Hof van Cassatie: Arrest van 29 Januari 2003 (België). RG P021368F

Datum :
29-01-2003
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20030129-10
Rolnummer :
P021368F

Samenvatting :

De bewijskracht van een akte wordt niet miskend door de rechter die deze akte niet uitlegt op een wijze die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is (1). (1) Zie Cass., 28 jan. 1997, A.R. P.95.1190.N, nr. 49 ; 5 mei 1999, A.R. P.99.0635.F, nr. 264.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Nr. P.02.1368.F.-
I. 1. O. M.,
2. S. L.,
inverdenkinggestelden,
Mrs. Pierre Cavenaile en Frédérice Minne, advocaten bij de balie te Luik,
II. R. P., inverdenkinggestelde.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest, op 26 september 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat generaal Jean Spreutels heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
De eisers M.O. en L. S. voeren een middel aan in een memorie, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht. Eiser P. R. voert geen enkel middel aan.
IV. Beslissing van het Hof
A. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissingen over het bestaan van voldoende bezwaren :
Overwegende dat dergelijke beslissingen geen eindbeslissingen zijn in de zin van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering en noch over een geschil inzake bevoegdheid noch met toepassing van de artikelen 135 en 235bis van dat wetboek uitspraak doen ;
Dat de cassatieberoepen voorbarig en dus niet ontvankelijk zijn ;
B. In zoverre de cassatieberoepen de mogelijke onregelmatigheden, verzuimen of nietigheidsgronden betreffende het verwijzingsarrest onderwerpen aan het toezicht van het Hof :
1. Op de cassatieberoepen van M. O. en L. S. :
Over het middel :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet niet van toepassing is op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen in het kader van de regeling van de rechtspleging ; dat, in de regel, hetzelfde geldt voor artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ;
Overwegende dat de eveneens door de eisers aangevoerde artikelen 128, 129 en 130 van het Wetboek van Strafvordering geen verband houden met de door hen geuite grieven ;
Overwegende dat, voor het overige, wanneer de inverdenkinggestelde, voor de kamer van inbeschuldigingstelling, de nietigheid aanvoert van de beschikking die hem naar de correctionele rechtbank verwijst, en de appèlrechters die nietigheid uitspreken, zij de zaak aan zich moeten trekken overeenkomstig artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering en uitspraak doen over de verwijzing, door het bestaan van voldoende bezwaren te beoordelen ;
Overwegende dat de onderzoeksgerechten, door de onaantastbare vaststelling dat voldoende bezwaren al dan niet bestaan, de conclusie beantwoorden waarin het bestaan van dergelijke bezwaren betwist of in feite aangevoerd wordt ;
Overwegende dat de door de eisers aangeklaagde omstandigheid dat de raadkamer tegenover hun conclusie "een reeks redenen" heeft gesteld die volgens hen "volkomen strijdig zijn met de feitelijke gegevens die vervat zijn in de akten van het onderzoeksdossier", geen onregelmatigheid, verzuim of nietigheidsgrond is met betrekking tot de verwijzingsbeschikking in de zin van artikel 135, ,§ 2, van het Wetboek van Strafvordering ;
Overwegende dat het bestreden arrest, door vast te stellen dat de raadkamer gewezen heeft op het bestaan van voldoende bezwaren en dat die beoordeling te dezen volgt uit het antwoord dat zij gegeven heeft op de conclusie waarin het bestaan van die bezwaren wordt ontkend, zijn beslissing naar recht verantwoordt om de nietigheid van de beroepen beschikking niet uit te spreken, en, bijgevolg, de zaak niet aan zich te trekken met toepassing van artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering, ;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat het middel, in zoverre het aanvoert dat de bezwaren onvoldoende gemotiveerd zijn, geen deel uitmaakt van de grieven die krachtens de wet kunnen worden aangevoerd tot staving van het onmiddellijk cassatieberoep tegen het verwijzingsarrest ;
Overwegende dat het middel het arrest daarenboven niet verwijt te beslissen dat de stukken van het onderzoeksdossier, met inbegrip van die welke de eisers op de terechtzitting van de raadkamer hebben neergelegd, een vermelding bevatten die er niet in voorkomt of dat zij een vermelding niet bevatten die er wel in voorkomt, maar wel dat het geen acht slaat op de feitelijke gegevens die de eisers daaruit hebben gehaald tot staving van hun verdediging of dat het steunt op andere, verschillende of daarmee strijdige gegevens ;
Dat een dergelijke grief geen miskenning van de bewijskracht van de akten bevat ;
Overwegende dat, ten slotte, de beschikking van 20 januari 2000 van de raadkamer met name vermeldt dat de bedragen van de jaarlijkse, door de vakbonden ontvangen welzijnspremies niet zijn doorgestort aan de werknemers voor wie ze waren bestemd, dat de eisers het recht niet hadden "deze zonder iets te zeggen op privé rekeningen te storten en ze te manipuleren om ze te laten renderen en aldus, doorheen de jaren, een oorlogsbuit samen te stellen ten koste van de maatschappij en van de bruggepensioneerden", en dat de argumentatie van de eisers dat "hen alleen een vertraging in de betaling kan worden aangewreven", niet overtuigend is, aangezien "de litigieuze bedragen jarenlang bewaard zijn gebleven op privé rekeningen en pas in allerijl zijn doorgestort na het openen van een gerechtelijk vooronderzoek naar die bedragen" ;
Dat de appèlrechters beslissen dat die beschikking het bestaan van voldoende bezwaren wegens verduistering vaststelt, en, aldus, aan die akte geen uitlegging geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en de bewijskracht van die akten derhalve niet miskennen ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
En overwegende dat er geen enkele onregelmatigheid, verzuim of nietigheidsgrond met betrekking tot het verwijzingsarrest bestaat ;
2. Op het cassatieberoep van P.R. :
Overwegende dat er geen enkele onregelmatigheid, verzuim of nietigheidsgrond met betrekking tot het verwijzingsarrest bestaat ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt de cassatieberoepen ;
Veroordeelt elke eiser in de kosten van zijn cassatieberoep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Marc Lahousse, de raadsheren Francis Fischer, Jean de Codt, Frédéric Close en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van negenentwintig januari tweeduizend en drie uitgesproken door afdelingsvoorzitter Marc Lahousse, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Spreutels, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jean de Codt, en overgeschreven met assistentie van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.
De eerstaanwezend adjunct-griffier, De raadsheer,