelet op de artikelen 152, tweede lid, van de Grondwet, 404, 405, 409, 417 tot 420 en 422 tot 426 van het Gerechtelijk Wetboek ;
Vordert dat het Hof, in algemene vergadering, uitspraak doende in openbare terechtzitting en na onderzoek, de heer X. uit zijn ambt van plaatsvervangend rechter bij het Vredegerecht van het kanton Y. ontzet en hem in de kosten veroordeelt.
Brussel, 23 mei 2001, Voor de procureur-generaal, advocaat-generaal (get.) X. De Riemaecker" Gehoord, op de terechtzitting van 20 juni 2001, het verslag van afdelingsvoorzitter Lahousse ;
Gehoord, op de terechtzitting van 20 juni 2001, advocaat- generaal De Riemaecker in zijn conclusie, waarbij hij het Hof verzoekt recht te doen op de hierboven weergegeven vordering van 23 mei 2001, strekkende tot ontzetting van X. uit zijn ambt van plaatsvervangend rechter bij het Vredegerecht van het kanton Y. ;
Overwegende dat X., bij gerechtsbrief, regelmatig is opge-roepen om in persoon te verschijnen op de terechtzitting van 20 juni 2001, om 15 uur ;
Gehoord de comparant, die vraagt dat de zaak behandeld wordt in raadkamer ;
Overwegende dat de comparant daarenboven gevraagd heeft om de zaak naar een latere datum te verdagen teneinde zijn verde-diging te waarborgen ;
Overwegende dat het Hof, recht doende op dat verzoek, de zaak voor voortgezette behandeling heeft verdaagd naar de te-rechtzitting van 28 juni 2001 om 14 uur ;
Gehoord, op de terechtzitting van 28 juni 2001, de compa-rant in zijn verweermiddelen ;
Gelet op het dossier van het strafonderzoek en gelet op het arrest van 20 december 2000 van het Hof van Beroep te Z. ;
Gelet op het arrest van 18 april 2001 van het Hof ;
Gelet op de behandeling ter terechtzitting ;
Gelet op de stukken die comparant op de terechtzitting heeft neergelegd ;
Overwegende dat de aan X. opgelegde veroordelingen in kracht van gewijsde zijn gegaan ;
Overwegende dat de omstandigheid dat X. zijn ontslag heeft ingediend, de uitoefening van de tuchtvordering niet belet ; dat er dus geen grond bestaat om de uitspraak aan te houden ;
Overwegende dat zowel uit het strafonderzoek als uit het voormelde arrest van het hof van beroep en uit het onderzoek van het Hof blijkt dat X., door zijn gedrag als voorlopig bewind-voerder, afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het vertrouwen van de burgers in de rechterlijke macht heeft geschokt ; dat hij bijgevolg niet meer waardig is om nog deel te nemen aan de uitoefening van de rechterlijke macht ;
OM DIE REDENEN, Uitspraak doende op tegenspraak in openbare terechtzit-ting, na onderzoek van de zaak in raadkamer ;
Gelet op de artikelen 152, tweede lid, van de Grondwet, 404, 405, 409, 417 tot 420, 422 tot 424 en 426 van het Gerech-telijk Wetboek en 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ;
Ontzet X. uit zijn ambt van plaatsvervangend rechter bij het Vredegerecht van het kanton Y. ;
Veroordeelt hem in de kosten, tot op heden begroot op nul frank.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, in algemene verga-dering, te Brussel, door eerste voorzitter Marchal, voorzitter Verougstraete, afdelingsvoorzitter Lahousse, de raadsheren Fischer en Parmentier, afdelingsvoorzitter Boes, de raadsheren Waûters, Dhaeyer, Huybrechts, Goethals, Frère, en in openbare terechtzitting van achtentwintig juni tweeduizend en een uitge-sproken door eerste voorzitter Marchal, in aanwezigheid van ad-vocaat-generaal De Riemaecker, met bijstand van hoofdgriffier Sluys.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Lahousse en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Merckx.
PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, tegen X.
Het Hof, in algemene vergadering samengesteld overeenkom-stig artikel 348, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ;
Gelet op de schriftelijke vorderingen van de heer procu-reur-generaal, gesteld als volgt :
"Aan het Hof van Cassatie, de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, Overwegende dat de heer X. is benoemd tot plaatsvervangend rechter bij het Vredegerecht van het kanton Y. bij koninklijk besluit van (...), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van (...), en dat hij op (...) de bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed heeft afgelegd op de terechtzit-ting van de Eerste Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Z. ;
Overwegende dat het Hof van Beroep te Z. hem bij arrest van 20 december 2000 heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met een uitstel van drie jaar, en tot een geldboete van 26 BEF of een vervangende gevangenisstraf van acht dagen, en tot ontzetting, voor een duur van tien jaar, uit de in artikel 31 van het Strafwetboek opgesomde rechten, wegens bedrieglijke verduistering van geldsommen voor een totaalbedrag van 1.306.000 BEF, die afkomstig zijn van gelden die hij onder zich had uit hoofde van zijn ambt van voorlopig bewindvoerder van de goederen van de benadeelden - ambt waarin hij was aangesteld door de respectieve beschikkingen van 8 april 1992 en 28 juli 1993 van de Vrederechter te Y. -, en wegens een zware diefstal van een bedrag van 10.000 BEF ;
Overwegende dat het cassatieberoep van de heer X. tegen dat arrest is verworpen bij het arrest van 18 april 2001 van het Hof, en dat het veroordelend arrest bijgevolg in kracht van gewijsde is gegaan ;
Overwegende dat uit de aard en de zwaarwichtigheid van de aldus bestrafte feiten blijkt dat de heer X.
