Hof van Cassatie: Arrest van 29 Oktober 1999 (België). RG F980046F

Datum :
29-10-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19991029-9
Rolnummer :
F980046F

Samenvatting :

De aanslag van ambtswege die geen rekening hield met een beoordelingsgegeven is niet willekeurig wanneer dat gegeven het bestuur niet bekend was op het tijdstip van de aanslag en dus door het bestuur bij die aanslag niet in aanmerking kon worden genomen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 24 december 1997 gewezen door het Hof van Beroep te Luik;
Over het middel: schending van de artikelen 256 en 257 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (1964), die van toepassing zijn op het aanslagjaar 1991, en van de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die van toepassing zijn op het aanslagjaar 1992,
doordat het hof van beroep vaststelt dat "de (verweerders) het bestuur verwijten dat het, door de werkelijke beroepskosten te verwerpen, het wettelijk forfait heeft toegepast" en (dat zij) "erop wijzen dat zij in elk geval de in aanmerking te nemen sociale bijdragen naar behoren verantwoorden (zie nieuwe stukken nrs. 1 en 28 van hun dossier), die op grond van de artikelen 24, § 1, van de wet van 7 december 1988 en 51, eerste lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 afgetrokken mogen worden, zelfs bij toepassing van het wettelijk forfait"; dat het hof erop wijst "dat weliswaar aldus gebleken is dat de (verweerders) het juiste bedrag van hun inkomsten en van hun aftrekbare bedrijfsuitgaven niet bewijzen, maar dat ze niettemin te dezen het recht hebben te bewijzen dat de aanslag willekeurig is, omdat het bestuur een rechtsdwaling heeft begaan, zich op onjuiste feiten heeft gebaseerd of uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid"; dat het hof vervolgens beslist dat "laatstgenoemd bewijs geleverd wordt, aangezien de litigieuze artikelen, gelet op de voornoemde stukken, niet correct toegepast zijn", dat "bijgevolg bewezen is dat de aanslag willekeurig is en dus nietig verklaard moet worden, onverminderd het recht van het bestuur om krachtens artikel 355 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 een nieuwe aanslag vast te stellen",
terwijl, de belastingplichtigen die regelmatig van ambtswege zijn aangeslagen en het bewijs niet leveren van het juiste bedrag van hun inkomsten en van hun aftrekbare bedrijfsuitgaven (wat te dezen het geval is en niet betwist wordt) weliswaar mogen bewijzen dat de aanslag willekeurig is, maar daarenboven moeten bewijzen dat het bestuur bij de vaststelling van de litigieuze aanslag, een rechtsdwaling heeft begaan, zich op onjuiste feiten heeft gebaseerd of nog uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid, zij evenwel het bestuur niet kunnen verwijten dat het geen rekening heeft gehouden met een beoordelingsgegeven waarvan het bij de aanslag niet op de hoogte was; de aanslagen, gelet op de stukken van het dossier waarop het Hof vermag acht te slaan, met name de stukken nr. 2, bijlagen nrs. 37 en 49 en nr. 3, bijlagen nrs. 26 en 40, de aanslagen van ambtswege zijn vastgesteld op grond van de enige gegevens waarover het bestuur beschikte, namelijk, wat het bedrag van de inkomsten betreft, de fiches 281.50, na aftrek van het wettelijk forfait; het bestuur niet kan worden verweten dat het geen rekening heeft gehouden met de sociale bijdragen die ingevolge de artikelen 24 § 1, van de wet van 7 december 1988 en 51, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 mogen worden afgetrokken, zelfs bij toepassing van het wettelijk forfait, aangezien het bestuur ten tijde van de aanslag, bij ontstentenis van aangiften die waren ingekomen voor de inkohiering van de litigieuze aanslagen, geen weet had van het bestaan van de litigieuze bijdragen waarvan het bedrag, blijkens het arrest, pas is verantwoord aan de hand van de stukken 1 en 28 van het dossier die de verweerders voor het eerst aan het hof (van beroep) hebben overgelegd; het hof bijgevolg niet zonder de in het middel aangegeven wetsbepalingen te schenden, kon beslissen dat het bewijs was geleverd van de willekeurige wijze waarop de litigieuze aanslagen waren vastgesteld:
Overwegende dat uit de vaststellingen van het arrest volgt dat de verweerders regelmatig van ambtswege zijn aangeslagen voor de litigieuze aanslagjaren;
Overwegende dat de belastingplichtige die regelmatig van ambtswege is aangeslagen, het recht heeft de aanslag te doen nietig verklaren, indien hij bewijst dat de belastbare grondslag willekeurig door het bestuur is vastgesteld, omdat het een rechtsdwaling heeft begaan of zich op onjuiste feiten heeft gebaseerd of nog uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat "de (verweerders) het bestuur verwijten dat het, door de werkelijke beroepskosten te verwerpen, het wettelijk forfait heeft toegepast"; "zij wijzen erop dat zij in elk geval de in aanmerking te nemen sociale bijdragen naar behoren verantwoorden (zie stukken nrs. 1 en 28 van hun dossier), die op grond van de artikelen 24, § 1, van de wet van 7 december 1988 en 51, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 afgetrokken mogen worden, zelfs bij toepassing van het wettelijk forfait. Aldus is gebleken dat de (verweerders) het juiste bedrag van hun inkomsten en van hun aftrekbare bedrijfsuitgaven niet bewijzen, maar ze hebben te dezen niettemin het recht te bewijzen dat de aanslag willekeurig is, omdat het bestuur een rechtsdwaling heeft begaan, zich op onjuiste feiten heeft gebaseerd of uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid. Laatstgenoemd bewijs wordt evenwel geleverd, aangezien de litigieuze artikelen, gelet op de voornoemde stukken, niet correct toegepast zijn";
Overwegende evenwel dat, enerzijds, uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de stukken 1 en 28 waarvan het arrest melding maakt en die de in aanmerking te nemen sociale bijdragen verantwoorden, voor het eerst zijn overgelegd door neerlegging op de griffie van het Hof van Beroep te Luik op 17 maart 1995, terwijl de litigieuze aanslagen vastgesteld zijn op 2 februari 1993 en 14 mei 1993; dat, anderzijds, het arrest zelf erop wijst "dat de bewijsstukken zijn neergelegd ter griffie van het hof (van beroep), zodat het bestuur niet eerder ervan kon kennisnemen" en dat de Staat "dus niet dient te worden veroordeeld (in de kosten) die de (verweerders) hebben veroorzaakt";
Dat de aanslag van ambtswege die geen rekening hield met een beoordelingsgegeven niet willekeurig is, wanneer dat gegeven, zoals te dezen, het bestuur niet bekend was op het tijdstip van de aanslag en dus door het bestuur bij die aanslag niet in aanmerking kon worden genomen;
Dat het arrest derhalve, nu het beslist dat de laatste twee aanslagen voor de aanslagjaren 1991 en 1992 willekeurig waren, de in het middel aangegeven wetsbepalingen schendt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het enerzijds, het beroep betreffende de aanslag in de personenbelasting en de aanvullende gemeentebelasting voor de aanslagjaren 1991 en 1992 gegrond verklaart en, anderzijds, uitspraak doet over de kosten;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de bodemrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.