zijn ambtsplichten ernstig heeft verzuimd en door zijn gedrag afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het vertrouwen van de burgers in de rechterlijke macht heeft geschokt ; dat hij niet meer waar-dig is om nog deel te nemen aan de uitoefening van de rechter-lijke macht ;
Gelet op de artikelen 152, tweede lid, van de Grondwet, 404, 405, 409, 417 tot 420 en 422 tot 426 van het Gerechtelijk Wetboek ;
Vordert dat het Hof, in algemene vergadering, uitspraak doende in openbare terechtzitting en na onderzoek, de heer X. uit zijn ambt van plaatsvervangend rechter bij het Vredegerecht van het kanton Y. ontzet en hem in de kosten veroordeelt.
Brussel, 23 mei 2001, Voor de procureur-generaal, advocaat-generaal (get.) X. De Riemaecker" Gehoord, op de terechtzitting van 20 juni 2001, het verslag van afdelingsvoorzitter Lahousse ;
Gehoord, op de terechtzitting van 20 juni 2001, advocaat- generaal De Riemaecker in zijn conclusie, waarbij hij het Hof verzoekt recht te doen op de hierboven weergegeven vordering van 23 mei 2001, strekkende tot ontzetting van X. uit zijn ambt van plaatsvervangend rechter bij het Vredegerecht van het kanton Y. ;
Overwegende dat X., bij gerechtsbrief, regelmatig is opge-roepen om in persoon te verschijnen op de terechtzitting van 20 juni 2001, om 15 uur ;
Gehoord de comparant, die vraagt dat de zaak behandeld wordt in raadkamer ;
Overwegende dat de comparant daarenboven gevraagd heeft om de zaak naar een latere datum te verdagen teneinde zijn verde-diging te waarborgen ;
Overwegende dat het Hof, recht doende op dat verzoek, de zaak voor voortgezette behandeling heeft verdaagd naar de te-rechtzitting van 28 juni 2001 om 14 uur ;
Gehoord, op de terechtzitting van 28 juni 2001, de compa-rant in zijn verweermiddelen ;
Gelet op het dossier van het strafonderzoek en gelet op het arrest van 20 december 2000 van het Hof van Beroep te Z. ;
Gelet op het arrest van 18 april 2001 van het Hof ;
Gelet op de behandeling ter terechtzitting ;
Gelet op de stukken die comparant op de terechtzitting heeft neergelegd ;
Overwegende dat de aan X. opgelegde veroordelingen in kracht van gewijsde zijn gegaan ;
Overwegende dat de omstandigheid dat X. zijn ontslag heeft ingediend, de uitoefening van de tuchtvordering niet belet ; dat er dus geen grond bestaat om de uitspraak aan te houden ;
Overwegende dat zowel uit het strafonderzoek als uit het voormelde arrest van het hof van beroep en uit het onderzoek van het Hof blijkt dat X., door zijn gedrag als voorlopig bewind-voerder, afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het vertrouwen van de burgers in de rechterlijke macht heeft geschokt ; dat hij bijgevolg niet meer waardig is om nog deel te nemen aan de uitoefening van de rechterlijke macht ;
OM DIE REDENEN, Uitspraak doende op tegenspraak in openbare terechtzit-ting, na onderzoek van de zaak in raadkamer ;
Gelet op de artikelen 152, tweede lid, van de Grondwet, 404, 405, 409, 417 tot 420, 422 tot 424 en 426 van het Gerech-telijk Wetboek en 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ;
Ontzet X. uit zijn ambt van plaatsvervangend rechter bij het Vredegerecht van het kanton Y. ;
Veroordeelt hem in de kosten, tot op heden begroot op nul frank.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, in algemene verga-dering, te Brussel, door eerste voorzitter Marchal, voorzitter Verougstraete, afdelingsvoorzitter Lahousse, de raadsheren Fischer en Parmentier, afdelingsvoorzitter Boes, de raadsheren Waûters, Dhaeyer, Huybrechts, Goethals, Frère, en in openbare terechtzitting van achtentwintig juni tweeduizend en een uitge-sproken door eerste voorzitter Marchal, in aanwezigheid van ad-vocaat-generaal De Riemaecker, met bijstand van hoofdgriffier Sluys.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Lahousse en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Merckx.